Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR4808

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
07/663078-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis

Integrale niet-ontvankelijkheidsverklaring Openbaar Ministerie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/663078-10 (P)

Uitspraak: 1 juni 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren (geboorte plaats)

wonende aan (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2010, 20 januari 2011 en 19 mei 2011.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.P. Eujen, advocaat te Hoogeveen.

Als officier van justitie was aanwezig mr. M. Zwartjes.

TENLASTELEGGING

Verdachte is, overeenkomstig een wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 juli 2006, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 1 augustus 2006 te Steggerda, althans in de gemeente Weststellingwerf en/of in de gemeente Arnhem en/of elders in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer vals(e) of vevalst(e) werkgeversverklaring en/of arbeidsovereenkomst en/of salarisspecificaties(s) – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte deze werkgeversverklaring en/of arbeidsovereenkomst en/of salarisspecifiatie(s) (middels (naam bedrijf)) heeft overhandigd/verstrekt aan de (naam bank) (voor het verkrijgen van een (hogere) hypotheek) en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat telkens in strijd met de waarheid en/of onbevoegd

- op de werkgeversverklaring en/of de arbeidsovereenkomst en/of de salarisspecificatie(s) was aangegeven/ingevuld dat hij, verdachte, als werknemer bij (naam werkgever) (gevestigd aan het (adres)) in dienst zou zijn getreden sinds 1 april 2006 (op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) en/of (daarbij) ingevuld dat verdachte een bruto jaarsalaris van (ongeveer) 47.400 euro en/of een vakantietoeslag van (ongeveer) 3.792 euro en/of een vaste 13e maand van (ongeveer) 3.950 euro zou ontvangen (van (naam werkgever)), en/of

- de werkgeversverklaring en/of de arbeidsovereenkomst was/waren voorzien van een handtekening(stempel) welke moest doorgaan voor de handtekening van de heer (naam) en/of welke moest doorgaan als zijnde een handtekening(stempel) gezet door de heer (naame)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 6 april 2010 te Steenwijk, althans in de gemeente Steenwijkerwold en/of te Steggerda, althans in de gemeente Weststellingwerf, althans in Nederland (telkens) enig(e) geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van 41.656,61 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet althans (telkens) van die/dat geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt door de aanschaf van een of meer auto(‘s) en/of een woning en/of een of meer bo(o)t(en) en/of een of meer buitenboordmotor(en) en/of een of meer (andere) goed(eren)/dienst(en), terwijl hij (telkens) wist en/of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – (gedeeltelijk) afkomstig waren uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/onder b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/onder b Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 08 maart 2010 te Nijehaske, althans in de gemeente Skarsterlân, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1318 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

VOORVRAGEN

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft – overeenkomstig de inhoud van de door hem aan de rechtbank overgelegde pleitnota – bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij aangevoerd dat niet gebleken is dat er een concrete aanleiding is geweest voor (nader) onderzoek naar verdachte, althans van een redelijk vermoeden van schuld met betrekking tot enig strafbaar feit, zoals ten laste is gelegd, op grond waarvan (nader) onderzoek naar verdachte gerechtvaardigd was. Dit heeft te gelden voor alle ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in zijn vervolging.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Het oordeel van de rechtbank

1. De feiten

Uit het proces-verbaal ‘Algemeen relaas van onderzoek’ blijkt het volgende.

Op 21 maart 2008 werd in het kader van het project ‘ongebruikelijk bezit’ de aandacht op verdachte gevestigd. De concrete aanleiding is in het proces-verbaal als volgt beschreven.

“Op 21 maart 2008 werd in het kader van het project ‘ongebruikelijk bezit’ de aandacht gevestigd op (…) verdachte (…). Dit gebeurde naar aanleiding van een melding dat [verdachte] in het weekend regelmatig met drank op achter het stuur zou zitten en gebruik zou maken van een personenauto, (merk en type auto), voorzien van het kenteken: (XX-XX-XX). [Verdachte] zou antecedenten hebben op het gebied van de Opiumwet. In 2004 had hij een hennepkwekerij in zijn woning in Steggerda en in 2007 is hij aangehouden na het aantreffen van een hennepkwekerij in een woning aan (adres)

Vanaf augustus 2008 is de politie IJsselland begonnen met het verzamelen en veredelen van informatie met betrekking tot verdachte.

Op 1 juni 2009 is door de regiopolitie IJsselland de ‘Taskforce Finec’ gestart. Eén van de speerpunten van de Taskforce is onderzoek doen naar ongebruikelijk bezit.

De regiopolitie IJsselland heeft een convenant met – onder meer – de belastingdienst Rand-meren, dat strekt tot informatie-uitwisseling over (nog niet) verdachte personen. In juli 2009 heeft de belastingdienst Randmeren de inkomensgegevens van verdachte aan de regio¬politie IJsselland verstrekt. Eerder kon de regiopolitie IJsselland niet over deze inkomensgegevens beschikken, omdat verdachte toen viel onder het verzorgingsgebied van de belastingdienst Friesland, waarmee de regiopolitie IJsselland geen convenant had betreffende informatie-uitwisseling.

Uit de informatie van de belastingdienst Randmeren is gebleken dat verdachte een vloeren-bedrijf heeft en geen sprake is van andere (verifieerbare) inkomstenbronnen. De regiopolitie IJsselland heeft onderzocht welke omzet het vloerenbedrijf in 2006, 2007 en 2008 heeft gemaakt en welke bedragen verdachte voor privédoeleinden heeft opgenomen. Het proces-verbaal vermeldt:

2006: € 48.594,-- (omzet) / € 15.854,-- (privé)

2007: € 65.463,-- (omzet, exclusief BTW) / € 57.525,-- (privé)

2008: € 51.529,-- (omzet, exclusief BTW) / privéopname onbekend

De regiopolitie IJsselland heeft de omzet- en inkomensgegevens van verdachte vergeleken met informatie geregistreerd bij het Kadaster, waaruit is gebleken dat verdachte zijn in augustus 2006 voor € 236.000,-- gekochte woning in Steenwijk heeft gefinancierd met een hypothecaire geldlening van de (naam bank) ten bedrage van € 271.250,--. Omdat de regiopolitie IJsselland het niet erg waarschijnlijk achtte dat een bank op basis van de hiervoor omschreven omzet- en inkomensgegevens van verdachte dit bedrag zou hebben verstrekt, is volgens het proces-verbaal een redelijk vermoeden van schuld aan hypotheekfraude (valsheid in geschrifte en/of oplichting, zoals bedoeld in de artikelen 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht; het onder 1 ten laste gelegde) ontstaan.

Door de officier van justitie is vervolgens op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering het hypotheekdossier van verdachte bij de (naam bank) opgevraagd. Bestudering van het hypotheekdossier heeft opgeleverd dat verdachte ten behoeve van het verkrijgen van een (hogere) hypothecaire geldlening gebruik heeft gemaakt van een arbeidsovereenkomst, een werkgeversverklaring en salarisspecificaties, betreffende een in werkelijkheid niet bestaand dienstverband.

Op grond van de inkomensgegevens, financiële gegevens en overige gegevens is hierna het vermoeden ontstaan dat verdachte meer geld uitgeeft dan hij legaal ontvangt. Dat impliceert dat hij naast zijn legale inkomsten ook inkomsten uit een onbekende, vermoedelijk ‘criminele bron’ heeft, vermoedelijk door overtreding van de Opiumwet, aldus het proces-verbaal. In verband hiermee is verdachte ook aangemerkt als verdachte met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.

In het kader van het (nader) onderzoek naar de inkomsten, uitgaven en bezittingen van verdachte heeft op 8 maart 2010 een doorzoeking plaatsgevonden van een door verdachte gehuurde loods, gelegen aan (adres). In deze loods zijn plastic zakken met wiet aangetroffen. Sindsdien wordt verdachte (ook) verdacht van het onder 3 ten laste gelegde.

2. De beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat als verdachte (alleen) wordt aangemerkt: hij ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. De verdenking moet berusten op – voor het vermeende strafbare feit relevante – objectieve en concrete gegevens.

De melding

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat toen op 21 maart 2008 door een ‘melding’, zoals is aangeduid in het proces-verbaal, de aandacht op verdachte werd gevestigd, er geen sprake was van objectieve en concrete gegevens op grond waarvan een redelijk vermoeden van ‘ongebruikelijk bezit’ of schuld aan enig strafbaar feit, zoals ten laste gelegd, kon worden aangenomen. Niet alleen vermeldt het proces-verbaal niet door wie de melding is gedaan en wat de betrouwbaarheid daarvan is, bovendien biedt het enkele feit dat verdachte in het weekend regelmatig met drank op achter het stuur zou zitten geen aanleiding om te veronderstellen dat van ongebruikelijk bezit sprake is. Voor zover de (merk en type auto), voorzien van kenteken: (XX-XX-XX), als ongebruikelijk bezit is aangemerkt, overweegt de rechtbank dat de personenauto ten tijde van de melding al circa 8 jaren oud was (bouwjaar: 2000) en – zo blijkt uit het proces-verbaal, op 5 januari 2006 door verdachte is gekocht voor € 9.000,-- . Dit bezit acht de rechtbank niet ongebruikelijk, zeker niet gelet op het feit dat verdachte zelfstandig een inkomen verwerft met zijn vloerenbedrijf. Het enkele feit dat verdachte antecedenten heeft met betrekking tot de Opiumwet, maakt dit niet anders.

Verzameling omzet- en inkomensgegevens

De rechtbank stelt verder vast dat de politie IJsselland hierna, ondanks het ontbreken van een op objectieve en concrete gegevens gebaseerde verdenking, in 2008 is begonnen met het verzamelen en veredelen van informatie met betrekking tot verdachte. Gesteld noch op een andere manier is de rechtbank echter gebleken dat het onderzoek in 2008 feiten en omstandigheden heeft opgeleverd, die in dat jaar tot een redelijk vermoeden van schuld hebben geleid of hebben kunnen leiden.

Eerst in 2009 heeft de politie IJsselland het onderzoek met betrekking tot verdachte gericht voortgezet, op basis van de informatie, inmiddels verkregen van de belastingdienst Randmeren en de bij het Kadaster geregistreerde gegevens.

Ook de informatie van de belastingdienst Randmeren en het Kadaster heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten geboden voor een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, zoals ten laste gelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het proces-verbaal uitsluitend vermeldt dat het niet erg waarschijnlijk is dat een bank op basis van de omzet- en inkomensgegevens van verdachte in 2006, 2007 en 2008 een hypothecaire lening ten bedrage van € 271.250,-- zou verstrekken. Nu vast staat dat verdachte zijn woning in augustus 2006 heeft gekocht en de hypothecaire lening destijds al is verstrekt, kan niet worden ingezien hoe de omzet- en inkomensgegevens in 2006, 2007 en 2008 bij het bepalen van deze hypothecaire geldlening een rol (zouden) kunnen hebben gespeeld. Over de omzet- en inkomensgegevens in de jaren vóór 2006 bevat het proces-verbaal geen enkele informatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gebruikte informatie van de belastingdienst Randmeren en het Kadaster niet heeft kunnen bijdragen aan de vaststelling van een redelijk vermoeden van schuld, zoals bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering hypotheekdossier

De informatie van de belastingdienst Randmeren en het Kadaster zijn voor de officier van justitie aanleiding geweest om op 19 augustus 2009 het hypotheekdossier van verdachte te vorderen op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering. Omdat naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de toepassing van deze bevoegdheid geen sprake was van een op objectieve en concrete gegevens gebaseerde verdenking van verdachte, oordeelt de rechtbank dat deze bevoegdheid onrechtmatig is toegepast.

De rechtbank is tegen deze achtergrond van oordeel dat een redelijk vermoeden van schuld van verdachte aan enig strafbaar feit, zoals vermeld in de tenlastelegging, pas kan zijn ontstaan na bestudering van het hypotheekdossier van verdachte. Dit betekent dat de politie IJsselland gedurende ruim een jaar persoonsgericht onderzoek heeft gedaan, zonder dat verdachte was aan te merken als een verdachte, zoals bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Dit onderzoek kan niet gezien worden als het in het kader van de ‘Taskforce Finec’ – at random – uitwisselen van informatie tussen overheidsdiensten, maar is specifiek gericht geweest op verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank kwam de politie IJsselland deze bevoegdheid niet toe. Het is immers vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de politie in de fase voorafgaand aan die van opsporing zoals bedoeld in het Wetboek van Strafvordering (artikel 132a) geen inbreuk mag maken op fundamentele rechten van burgers zonder een (specifieke) wettelijke grondslag. De rechtbank is van oordeel dat aldus inbreuk is gemaakt op artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die dienen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, en artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Kortom, een verdenking van verdachte is op onrechtmatige gronden ontstaan.

3. Het rechtsgevolg

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering. Voor beantwoording van de vraag welk rechtsgevolg daaraan moet worden verbonden, heeft de rechtbank acht geslagen op de factoren die zijn genoemd in artikel 359a, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, namelijk het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

In dit kader heeft de rechtbank zwaar meegewogen de duur van het onderzoek zonder een objectieve en op concrete gegevens gebaseerde verdenking (meer dan een jaar) en het feit dat de politie IJsselland, ondanks het uitblijven van een dergelijke verdenking, een aantal onderzoeksstappen heeft gezet en verdergaande opsporingsmethoden en dwangmiddelen (het vorderen van het hypotheekdossier op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Straf-vordering) heeft toegepast. De belangen van verdachte zijn hierdoor ernstig geschaad, omdat het onderzoek heeft geleid tot een verdenking van verdachte, zijn aanhouding en vervolging.

Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op fundamentele strafprocesrechtelijke – geschreven en ongeschreven – beginselen en regels, dat niet kan worden volstaan met srafvermindering of bewijsuitsluiting. De rechtbank zal het openbaar ministerie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging op grond van artikel 359a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Vanwege de opvolgende gang van zaken, treft de niet-ontvankelijkheid naar het oordeel van de rechtbank alle ten laste gelegde feiten.

BESLAG

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder A (met uitzondering van het gripzakje met wit gekleurd poeder, op de lijst aangeduid met IBN-CODE A.06.01.02) en onder B op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

BESLISSING

De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte met betrekking tot het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

De rechtbank gelast de teruggave van de op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen aan verdachte, met uitzondering van een gripzakje met een wit gekleurd poeder aangeduid met IBN-CODE A.06.01.02.

Aldus gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mrs. M.A. Wijnands-Veninga en A.P.W. Esmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2011.

Mr. Van der Maden en Wijnands-Veninga, voornoemd, waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.