Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BT2665

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
553664 ER 11-44
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel Overig. Combinatie van verzoek tot kosteloze vereffening en van verzoek tot opheffing van de vereffening toelaatbaar geacht. Erfgenamen voorts ontslagen uit de lichte wettelijke vereffeningsplichten omdat inzicht ontbreekt dat inspanningen ter zake zinvol zullen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknummer. : 553664 ER 11-44

datum : 11 juli 2011

BESCHIKKING OP EEN VERZOEK INZAKE OPHEFFING VAN VEREFFENING VOLGENS DE WET

ingediend door:

mw. mr. [O], verbonden aan [X] Notarissen te [vestigingsplaats], die handelt namens:

1. [verzoekende partij 1], en

2. [verzoekende partij 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers,

die handelen als wettelijke vertegenwoordigers van:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [datum],

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [datum],

beiden wonen te [woonplaats],

welke minderjarige kinderen erfgenamen/vereffenaars zijn van de nalatenschap van:

[erflater], geboren te [geboorteplaats] op [datum] en overleden in de gemeente [gemeente] op [datum], laatst gewoond hebbende te [woonplaats].

De procedure

Op 27 april 2011 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift, waarin wordt verzocht om opheffing van de wettelijke vereffening van de nalatenschap als bedoeld in art. 4:209 BW.

Nu de kantonrechter zich voldoende geïnformeerd acht, is afgezien van een mondelinge behandeling.

De beoordeling

1.

De minderjarige kinderen zijn, door de verwerping van de nalatenschap door hun moeder (verzoekster sub 1) en grootmoeder (zuster van erflater), door middel van plaatsvervulling als erfgenamen opgekomen. De minderjarigen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard nadat het verzoek om machtiging tot verwerping van de nalatenschap door de kantonrechter te Utrecht is afgewezen. Alle overige erfgenamen hebben de nalatenschap (al dan niet na machtiging van de kantonrechter) verworpen.

2.

Ingevolge de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap door de erfgenamen zijn volgens artikel 4:202 lid 1 sub a BW de voorschriften inzake de wettelijke vereffening van toepassing.

3.

Verzoekers verzoeken om opheffing van de vereffening én om een kosteloze vereffening te bevelen. Strikt genomen laat de wettekst dit niet toe. Artikel 4:209 lid 1 BW bepaalt immers dat ‘hetzij’ de kosteloze vereffening, ‘hetzij’ de opheffing van de vereffening kan worden bevolen. In het onderhavige geval verzoekt verzoeker beide.

3.1

In het algemeen gesproken acht de kantonrechter het ondanks de wettekst juist beide verzoeken door middel van één beschikking in te willigen.

Vaak is het namelijk zo dat nadat aan de zogeheten lichte vereffeningsverplichtingen is voldaan, de boedel negatief blijkt te zijn, waardoor er feitelijk weinig tot niets meer te vereffenen valt en de opheffing van de vereffening voor de hand ligt. Aan de nakoming van de lichte vereffeningsverplichtingen zijn geen griffierecht of publicatiekosten verbonden zodat er in de praktijk geen aanleiding bestaat al in een eerdere fase om de kosteloze vereffening te vragen. Voor het vervolgens in te dienen verzoek tot opheffing van de vereffening is echter griffierecht verschuldigd maar daartoe ontbreken veelal de middelen zodat naast de opheffing van de vereffening de kosteloze vereffening wordt verzocht.

Een redelijke en op de praktijk toegesneden wetstoepassing leidt ertoe dat zowel de kosteloze vereffening als de opheffing van de vereffening in één beschikking wordt bevolen. Het gevolg daarvan is dat aan de indiening van het verzoek tot opheffing geen griffierecht is verbonden en de vereffening een einde neemt.

4.

De (lichte) wettelijke vereffeningsverplichtingen zijn:

a. het opmaken en ter inzage leggen van een boedelbeschrijving;

b. het per brief oproepen van de hem/haar bekende schuldeisers van de nalatenschap;

c. het melden van eventuele onbekendheid met een adres aan de kantonrechter, en

d. het (voor zover mogelijk) voldoen van de vorderingen.

5.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan in dit geval niet van de vereffenaars worden gevraagd om aan de hiervoor onder 2.a tot en met d. genoemde verplichtingen te voldoen. Immers volgens het verzoek met bijlagen hadden twee van de drie zusters van erflater direct na het overlijden de intentie de nalatenschap te verwerpen en hebben zich daardoor niet gedragen als waren zij erfgenaam. Tevens is gebleken dat het voor erfgenamen of overige familieleden niet verstandig was om de woning van erflater te betreden (zonder bescherming) gezien de aanwezigheid van bacteriën en schimmels. De verhuurder heeft de woning ontruimd, waarbij de gehele administratie vernietigd is. De verhuurder heeft de ontruiming zelf bekostigd. Voor zover bekend leefde erflater van een uitkering en toeslagen. Uit niets is gebleken dat de nalatenschap positief is, waardoor het vermoeden bestaat dat de nalatenschap nihil zal zijn. Verdere inspanningen om aan de vereffeningsverplichtingen te voldoen zijn naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet zinvol. De kantonrechter ziet ook geen aanleiding om de vereffening te verzwaren als bedoeld in artikel 4:221 BW. De kantonrechter acht het redelijk om thans de opheffing van de vereffening te bevelen; eventuele de schuldeisers worden hiermee niet in hun belangen geschaad.

6.

De kantonrechter zal tevens bepalen dat de opheffing niet behoeft te worden gepubliceerd. De griffier zal zorgdragen voor inschrijving van deze beslissing in het boedelregister.

De beslissing

De kantonrechter:

- verstaat dat op de erfgenamen/vereffenaars niet de (zware vereffenings-) verplichtingen als omschreven in artikel 4:214 lid 1 en 5 en artikel 4:218 BW rusten;

- bepaalt dat het aan dit verzoek verbonden griffierecht ad € 71,00 ten laste van de Staat komt;

- beveelt de opheffing van de vereffening en bepaalt dat de opheffing niet hoeft te worden gepubliceerd.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 11 juli 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing kan, behoudens berusting, hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dagtekening van deze eindbeschikking door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het gerechtshof Leeuwarden (civiele griffie: postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden).