Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BT8657

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
31-10-2011
Zaaknummer
401435/ FA RK 11-6530
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Centrale Autoriteit (CA) heeft op 21 april 2011 een eerste verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar de Verenigde Staten ingediend bij de rechtbank. Na een regiezitting in het kader van crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken hebben de ouders na mediation een vaststellingsovereenkomst getekend, waarbij zij zijn overeengekomen dat de woonplaats van de minderjarige de Verenigde Staten, Texas, is. De CA heeft hierop het verzoek tot teruggeleiding ingetrokken en verzocht de vaststellingsovereenkomst in een beschikking te bekrachten. De moeder heeft de rechtbank hierna te kennen gegeven een grote reeks van bezwaren te hebben ten aanzien van het verloop van de mediationsessie. De rechtbank heeft gelet hierop het verzoek tot bekrachtiging van de vaststellingsovereenkomst afgewezen. Op 18 augustus 2011 heeft de CA een tweede verzoek tot teruggeleiding ingediend. De rechtbank oordeelt dat het herhaalde verzoek niet beschouwd moet worden als een nieuw verzoek, maar als een voortzetting van het initiële verzoek. Dit brengt met zich mee dat het verzoek is ingediend binnen de 1-jaarstermijn als bedoeld in artikel 12 lid HKOV. De rechtbank oordeelt verder dat er geen sprake is van weigeringsgronden. Het verzoek tot teruggeleiding zal worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 11-6530

Zaaknummer: 401435

Datum beschikking: 12 oktober 2011

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 18 augustus 2011 ingekomen verzoek van:

de directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage,

verder te noemen: de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de man],

de vader,

wonende te [woonplaats A] Verenigde Staten van Amerika.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de moeder,

wonende te [woonplaats B],

advocaat: mr. B.A.S. van Leeuwen te Amsterdam.

Procedure

Van de zijde van de vader is op 10 januari 2011 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarige:

- [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Verenigde Staten van Amerika,

naar de Verenigde Staten.

Op 18 augustus 2011 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Zwolle-Lelystad ingediend.

Bij beschikking d.d. 18 augustus 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 21 september 2011, met bijlagen, van de zijde van de Centrale Autoriteit.

De minderjarige [naam minderjarige], heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.

Op 21 september 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. M.M. Maljaars-Hendrikse, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 21 september 2011, met bijlage, van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 23 september 2011 van de zijde van de Centrale Autoriteit.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit heeft middels haar verzoekschrift verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, (hierna: de Uitvoeringswet) de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar de Verenigde Staten, dan wel - indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen - te bepalen op welke datum de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar de Verenigde Staten, indien nodig met behulp van de sterke arm.

De Centrale Autoriteit heeft het verzoek de moeder te veroordelen in de door de vader gemaakte reis- en verblijfkosten inzake de teruggeleidingsprocedure ter terechtzitting ingetrokken.

De moeder heeft ter terechtzitting verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan.

De vader is Amerikaans staatsburger, de moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn daarnaast Amerikaans staatsburger.

De vader en de moeder hebben van 1999 tot 2007 met elkaar samengeleefd. Tijdens deze samenleving is het thans nog minderjarige kind geboren:

- [naam minderjarige], op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Verenigde Staten van Amerika.

Op grond van het vonnis van The District Court 256TH Judicial District Dallas County, Texas, d.d. 17 februari 2009 zijn de vader en de moeder Joint Managing Conservators over de minderjarige.

Op 30 mei 2010 is de moeder met de minderjarige vanuit de Verenigde Staten van Amerika naar Nederland vertrokken, alwaar zij thans nog verblijven.

Direct voor het vertrek naar Nederland was de gewone verblijfplaats van de minderjarige in de Verenigde Staten gelegen.

De Centrale Autoriteit heeft op 21 april 2011 een eerste verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar de Verenigde Staten ingediend bij deze rechtbank.

Op 9 juni 2011 is dat verzoek ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Het betrof hier een regiezitting in het kader van crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken.

Na genoemde regiezitting zijn de vader en de moeder door middel van mediation tot een minnelijke schikking gekomen. De vader en de moeder hebben op 12 juni 2011 een vaststellingsovereenkomst ondertekend.

De Centrale Autoriteit heeft op 21 juni 2011 het verzoek tot teruggeleiding ingetrokken en verzocht de vaststellingsovereenkomst te bekrachtigen door de afspraken op te nemen in de beschikking.

De advocaat van de moeder heeft de rechtbank bij e-mailbericht van 23 juni 2011 te kennen gegeven dat de moeder een grote reeks van bezwaren heeft ten aanzien van het verloop van de mediationsessie en het bureau belast met de mediation.

De rechtbank heeft de Centrale Autoriteit in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voortgang van de procedure.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 19 juli 2011 is het verzoek van de Centrale Autoriteit tot bekrachtiging van de vaststellingsovereenkomst afgewezen.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Haagse Verdrag). Zowel Nederland als de Verenigde Staten zijn partij bij het Haagse Verdrag.

Het Haagse Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Haagse Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofd niet doen terugkeren in de zin van het Haagse Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Haagse Verdrag).

Ongeoorloofde vasthouding in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag

Uit genoemd vonnis van The District Court 256TH Judicial District Dallas County, Texas, d.d. 17 februari 2009 citeert de rechtbank de volgende relevante bepalingen.

"The Court orders that, as long as the nonprimary parent resides in Dallas County or a contiguous county, the residence of the child is restricted tot Dallas County or a contiguous county until further orders of the Court or by written agreement of the parties filed with the Court.

...

It is ordered that if a conservator intends to have the child travel outside the United States during the conservator's period of possession of the child, the conservator shall provide written notice to the orther conservator. It is ordered that this written notice shall include all the following:

1. any written consent form for travel outside the United States that is required by the country of destination, countries through which travel will occur, or the intended carriers;

2. the date, time, and location of the child's departure from the Untited States;

3. a reasonable description of means of transportation, including, if applicable, all names of carriers, flight numbers, and scheduled departure and arrival times;

4. a reasonable description of each destination of the intended travel, including the name, address, and phone number of each interim destination and the final travel location;

5. the dates the child is scheduled to arrive and depart at each such destination;

6. the date, time, and location of the child's return to the United States;

7. a complete statement of each portion of the intended travel during which the conservator providing the written notice will not accompany the child; and

8. the name, permanent and mailing addresses, and work and home telephone numbers of each person accompanying the child on the intended travel other than the conservator providing the written notice.

..."

Uit bovenstaande bepalingen leidt de rechtbank af dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet gewijzigd kan worden zonder rechterlijke beslissing of zonder schriftelijke toestemming van de andere ouder en voorts dat de ouder die met de minderjarige buiten de Verenigde Staten wil reizen schriftelijke toestemming nodig heeft van de andere ouder.

De moeder heeft niet betwist dat zij toestemming van de vader nodig had om naar Nederland te reizen. De moeder heeft gesteld dat zij die toestemming van de vader ook heeft gekregen en dat deze toestemming is neergelegd in een notariële akte. Na de terechtzitting heeft de moeder genoemde akte, te weten het Certificate of acknowlegdment of notary public d.d. 8 april 2010, overgelegd.

De rechtbank citeert uit deze akte de volgende relevante bepaling.

"I do hereby grant full authorization and consent for my child to travel outside of the United States with Cindy Newell, who is the mother of my child. The purpose of the travel is visit relatives."

Nu volgens deze bepaling het doel van de reis familiebezoek was en de moeder ter terechtzitting heeft verklaard dat de vader steeds heeft volgehouden dat hij slechts toestemming heeft gegeven voor twee weken en de moeder daarnaast de vader, blijkens de door de Centrale Autoriteit bij brief van 21 september 2011 overgelegde stukken, eind mei 2010 een vluchtschema heeft doen toekomen waaruit blijkt dat de terugreis geboekt was op 29 juni 2010, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor verblijf in Nederland na (in ieder geval) 29 juni 2010.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder (in ieder geval) sedert 30 juni 2010 de minderjarige in strijd met het gezagsrecht van de vader naar het recht van de staat waarin de minderjarige onmiddellijk voor de vasthouding haar gewone verblijfplaats had, vasthoudt. Nu niet in geschil is dat het gezagsrecht door de vader en de moeder gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de vasthouding, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van ongeoorloofde vasthouding van de minderjarige als bedoeld in artikel 3 van het Haagse Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Haagse Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Haagse Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Haagse Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

De vraag die zich thans voordoet is of het verzoek is ingediend binnen de hierboven genoemde termijn van één jaar. De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals uit de hierboven vermelde feiten blijkt is het initiële verzoekschrift tot teruggeleiding bij deze rechtbank ingediend op 21 april 2011, heeft een regiezitting plaatsgevonden op 9 juni 2011 en hebben de vader en de moeder na mediation op 12 juni 2011 een vaststellingsovereenkomst ondertekend. De Centrale Autoriteit heeft op 21 juni 2011 het verzoek tot teruggeleiding ingetrokken en verzocht de vaststellingsovereenkomst te bekrachtigen door de afspraken op te nemen in de beschikking.

De advocaat van de moeder heeft de rechtbank bij e-mailbericht d.d. 23 juni 2011 bericht dat de moeder bezwaren heeft tegen het verloop van de mediationsessie en dat zij een verweerschrift wenst in te dienen. De advocaat heeft deze e-mail niet doorgestuurd naar de Centrale Autoriteit. De rechtbank heeft partijen vervolgens bericht dat het de rechtbank, gelet op de intrekking van het teruggeleidingsverzoek en het gewijzigde verzoek van de Centrale Autoriteit bezien in samenhang met de door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst, niet duidelijk is op welke wijze partijen beogen de procedure voort te zetten en hen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voortgang van de procedure.

Hierop heeft de Centrale Autoriteit kort samengevat gereageerd dat de vader achter de gemaakte afspraken staat zoals weergegeven in de vaststellingsovereenkomst, dat de Centrale Autoriteit geen mogelijkheden ziet voor het voeren van verweer door de moeder en dat verzocht wordt de inhoud van de vaststellingsovereenkomst in een beschikking te bekrachtigen. Van de zijde van de moeder is geen reactie binnengekomen. De rechtbank heeft het verzoek van de Centrale Autoriteit tot bekrachtiging van de vaststellingsovereenkomst afgewezen en daartoe overwogen dat er tussen partijen geen overeenstemming bestaat over opname in de beschikking van de getroffen onderlinge regelingen.

De Centrale Autoriteit heeft in het onderhavige verzoekschrift het verzoek uit het initiële verzoekschrift herhaald.

De vraag is thans, zoals dit ook ter terechtzitting aan de orde is geweest, hoe het onderhavige verzoekschrift moet worden geduid.

De rechtbank stelt voorop dat mediation wordt ingezet als middel om tot een minnelijke regeling te komen hangende de procedure. De gang van zaken hierbij is dat als de mediation niet leidt tot een vaststellingsovereenkomst de procedure wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond bij aanvang van de mediation. Indien de mediation wel leidt tot een vaststellingsovereenkomst kan deze vaststellingsovereenkomst in beginsel op verzoek van beide partijen worden opgenomen in de beschikking. Indien er gebreken in de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zijn opgetreden, kan er ontbinding van die overeenkomst worden gevorderd. Ook is het mogelijk nakoming en een executoriale titel te vragen. In deze zaak is er nog steeds sprake van een rechtsgeldig tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst waarbij beide ouders overeen zijn gekomen dat de woonplaats van de minderjarige de United States, Texas, is.

De Centrale Autoriteit heeft er in dit geval voor gekozen het verzoek tot teruggeleiding te herhalen. Nu vaststaat dat de mediation niet heeft geleid tot een beschikking waarin de vaststellingsovereenkomst is opgenomen en er bovendien wel discussie is ontstaan over de rechtsgeldigheid van die vaststellingsovereenkomst, is het naar het oordeel van de rechtbank in de geest van het Haagse Verdrag om dit herhaalde verzoek niet als een nieuw verzoek te beschouwen maar als een voorzetting van het initiële verzoek. Nu het initiële verzoek is ingediend op 21 april 2011 brengt dit mee dat het verzoek is ingediend binnen de hierboven genoemde termijn van één jaar.

Gelet hierop dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Haagse Verdrag.

Weigeringsgronden ex artikel 13 van het Haagse Verdrag

De advocaat van de moeder heeft expliciet gesteld dat er geen beroep gedaan wordt op een van de in artikel 13 van het Haagse Verdrag genoemde weigeringsgronden.

De moeder heeft echter ter terechtzitting gesteld dat zij niet terug kan naar de Verenigde Staten, omdat de vader er voor zal zorgen dat ze in de gevangenis terechtkomt. Zij heeft voorts gesteld dat de vader inwoont bij een vriend die drugs in zijn bezit heeft en dat de overburen van de vader geregistreerde pedofielen zijn.

Voor zover de rechtbank de stellingen van de moeder moet opvatten als een beroep op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Haagse Verdrag (de rechter van de aangezochte Staat is niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht) is de rechtbank van oordeel dat de moeder, nu zij haar stellingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd en ook niet gebleken is dat er in de Verenigde Staten een strafrechtelijk onderzoek naar de moeder loopt, het bestaan van deze weigeringsgrond niet heeft aangetoond.

De rechtbank heeft de minderjarige op 21 september 2011 in raadkamer gehoord. De minderjarige heeft te kennen gegeven dat zij graag in Nederland wil blijven. De rechtbank vat de enkele wens van de minderjarige, nog los van de vraag of de minderjarige een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden, niet op als verzet van de minderjarige tegen haar terugkeer als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag.

Nu er geen sprake is van een van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en 13 lid 2 van het Haagse Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a van het Haagse Verdrag dient de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen.

De rechtbank acht het wenselijk dat de minderjarige een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten. De rechtbank zal daarom de terugkeer gelasten op 25 november 2011 en, indien de moeder niet zelf met de minderjarige terugkeert, de afgifte van de minderjarige aan de vader bevelen, opdat de vader de minderjarige mee terug kan nemen naar de Verenigde Staten.

Op grond van artikel 13, lid 5, van de Uitvoeringswet is de onderhavige beslissing van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

Nu op grond van artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet artikel 813, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is op de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding, zal de rechtbank het verzoek van de Centrale Autoriteit om de hulp van de sterke arm te mogen inroepen bij de tenuitvoerlegging wegens gebrek aan belang afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Verenigde Staten van Amerika,

naar de Verenigde Staten uiterlijk op 25 november 2011, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar de Verenigde Staten en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar de Verenigde Staten, dat de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 25 november 2011, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar de Verenigde Staten;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Keltjens, J.M. Ghrib en B. Meijer, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2011.