Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BT8512

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-08-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
07.660064-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat er bij het onder 1 ten laste gelegde sprake is van voorwaardelijk opzet. De door de raadsvrouw aangevoerde HIV-arresten zien op de aanmerkelijke kans dat een gevolg intreedt. Bij deze arresten werd aan de statistische gegevens onvoldoende gewicht toegekend om te spreken van een aanmerkelijke kans. In onderhavige zaak is dit naar het oordeel van de rechtbank anders. Door te steken met een mes met een lemmet van 20 cm in de buurt van vitale organen was er een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door voornoemde gedraging zou overlijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.660064-11 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans verblijvende in de [Penitentiaire Inrichting]

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen ter openbare terechtzitting van 9 juni 2011 waarbij verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.I.B. Hoffman, advocaat te Almere, niet zijn verschenen. Het onderzoek ter terechtzitting is op voornoemde datum geschorst en opnieuw aangevangen op 21 juli 2011 waarbij verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.I.B. Hoffman, voornoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.S. Ludwig en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 maart 2011 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] meerdere malen, in ieder geval éénmaal met een mes, in ieder geval met een scherp steekvoorwerp in het (linker)been en/of de (linker)borst en/of de rug en/of de (linker)oksel en/of de (linker)arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 maart 2011 in de gemeente [gemeente] aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (zenuwletsel aan de (linker)arm), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere malen,in ieder geval éénmaal met een mes, in ieder geval met een scherp steekvoorwerp in het (linker)been en/of de (linker)borst en/of de rug en/of de (linker)oksel en/of de (linker)arm te steken;

2.

hij op of omstreeks 12 maart 2011 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] met een mes, in ieder geval met een scherp steekvoorwerp (ter hoogte van de wenkbrauw) in het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 maart 2011 in de gemeente [gemeente] aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (letsel aan/bij het (rechter)oog en/of het (rechter)ooglid en/of de (derde) hoofd- en/of hersenzenuw), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes, in ieder geval met een scherp steekvoorwerp (ter hoogte van de wenkbrauw) in het hoofd te steken;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 maart 2011 in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, in ieder geval met een scherp steekvoorwerp (ter hoogte van de wenkbrauw) in het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 12 maart 2011 in de gemeente [gemeente] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres] en/of in/voor de woning gelegen aan de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het meerdere malen, in ieder geval éénmaal (met kracht)

- vastpakken en/of slaan/stompen en/of duwen van / trekken aan en/of worstelen met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- slaan met en/of gooien van een fles op/tegen het (voor)hoofd van die [slachtoffer 3] en/of

- onder water (trachten te) duwen van die [slachtoffer 2].

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

Op 12 maart 2011 krijgen verbalisanten de melding te gaan naar de [adres] te [gemeente], omdat aldaar door meerdere personen zou worden gevochten. Al aanrijdend hoorden verbalisanten dat bij de vechtpartij een persoon twee maal in zijn buik was gestoken. De mogelijke verdachten waren weggerend. Tevens werd meegedeeld dat er één of meerdere personen in het water zouden liggen. Ter plaatse zagen verbalisanten diverse natte schoenafdrukken op de grond. Verbalisanten hebben het spoor van deze schoenafdrukken gevolgd en zagen twee mannen lopen van wie de kleding erg nat was. Inmiddels hadden verbalisanten gehoord dat de verdachte mogelijk gekleed was in een rode trui met een rode pet. Aangezien de beide mannen uit de richting kwamen van de plaats delict, zij beide natte kleding hadden en één van hen een rode trui droeg, zijn de mannen aangehouden. De mannen bleken verdachte en medeverdachte [medeverdachte] te zijn.

In de woning aan de [adres] te [gemeente] werd een verbalisant aangesproken door [slachtoffer 2]. Verbalisant zag dat het rechteroog van [slachtoffer 2] dicht zat en sterk gezwollen was. Boven de wenkbrauw liep een snee naar het ooglid van het rechteroog toe.

Een andere verbalisant trof [slachtoffer 1] aan. Hij zag dat [slachtoffer 1] twee steekwonden had aan de linkeroksel op de borstzijde en aan de linkerbovenarm op de rugzijde. Verbalisant is met de ambulance meegereden om druk op de wonden van [slachtoffer 1] te kunnen uitoefenen.

Op 13 maart 2011 heeft een sporenonderzoek plaatsgevonden. Een AT-duikteam heeft in de sloot tegenover [adres] te [gemeente] gedoken en daarbij in het water een mes aangetroffen. Het lemmet was niet voorzien van een heft, was groftandig gekarteld en had een afmeting van ongeveer 20 centimeter.

Bij het onderzoek naar het mes blijkt dit overeen te komen met de messen die op [adres] te [gemeente] in de vensterbank in de keuken stonden.

Gedurende het strafrechtelijk onderzoek hebben [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aangifte gedaan en zijn diverse getuigen gehoord.

Van [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn geneeskundige verklaringen opgenomen.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij heeft daartoe – zoals vervat in een schriftelijk requisitoir – kort weergegeven het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1:

Verdachte pakt een mes en steekt op [slachtoffer 1] in, terwijl deze op de keukentafel ligt. De vechtpartij verplaatst zich vervolgens naar buiten. [slachtoffer 1] glijdt buiten uit en verdachte springt op hem en hakt wederom op hem in, waarbij hij het mes met twee handen vast heeft. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij [slachtoffer 1] meerdere malen heeft gestoken.

Ten aanzien van feit 2:

Uiteindelijk wordt verdachte door [slachtoffer 2] van [slachtoffer 1] afgetrokken en belandt hij met [slachtoffer 2] in het water. Hier vecht verdachte met [slachtoffer 2] en probeert hem onder water te duwen. Vervolgens steekt verdachte met het mes in het hoofd c.q. oog van [slachtoffer 2]. Op 13 maart 2011 is het mes door duikers in het water gevonden. Het mes heeft hetzelfde opschrift als de andere messen in de woning van [slachtoffer 1]. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat dit het mes betrof waarmee hij op [slachtoffer 1] heeft ingestoken.

Ten aanzien van feit 3:

Op het moment dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] op het feest verschijnen, wordt de sfeer grimmig. Er ontstaat ruzie en zowel verdachte als de medeverdachte zijn betrokken bij een gevecht. [slachtoffer 3] krijgt een glas c.q. fles op zijn achterhoofd op het moment dat enkel verdachte en medeverdachte achter hem staan. Op het moment dat verdachte met [slachtoffer 2] in het water aan het vechten is springt de medeverdachte ook het water in. [slachtoffer 3] heeft gezien dat ook de medeverdachte betrokken was bij het gevecht met [slachtoffer 2] in het water. Hierna hebben verdachte en medeverdachte de plaats delict verlaten.

Het gevecht dat in de woning heeft plaatsgevonden past volgens de officier van justitie binnen de delictsomschrijving van openlijk geweld, omdat de verschillende gevechten binnen en buiten in elkaar overlopen en waarneembaar zijn voor derden via een raam in de woning.

Van zowel [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] zijn letselverklaringen dan wel medische gegevens opgenomen in het dossier.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – zoals vervat in de pleitnota – kort weergegeven het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1:

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 1] heeft gestoken met een mes. De aanleiding hiertoe bestond eruit dat verdachte door [slachtoffer 1] met een fles op zijn hoofd werd geslagen waardoor hij pijn had en bloedde. Verdachte heeft een mes gepakt om [slachtoffer 1] daarmee te bedreigen om zodoende te voorkomen dat [slachtoffer 1] hem opnieuw zou aanvallen. Verdachte werd echter een tweede keer met de fles op zijn hoofd geslagen. In een worsteling kwamen zij op de grond terecht, waarna verdachte in een reflex met het mes heeft gestoken. Verdachte heeft ontkend dat hij het mes met twee handen heeft vastgehad. De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van doodslag. Verdachte was geen moment van plan het mes te gebruiken om [slachtoffer 1] letsel toe te brengen of te doden. Hij heeft er veel spijt van dat hij [slachtoffer 1] letsel heeft toegebracht. De verdediging heeft gewezen op de HIV-arresten van de Hoge Raad, waarin strenge eisen worden gesteld aan het vaststellen van de, voor voorwaardelijk opzet vereiste, aanmerkelijke kans en de aanvaarding daarvan. Als er al sprake was van een aanmerkelijke kans, is deze kans door verdachte niet aanvaard, zodat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet. De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangegeven dat dit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte heeft stellig ontkend dat hij [slachtoffer 2] gestoken heeft met een mes. Niemand heeft waargenomen wie [slachtoffer 2] heeft gestoken, [slachtoffer 2] zelf ook niet. Er is geen bewijs dat dit feit door verdachte is gepleegd. De raadsvrouw heeft derhalve verzocht verdachte van het onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde vrij te spreken.

Ten aanzien van feit 3:

Verdachte is ten aanzien van [slachtoffer 3] nooit gehoord. Hij heeft ontkend [slachtoffer 3] met een fles op zijn hoofd te hebben geslagen. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op zijn achterhoofd is geslagen, maar hij heeft een wond aan de voorkant van zijn hoofd. [slachtoffer 3] heeft niet gezien wie hem heeft geslagen. Uit andere verklaringen is af te leiden dat verdachte niet achter, maar voor [slachtoffer 3] stond en dat het een grote chaos was, zodat niet te achterhalen is wie [slachtoffer 3] heeft geslagen. De verklaring van [slachtoffer 3] kan niet als bewijs worden gebruikt. De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het openlijk geweld tegen [slachtoffer 3] dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte met [slachtoffer 1] geworsteld heeft, maar dat ook poging doodslag ten aanzien van [slachtoffer 1] ten laste gelegd is, zodat het lijkt dat verdachte twee keer voor hetzelfde feit wordt berecht.

Ten aanzien van het openlijk geweld tegen [slachtoffer 2], zijnde het onder water trachten te duwen van [slachtoffer 2], heeft de raadsvrouw betoogd dat hoewel meerdere mensen dit verklaard zouden hebben, verdachte dit feit heeft ontkend. [slachtoffer 2] stond in het water achter verdachte, zodat hij [slachtoffer 2] niet onder water heeft kunnen duwen. De raadsvrouw heeft ook hiervoor vrijspraak bepleit.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Ten aanzien van feit 1:

[slachtoffer 1] heeft het volgende verklaard: [bijnaam] (verdachte) kwam met een mes op mij af. Ik wilde wegrennen, maar gleed uit. Ik zag dat hij op mij af dook. Ik lag op mijn rug en hij probeerde mij te steken. Hij had het mes in één hand vast. Ik weerde hem af. Hierop pakte hij het mes in twee handen en stak op mij in als in een horrorfilm. Hij heeft mij vier keer geraakt. Eén keer in mijn been, één keer vlak naast mijn hart, één keer in mijn linkerlong en één keer onder mijn oksel. Ik had een slagaderlijke bloeding. Ik ben in mijn long geraakt en bijna in mijn hart. De steek in mijn oksel kwam er aan de achterkant weer uit.

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat [slachtoffer 1] in shock op de spoedeisende hulp is binnengekomen en een levensreddende spoedoperatie heeft ondergaan. [slachtoffer 1] is slechts gedeeltelijk hersteld en kan langdurig zenuwletsel overhouden. Hij houdt littekens over aan de verwondingen. Verdachte wordt nog behandeld in verband met disfunctie van de linkerarm. In de linkerarm is sprake van krachtsvermindering en toenemende pijn bij geringe inspanning.

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij [slachtoffer 1] meermalen met een mes heeft gestoken.

Door de raadsvrouw is bepleit dat, hoewel verdachte heeft bekend [slachtoffer 1] met een mes te hebben gestoken, bij hem geen sprake was van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van doodslag.

De rechtbank is van oordeel dat niet gesteld kan worden dat verdachte de intentie had om [slachtoffer 1] van het leven te beroven, zodat de rechtbank zich voor de vraag gesteld ziet of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

Van voorwaardelijk opzet is sprake indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zou kunnen komen te overlijden door het handelen van verdachte.

Of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, dient beoordeeld te worden aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. De door de raadsvrouw aangevoerde HIV-arresten zien op de aanmerkelijke kans dat een gevolg intreedt. Bij deze arresten werd aan de statistische gegevens onvoldoende gewicht toegekend om te spreken van een aanmerkelijke kans. In onderhavige zaak is dit naar het oordeel van de rechtbank anders. Verdachte heeft [slachtoffer 1] met een mes met een lemmet van circa 20 cm meermalen in zijn lichaam gestoken, in of in de buurt van vitale organen, en [slachtoffer 1] is, zoals blijkt uit de geneeskundige verklaring in een shock op de spoedeisende hulpafdeling binnengebracht en heeft vervolgens een levensreddende spoedoperatie moeten ondergaan. Hieruit blijkt genoegzaam dat er sprake was van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] door de gedraging van verdachte zou komen te overlijden.

Verdachte heeft welbewust een mes gepakt op het moment dat [slachtoffer 1] al bij hem vandaan was. Vervolgens heeft hij [slachtoffer 1], met het mes in zijn hand, opgezocht. Hiermee heeft verdachte zelf de confrontatie opgezocht en heeft op [slachtoffer 1] ingestoken. Dit is een bewuste handeling geweest.

Gelet op de plaatsen waar verdachte gestoken heeft, namelijk het bovenlichaam van [slachtoffer 1], waar zich vitale organen bevinden, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] hierbij zou komen te overlijden. Dat dit gevolg (de dood) niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden die buiten de invloedsfeer van verdachte lagen. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

Gelet op hierboven overwogene is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigen bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit 2:

[slachtoffer 2] heeft het volgende verklaard: Ik zag dat [slachtoffer 1] aan de voorkant van de woning op de grond lag en dat de [bijnaam] (verdachte) op hem zat en op hem aan het inhakken was. Ik heb op dat moment geen mes gezien. Ik heb verdachte van [slachtoffer 1] afgeduwd waardoor wij in het water terecht kwamen. Toen ik in het water lag met verdachte, werd ik onder water geduwd en neergestoken. Pas hierna kwam de medeverdachte het water in. Het kan niet dat een ander mij gestoken heeft, omdat ik op het moment dat ik gestoken werd alleen met verdachte in het water lag. Ik werd op de kant geholpen en wilde het mes eruit hebben. Dat lukte in eerste instantie niet. Ik moest met twee handen en met veel kracht het mes uit mijn oog trekken. Toen ik later in de woning kwam zag ik dat er een mes uit het messenblok in de vensterbank ontbrak.

De politie heeft [slachtoffer 2] het mes getoond dat is opgedoken. [slachtoffer 2] heeft hierop verklaard dat dit het mes betrof waarmee hij gestoken was. [slachtoffer 2] voelde de kartelrand van het mes in zijn hoofd zitten. Toen hij het mes eruit haalde voelde hij de kartels eruit komen.

Verder heeft [slachtoffer 2] verklaard: Ik kan mijn oog helemaal niet gebruiken. Het deel boven mijn oog voelt verdoofd aan. Mijn spieren en zenuwen werken niet meer waardoor ik mijn oog niet open kan doen. Ik ben nog steeds onder behandeling bij een oogarts. Mijn oog zelf is niet beschadigd. Het gedeelte om en naast mijn oog is zwaar beschadigd. Het is nu nog onbekend of mijn zenuwen en spieren zullen herstellen. Het mes is over mijn oogkas en over mijn voorholte gegaan en vervolgens achter mijn neusholte er in gegaan.

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat bij [slachtoffer 2] sprake lijkt te zijn van een beschadigde zenuw of spier waardoor het rechterooglid niet meer geopend kan worden. Het is niet te zeggen of volledig herstel van het ooglid te verwachten is. Het is mogelijk dat de ‘verlamming’ van het ooglid blijvend is. Er is sprake van een blijvend litteken boven het rechteroog.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat het opgedoken mes, het mes is dat hij uit het messenblok heeft gepakt .

Op het moment dat [slachtoffer 2] verdachte van [slachtoffer 1] afhaalde, was verdachte [slachtoffer 1] met het mes aan het steken en had hij zodoende het mes nog in zijn hand. Gelet op het feit dat het mes, waarvan verdachte heeft verklaard dat dat het mes was waarmee hij [slachtoffer 1] had gestoken, in het water is teruggevonden en de verklaring van [slachtoffer 2] zelf dat hij een mes uit zijn oog heeft gehaald nadat hij met verdachte in het water was beland en in het water een worsteling plaatsvond, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het mes nog in zijn handen had toen hij met [slachtoffer 2] in het water belandde. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt tevens dat op het moment dat hij pijn in zijn oog voelde en daar het, naar later blijkt, mes uittrok, hij zich enkel met verdachte in het water bevond. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte met het mes ter hoogte van de wenkbrauw in het hoofd van [slachtoffer 2] heeft gestoken.

De rechtbank is van oordeel dat door te steken met een mes ter hoogte van de wenkbrauw, zoals verdachte heeft gedaan, de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 2] dodelijk getroffen zou worden, zeker gelet op de kwetsbare plek bij het oog, omdat zich direct hierachter de hersenen bevinden.

Gelet op het hierboven overwogene is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigen bewezen kan worden.

Ten aan zien van feit 3:

De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen voldaan is aan het bestanddeel ‘openlijk’.

Van openlijkheid is sprake als het geweld voor het publiek of iemand in het publiek waarneembaar is. Het hoeft geen openbare plaats te betreffen, maar kan ook vanachter een venster aan de openbare weg zichtbaar zijn geweest.

Uit de foto’s die zich in het dossier bevinden (pagina’s 239 en 241) blijkt dat de woonkamer van de woning aan de [adres] zich aan de straatzijde bevindt en dat de ramen van de woonkamer zijn geblindeerd middels lakens, zodat niet gezegd kan worden dat wat zich in de woning afspeelde, openlijk was. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt doordat getuige [getuige], die tegenover [adres] woont, niets heeft verklaard over geweld dat zich in de woning heeft afgespeeld.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier blijkt dat de in de tenlastelegging onder het eerste en tweede gedachtestreepje genoemde gedragingen, zich in de woning hebben afgespeeld, zodat deze onderdelen van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Met betrekking tot het onder het derde gedachtestreepje ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat ook deze gedraging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij met verdachte in het water is beland en dat verdachte hem onder water drukte en hem heeft neergestoken. Pas hierna is de medeverdachte het water ingekomen om [slachtoffer 2] en de verdachte uit elkaar te halen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat het onder water duwen van [slachtoffer 2] in vereniging heeft plaatsgevonden, omdat de medeverdachte geen voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dit geweld.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 12 maart 2011 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] meerdere malen met een mes in het (linker)been en de (linker)borst en de (linker)oksel heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 12 maart 2011 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] met een mes ter hoogte van de wenkbrauw in het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Van het onder 1 primair en 2 primair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair en 2 primair, telkens:

Poging tot doodslag.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Hiertoe heeft de officier van justitie het navolgende aangevoerd.

Er is geen noemenswaardige aanleiding geweest voor het gevecht. Verdachte heeft op [slachtoffer 1] ingeslagen en heeft bewust uit het messenblok een mes gehaald. Dit grenst aan voorbedachte raad. Verdachte heeft op ‘horrorachtige wijze’ met twee handen op het lijf van [slachtoffer 1] ingestoken. [slachtoffer 1] is ontglipt en uitgegleden. Verdachte is wederom op, de zich in een kwetsbare positie bevindende, [slachtoffer 1] gesprongen en heeft op hem ingestoken. Ook hierin zit weer een aspect van voorbedachte raad. [slachtoffer 1] heeft een levensreddende operatie ondergaan, maar zal mogelijk de rest van zijn leven gehandicapt blijven.

Ook [slachtoffer 2] is een volstrekt willekeurig slachtoffer. [slachtoffer 2] heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te redden en werd vervolgens door verdachte onder water geduwd en in zijn oog gestoken. [slachtoffer 2] heeft deze actie van verdachte door puur geluk overleefd. Door het steken met een dergelijk mes in iemands hoofd bestaat de kans dat die persoon dat met de dood moet bekopen, omdat zich achter het oog de hersenen bevinden. Ook met [slachtoffer 3] had het slechter af kunnen lopen.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf verzocht het advies van de reclassering over te nemen en verdachte te veroordelen tot een werkstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een drugs- of alcoholverbod en zodoende de eis van de officier van justitie te matigen.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Verdachte heeft bewust het risico aanvaard dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, zou kunnen ontnemen. Hij heeft, omdat hij boos was, een mes gepakt en is vervolgens achter [slachtoffer 1] aan gegaan. Hij heeft [slachtoffer 1] meerdere malen met het mes in zijn lichaam gestoken, waarbij hij [slachtoffer 1] in zijn longen, vlakbij zijn hart en in de linkerschouder heeft geraakt, waardoor [slachtoffer 1] mogelijk de rest van zijn leven zijn arm niet goed meer kan gebruiken. Het is niet aan verdachte te danken geweest dat [slachtoffer 1] het gebeuren heeft overleefd. Vervolgens heeft verdachte, toen [slachtoffer 2] hem van [slachtoffer 1] aftrok om [slachtoffer 1] te redden, [slachtoffer 2] met een mes op een zeer fragiele plaats van het lichaam gestoken, te weten het hoofd ter hoogte van de wenkbrauw. Door het handelen van verdachte is de rechtsorde ernstig geschokt.

De rechtbank heeft in strafverlagende zin rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 16 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden niet ter zake van geweldsmisdrijven met politie en justitie in aanraking is geweest.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met een zich in het dossier bevindend reclasseringsadvies d.d. 19 juli 2011 opgemaakt door M. van Norde en A. van de Boer, respectievelijk reclasseringswerker en leidinggevende van Reclassering Nederland. De reclassering schat de kans op recidive als hoog gemiddeld in. Het delictgedrag wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door impulsief, agressief en intuïtief handelen.

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de hierna te melden straf passend en geboden is.

9 BESLAG

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen mes wordt onttrokken aan het verkeer.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich onthouden van een standpunt omtrent het beslag.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 18 juli 2011 vermelde voorwerp (te weten één mes, lemmet, ongeveer 20 cm zonder heft) dient te worden verbeurd verklaard, aangezien het strafbare feit met behulp van dit voorwerp is begaan en het geen voorwerp betreft dat van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 3 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Beslag

- verklaart verbeurd het op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 18 juli 2011 onder 1 vermeld voorwerp, te weten één mes, lemmet, ongeveer 20 cm zonder heft.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.I. van der Kris, voorzitter, mrs. L.P. de Haas en R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2011.

Mrs. L.P. de Haas en R.M. van Vuure zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.