Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BT8526

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
Awb 11/1806
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BY9253, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het te ver dat in alle gevallen van Reflexsyncope sprake is van een bewustzijnsstoornis die leidt tot ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig. Beroep gegrond en schorsing besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/1806

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

(…),

wonende te Almere, verzoeker,

gemachtigde: mr. T. Pothast,

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2011 heeft verweerder verzoekers rijbewijs voor alle categorieën (hierna: grootrijbewijs) ongeldig verklaard. Op 15 april 2011 heeft verzoeker tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt en heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd verweerders besluit van 12 april 2011 te schorsen en verzoeker de beschikking te geven over zijn grootrijbewijs. Bij uitspraak van 11 mei 2011 is dat verzoek afgewezen.

Bij beslissing van 16 augustus 2011 heeft verweerder verzoekers bezwaar tegen het besluit van 12 april 2011 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft daartegen op 2 september 2011 beroep ingesteld. Op 2 september 2011 heeft verzoeker voorts de voorzieningenrechter verzocht verweerders beslissing van 16 augustus 2011 te schorsen en verzoeker de beschikking te geven over zijn grootrijbewijs. Dit verzoek is ter zitting van 3 oktober 2011 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1.Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Verzoeker stelt een spoedeisend belang te hebben bij het weer kunnen beschikken over zijn grootrijbewijs, omdat de magazijnwerkzaamheden die hij sedert de invordering daarvan bij zijn werkgever heeft mogen verrichten per 1 september 2011 zijn beëindigd. Omdat andere alternatieven bij verzoekers werkgever ontbreken, is de kans aanzienlijk dat hij zijn baan verliest. De voorzieningenrechter is van oordeel, dat verzoeker een spoedeisend belang niet kan worden ontzegd.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. De voorzieningenrechter zal dan ook onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het onderhavige geschil uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is op 24 december 2010 tijdens het laden en lossen van zijn vrachtwagen onwel geworden, naar aanleiding waarvan zijn grootrijbewijs is ingevorderd.

Verweerder heeft verzoeker bij besluit van 4 januari 2011 een onderzoek opgelegd naar zijn geschiktheid om motorrijtuigen te besturen, omdat verzoeker zou voldoen aan de volgende criteria van artikel 131 Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) en artikel 6, derde lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (Regeling):

-Lichamelijke geschiktheid: a. bewusteloosheid of stoornis in het bewustzijn;

-Geestelijke geschiktheid: f. abnormale opwindingstoestanden.

Verzoekers grootrijbewijs is bij dat besluit geschorst, omdat verzoeker zou voldoen aan de criteria van artikel 131 WVW1994 en de artikelen 5 en 7 van de Regeling:

-c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige.

Verzoeker heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen ingesteld.

Verzoeker is op 7 februari 2011 onderzocht door dr. E.M.H. van den Doel, neuroloog te Baarn. Dr. Van den Doel heeft bij zijn onderzoek kunnen beschikken over brieven van de behandelende sector. Uit die informatie heeft hij het volgende opgemaakt:

-dr. W. Wieling, internist bij het AMC:

•voorgeschiedenis: 4 wegrakingen bij een blanco medische voorgeschiedenis: in 1980 (in Duitsland; had toen niet ontbeten), in 2005 (in de tuin; gepaard met schokkende armen en benen; neurologische en cardiale evaluatie brachten geen verklaring), twee jaar geleden (in Duitsland; weer niet gegeten; uitvoerig neurologisch en cardiologisch onderzocht, met onderzoek bij de Stichting Epilepsie Instelling Nederland, waar werd geconcludeerd dat weer sprake was van een collaps) en op 24 december 2010;

•conclusie: geen aanwijzingen voor een cardiale of neurologische oorzaak; er is sprake van Reflexsyncope uitgelokt door een combinatie van vasten en inspanning.

-Afdeling cardiologie van het AMC:

•conclusie: er is geen reden om aan een Cardiale syncopé te denken en de presentatie past ook niet bij Epilepsie.

Op 11 maart 2011 heeft dr. Van den Doel verslag gedaan van zijn bevindingen en het volgende geconcludeerd: “Dit lijkt, alles overziende, de juiste conclusie. De vraag is wat dit voor praktische consequenties heeft. Betrokkene moet in staat worden geacht de aanvallen te vermijden. Anderzijds is hij hier op 24 december niet in geslaagd, ondanks het feit dat hij twee jaar geleden a) in een ziekenhuis opgenomen is geweest en b) toen reeds het advies heeft gekregen op tijd te eten, waar hij zich niet aan heeft gehouden. Dit laatste is echter een praktisch/juridisch probleem. Op neurologisch gebied zijn er geen redenen betrokkene beperkingen in het rijden op te leggen.

Volgens de regeling eisen (rij) geschiktheid valt betrokkene onder paragraaf 7.3. De regeling kent namelijk slechts 3 soorten bewustzijnsdaling: ten gevolge van Epilepsie, Obstructief slaapsyndroom en Narcolepsie en Idiopathische hypersomnolentie. Van deze drie diagnosen is bij betrokkene geen sprake. Volgens de regeling dient hij bij de diagnose “reflexsyncope door een combinatie van voedseltekort en inspanning” een jaar aanvalsvrij te zijn alvorens hij weer mag gaan autorijden. Gezien het feit dat de aanvallen betrokkene uitsluitend overkomen in de arbeidssituatie lijkt een herhaling wanneer hij niet rijdt onwaarschijnlijk. In feite zou derhalve direct tot hervatten van het rijden kunnen worden overgegaan. Echter, de wet is de wet en strikt toegepast mag hij een jaar niet rijden.”

Verweerder heeft op basis van het onderzoek van dr. Van den Doel vastgesteld, dat verzoeker wegens de diagnose Reflexsyncope niet voldoet aan de eisen die worden gesteld aan houders van een rijbewijs.

3.Verzoeker kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Verzoeker wijst daartoe op hetgeen in de uitspraak d.d. 11 mei 2011 van de voorzieningenrechter is gesteld ten aanzien van de innerlijke tegenstrijdigheid van het advies van dr. Van den Doel, die enerzijds vaststelt dat sprake is van een Reflexsyncope, dat dit een neurologische aandoening is, terwijl hij anderzijds geen neurologische aandoening vaststelt. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder daarover navraag heeft gedaan bij dr. Van den Doel. Aldus heeft verweerder zelfstandig als niet medisch specialist de conclusie getrokken dat verzoekers wegraking een Reflexsyncope is en dat deze als neurologische aandoening onder paragraaf 7.3 van de Regeling valt. Het bestreden besluit is dan ook ondeugdelijk gemotiveerd. Dr. Wieling betrekt in zijn advies het advies van de Gezondheidsraad van 2010. Hieruit volgt, dat verzoeker thans rijgeschikt zou zijn verklaard voor alle categorieën zonder beperking. Gelet op het advies van de Gezondheidsraad is paragraaf 7.3 van de bijlage bij de Regeling in strijd met artikel 14 EVRM, artikel 26 IVBPR en het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel. De Regeling leidt tot ongelijkheid en maakt ten onrechte onderscheid tussen groepen bestuurders, waarvoor geen redelijke of objectieve gronden bestaan (ABRS d.d. 27 januari 2010 200905667/1/H3). De Regeling moet dan ook onverbindend worden verklaard.

Verweerder brengt daar tegen in, dat ingevolge de jurisprudentie (LJN: AY5912) van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) geldt dat het bij bewustzijnstoornissen in de zin van paragraaf 7.3 van de regeling gaat om neurologische aandoeningen en niet om bewustzijnsstoornissen die een geheel externe oorzaak hebben. Een Reflexsyncope is een neurologische aandoening in de zin van die paragraaf. Dit volgt ook uit het advies van de Gezondheidsraad uit 1994. Daarin is expliciet bedoeld om een Syncopé onder de paragraaf te brengen. Verweerder wijst op het gestelde in de beschikbare medische gegevens van dr. Wieling en Van den Doel, die beiden op basis van hun medisch oordeel hebben geconcludeerd, dat verzoekers wegrakingen onder paragraaf 7.3 van de Regeling vallen. Niet verweerder, maar de medisch deskundigen hebben gesteld dat bij verzoeker sprake is van Reflexsyncope. Verweerder verwerpt de conclusie dat het advies van dr. Van den Doel innerlijk tegenstrijdig is. Verweerder stelt, dat het ontbreken van een neurologische oorzaak nog niet impliceert dat er geen neurologische aandoening is. Een aandoening betreft in de visie van verweerder: een ziekelijke aantasting of verandering van het lichaam of een van zijn delen. Bij verzoeker is daarvan sprake, zij het dat deze aandoening tijdens het onderzoek niet waarneembaar was, omdat geen sprake was van de onderliggende neurologische oorzaak als uitlokkende factor. Zowel dr. Wieling als dr. Van den Doel concluderen dat bij verzoeker sprake is van Reflexsyncope met aanwijsbare triggers en niet dat daarvan sprake zou kunnen zijn. Dat de diagnose “Reflexsyncope door een combinatie van voedseltekort en inspanning” niet als zodanig in de Regeling is opgenomen, betekent volgens verweerder niet dat die diagnose niet onder de Regeling valt. De Regeling is om die reden ook algemeen geformuleerd. Verweerder acht het verder aan de regelgever om te beoordelen in hoeverre nieuwe inzichten in het advies van de Gezondheidsraad van 2010 nopen tot aanpassing van de Regeling. Op dit moment is nog niet duidelijk op welke wijze het advies door de regelgever wordt overgenomen. Thans gelden nog de dwingendrechtelijke voorschriften uit de huidige regeling, zodat verweerder niet de ruimte toekomt om daarvan af te wijken.

4.In dit geschil ligt dan ook de vraag voor of verweerders besluit van 16 augustus 2011, waarbij verweerder het besluit van 12 april 2011, waarin verzoekers grootrijbewijs voor alle categorieën ongeldig is verklaard, heeft gehandhaafd, in rechte in stand dient te worden gelaten.

De voorzieningenrechter oordeelt ten aanzien daarvan als volgt.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, van de WVW94 stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan betrokkene. (…). Ingevolge het tweede lid van dit artikel besluit het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Op grond van artikel 2 van de Regeling worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In hoofdstuk 7 van de bijlage bij de Regeling worden de eisen van geschiktheid voor het onderwerp “neurologie” geformuleerd. Ingevolge paragraaf 7.3 van de bijlage bij de Regeling zijn personen met bewustzijnsstoornissen – met uitzondering van Obstructief slaapapnoesyndroom, Narcolepsie en Idiopatische hypersomnolentie – voor alle rijbewijzen ongeschikt. De betrokkene kan geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 als deze minstens één jaar vrij is van bedoelde stoornissen. Deze personen zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2, behalve wanneer de bewustzijnsstoornissen de laatste vijf jaar zijn uitgebleven.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog, dat de Regeling in het onderhavige geval onverbindend moet worden geacht. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling kan aan gewijzigde medische inzichten van bijvoorbeeld de Gezondheidsraad eerst dan gewicht worden toegekend indien die inzichten door de regelgever zijn overgenomen en aangepast in de Regeling. Nu daarvan geen sprake is dient door verweerder te worden uitgegaan van de bestaande regeling. Voorts volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet in zijn betoog dat de Regeling leidt tot ongelijke behandeling van groepen bestuurders die niet wordt gerechtvaardigd door redelijke of objectieve gronden. Verzoeker beoogt hiermee aan te geven dat gezonde en niet-gezonde mensen met dezelfde wegraking in de huidige Regeling anders worden behandeld dan met een nieuwe regeling. Zoals reeds eerder overwogen dient evenwel te worden uitgegaan van de huidige regeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling op grond van de huidige regeling in gelijke gevallen leidt tot een ongelijke behandeling. Verzoekers stelling dat verweerders besluit in strijd is met artikel 14 EVRM, artikel 26 IVBPR en het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel wordt dan ook verworpen.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker wel in zijn betoog, dat verweerders besluit om verzoekers grootrijbewijs ongeldig te verklaren onvoldoende is gemotiveerd.

Bij Reflexsyncope gaat het om flauwvallen als gevolg van een plotselinge daling van de systemische bloeddruk. Veelgenoemde oorzaken daarvoor zijn pijn, emotie maar ook onvoldoende eten in combinatie met inspanning. Niet in geschil is dat verzoeker is geconfronteerd met een Reflexsyncope. Op grond van de stukken moet worden vastgesteld dat verweerder klaarblijkelijk in alle gevallen van een wegraking als gevolg van een Reflexsyncope aanneemt dat er sprake is van een bewustzijnsstoornis in de zin van paragraaf 7.3 van de bijlage bij de Regeling en (daardoor) ongeschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen en dat de specifieke omstandigheden van het geval daarbij niet van belang zijn. Immers, met betrekking tot de persoon van verzoeker schaart de door verweerder ingeschakelde deskundige Van den Doel zich onverkort achter verzoekers behandelend artsen met zijn oordeel dat er op neurologisch gebied geen redenen zijn om verzoeker beperkingen in het rijden op te leggen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het te ver, en volgt zulks ook niet met zoveel woorden uit paragraaf 7.3 van de bijlage bij de Regeling, dat in alle gevallen van Reflexsyncope sprake is van een bewustzijnsstoornis die leidt tot ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig. In die redenering moet zelfs iemand die eenmalig flauwvalt als gevolg van bijvoorbeeld heftige pijn of onvoldoende eten als ongeschikt voor het besturen van motorrijtuigen worden aangemerkt met alle gevolgen van dien (recidivevrije periode van vijf jaar voor het grootrijbewijs). Van verweerder had mogen worden verwacht dat hij naar aanleiding van het bezwaar dr. Van den Doel om een nadere toelichting had gevraagd op diens –bepaald niet eenduidige- advies. Een toelichting toegespitst op de persoon van verzoeker en de vraag of er in zíjn geval sprake is van een neurologische stoornis die hem ongeschikt maakt voor het besturen van een motorrijtuig. Nu dit niet is gebeurd is verweerders beslissing van 16 augustus 2011 onvoldoende onzorgvuldig voorbereid en ontbeert deze een voldoende daadkrachtige motivering. Die beslissing komt mitsdien voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep is daarom gegrond.

Hierin en gelet op het belang dat verzoeker bij zijn grootrijbewijs heeft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding, onder toepassing van artikel 8:72, vijfde lid van de Awb, tot schorsing van het besluit van 12 april 2011 tot zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar. Verweerder wordt opgedragen verzoekers grootrijbewijs binnen een week na dagtekening van deze uitspraak aan verzoeker terug te (doen) geven. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking, dat uit het onderzoek van dr. Van den Doel blijkt, dat het risico voor de verkeersveiligheid verwaarloosbaar klein is.

Verweerder wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeeld in de door verzoeker gemaakte proceskosten.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

-schorst het besluit van 12 april 2011 tot zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar en draagt verweerder op binnen een week na dagtekening van deze uitspraak het grootrijbewijs aan verzoeker terug te (doen) geven;

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af;

-bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage € 152,- vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de kosten van het geding ten bedrage van € 874, -.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzieningenrechter, en door hem en R.K. Witteveen als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open voor zover is beslist op het beroep. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.