Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BS7501

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
Awb 11/883
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom, gelet op het subjectieve criterium, geen aanleiding bestaat om de gevraagde VOG te verlenen; herroeping primaire besluit en bepaling dat aangevraagde VOG wordt verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/883

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

(…),

wonende te Almere, eiser,

gemachtigde: G.A.M. van de Griendt, juridisch adviseur te Breda,

en

de Minister van Veiligheid en Justitie,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2010 heeft verweerder geweigerd om aan eiser een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) te verlenen ten behoeve van de functie van verpleegkundige bij het Flevoziekenhuis te Almere. Bij brief van 3 februari 2011 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 15 april 2011 beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 20 juli 2011 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. dos Santos.

Overwegingen

Eiser is van september 2002 tot en met augustus 2010 werkzaam geweest als verpleegkundige bij het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam. Eiser wil als specialistisch dialyse verpleegkundige in dienst treden bij het Flevoziekenhuis in Almere.

Verweerder heeft de afgifte van een VOG geweigerd, omdat in de justitiële documentatie met betrekking tot eiser een strafbaar feit is vermeld dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan de behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheden waarvoor de VOG wordt aangevraagd in de weg zal staan. Eiser is blijkens de justitiële documentatie op 27 november 2002 door het Gerechtshof in Arnhem veroordeeld tot twee weken jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, wegens overtreding van het bepaalde in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht (ontucht met een wilsonbekwame).

Eiser stelt zich op het standpunt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom een VOG ten behoeve van hem is geweigerd. Onvoldoende rekening is gehouden met de specifieke omstandigheden waaronder het strafbaar feit destijds gepleegd is. Bovendien heeft eiser inmiddels vele jaren zonder problemen als verpleegkundige gewerkt. Een VOG was hiervoor in september 2002, toen eiser een begin maakte met zijn werkzaamheden als verpleegkundige, nog niet vereist.

Ingevolge het bepaalde in artikel 29 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) geldt de beslissing omtrent de afgifte van een VOG als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 28 van de Wjsg bepaalt, voor zover hier van belang, dat een VOG een verklaring is van verweerder, dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon is ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Artikel 35, eerste lid, Wjsg bepaalt dat verweerder de afgifte van een VOG weigert, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

De rechtbank stelt voorop dat weigering van een VOG geen punitieve sanctie is, maar dat sprake is van een maatregel ter bescherming van de samenleving tegen een in de betrokken persoon gelegen toekomstig risico. Verweerder dient gelet op de artikelen 28 en 35 van de Wjsg te beoordelen wat het risico voor de samenleving is indien de betrokkene de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd verricht. Dit risico dient te worden afgewogen tegen het belang van betrokkene.

De zinsnede “indien herhaald”, in artikel 35, eerste lid, Wjsg dient, blijkens de parlementaire geschiedenis met betrekking tot deze bepaling, zo uitgelegd te worden dat moet worden bezien of het gepleegde feit op zichzelf, los van de persoon van de aanvrager, indien herhaald aan behoorlijke taakuitoefening verhindert. Dit, los van de persoon van de aanvrager staande, criterium wordt door verweerder aangeduid als het objectieve criterium. De beoordeling van de “overige omstandigheden van het geval”, als bedoeld in deze bepaling, wordt door verweerder aangeduid als het subjectieve criterium. De vraag of recidive waarschijnlijk is en het resocialisatiebelang kunnen blijkens de parlementaire geschiedenis met betrekking tot deze bepaling in dit kader een rol spelen.

Verweerder heeft, voor de beoordeling of een VOG al dan niet geweigerd dient te worden, de Beleidsregels VOG NR-RP & IVB 2010 (St.crt. 15 september 2010, nr. 14312), hierna te noemen de Beleidsregels, vastgesteld.

Blijkens paragraaf 3.2.3 van de Beleidsregels hanteert verweerder in het kader van de toetsing aan het objectieve criterium diverse screeningsprofielen. Blijkens paragraaf 3.2.4 van de Beleidsregels, voor zover hier van belang, hanteert verweerder in geval van een eenmalige veroordeling tot (on)voorwaardelijke jeugddetentie ter zake van een misdrijf tegen de zeden een terugkijktermijn van twintig jaren. Naar het oordeel van de rechtbank wordt aan het objectieve criterium voldaan. Het destijds gepleegde feit staat, indien dit zich zou herhalen, in de weg aan een behoorlijke uitoefening van de functie van verpleegkundige. De beroepsgronden die eiser in het kader van de toetsing aan dit criterium heeft aangevoerd hebben betrekking op eisers persoonlijke omstandigheden. Deze horen in het kader van de toets aan het subjectieve criterium aan de orde te komen.

Blijkens paragraaf 3.3.2 van de Beleidsregels voert verweerder voor wat betreft het subjectieve criterium, in geval van misdrijven tegen de zeden in combinatie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie, het volgende beleid:

Bij misdrijven tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels bestaat slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of wanneer op grond van de locatie een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie wordt aangenomen. De VOG kan enkel dan worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de Beleidsregels op zichzelf genomen niet kennelijk onredelijk is. Verweerder kan bij de beoordeling of de weigering evident disproportioneel is evenwel niet volstaan met de enkele verwijzing naar het strafbaar feit dat heeft plaatsgevonden. Uit de artikelen 28 en 35 van de Wsjg volgt immers dat het in de persoon van de aanvrager gelegen toekomstige risico voor de samenleving dient te worden vastgesteld, welk risico dient te worden afgewogen tegen het belang van de aanvrager. Bij de vaststelling van dit risico dient verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb, alle relevante feiten te betrekken. In dit verband kan gedacht worden aan de omstandigheden waaronder het strafbaar feit plaatsvond, de leeftijd van eiser ten tijde van het plegen van het strafbaar feit, het oordeel van de reclassering over het gevaar van recidive en relevante ontwikkelingen die zich nadien hebben voorgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom, gelet op het subjectieve criterium, geen aanleiding bestaat om de aangevraagde VOG te verlenen. Dat zedendelicten onrust veroorzaken in de maatschappij, zoals door verweerder is betoogd, staat los van de vraag of eisers omstandigheden al dan niet in de weg moeten staan aan verlening van een VOG. Weigering van een VOG dient immers niet als sanctie op ten gevolge van het misdrijf ontstane maatschappelijke onrust, maar dient ter beperking van het toekomstige risico voor de samenleving.

Uit de stukken die zich in het dossier bevinden blijkt dat eiser het op 5 mei 2001 begane misdrijf op zestienjarige leeftijd, onder invloed van alcohol, heeft gepleegd. Het slachtoffer was een vijftienjarige klasgenoot. Uit een op verzoek van de rechter-commissaris opgestelde rapportage van de klinisch-psycholoog en psychotherapeut drs. F. van Nunen d.d. 23 augustus 2001 blijkt dat de kans op recidive gering is. Uit een rapportage van de Jeugdreclassering d.d. 21 maart 2002 blijkt dat de kans op recidive zeer gering is. Voorts heeft eiser, blijkens een door hem overgelegd getuigschrift, van september 2002 tot aan zijn vertrek bij het Slotervaartziekenhuis, in augustus 2010, naar tevredenheid als verpleegkundige gewerkt. Onvoldoende gemotiveerd is waarom verweerder deze persoonlijke omstandigheden van onvoldoende gewicht acht.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het bestreden besluit, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet deugdelijk is gemotiveerd en dat verweerder de betrokken belangen, in strijd met het bepaalde in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb, niet op zorgvuldige wijze tegen elkaar heeft afgewogen. Weigering van een VOG is onder de gegeven omstandigheden onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen en is daarom in strijd met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, te bepalen dat het besluit in eerste aanleg wordt herroepen en om te bepalen dat de aangevraagde VOG wordt verleend. Voor zover nodig wijst de rechtbank verweerder daarbij op het bepaalde in artikel 8:80 van de Awb.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het beroep en 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 874,--, als kosten van verleende rechtsbijstand.

Eiser heeft voordat op het bezwaar was beslist verzocht om op voet van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb over te gaan tot vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte proceskosten. Aangezien het besluit in eerste aanleg wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die de andere partij in van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het bezwaar en 1 punt voor de behandeling ter zitting van de hoorcommissie, begroot op € 874,--, als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-hrroept het besluit in eerste aanleg en bepaalt dat de aanvraagde VOG wordt verleend;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in bezwaar en beroep, welke begroot worden op € 1748,--, te betalen aan eiser;

-gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van € 152,-- , vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, en door hem en mr. A. van der Weij als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag