Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR4804

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
07/650042-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd; belediging;

- bewijs- en strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/650042-11 (P)

Uitspraak: 17 mei 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

(geboortedatum)

(adres)

thans verblijvende in (verblijfplaats)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2011

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. den Haan.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 3 mei 2011, dat:

1. hij op of omstreeks 25 januari 2011 te Zwolle (slachtoffer 1), zijnde medewerkers Service en Veiligheid, buitengewoon opsporingsambtenaar bij NS, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zich op korte afstand van voornoemde Van Nieuwspoort bevonden en/of (daarbij) deze een kopstoot gegeven en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik sla je helemaal kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. hij op of omstreeks 25 januari 2011 te Zwolle (slachtoffer 2) zijnde medewerker Service en Veiligheid, buitengewoon opsporingsambtenaar bij NS, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op korte afstand van die (slachtoffer 2) gaan staan en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Als je me aanraakt, dan maak ik je kapot, ik schop je helemaal in elkaar.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3. hij op of omstreeks 25 januari 2011 te Zwolle (slachtoffer 3), hoofdagent van het Korps Landelijke Politiediensten heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik maak je af, ik rop je kop van je lijf af." en/of "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4. hij op of één of meer tijdstippen op of omstreeks 25 januari 2011 te Zwolle meermalen, althans éénmaal opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten (slachtoffer 1) en/of (slachtoffer 2), beiden bijzonder opsporingsambtenaar in dienst van de Nederlandse spoorwegen en/of (slachtoffer 3) en/of (slachtoffer 4), respectievelijk hoofdagent en/of aspirant bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, meermalen, althans éénmaal in het openbaar in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankergek en/of kankeridioot en/of kankermongool en/of kankerlijer en/of vuile kankerjood", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging enkele kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn/haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft voor de veroordeling van verdachte voor deze feiten gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de (buitengewoon) opsporingsambtenaren niet handelden in of ter zake van de rechtmatige uitoefening hunner betrekking en verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde en dat zulks ook geldt voor de andere feiten aangezien verdachte slechts heeft gereageerd op het onrechtmatig handelen van de opsporingsambtenaren en er bij hen geen vrees kan zijn ontstaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen (die worden gebezigd ten aanzien van de feiten waarop ze blijkens hun inhoud betrekking hebben), het navolgende.

Vaststaande feiten.

Op dinsdag 25 januari 2011, omstreeks 19.00 uur, bevond verdachte zich – rokend – op een perron van het station Zwolle. Omdat op het station een rookverbod geldt, hebben de opsporingsambtenaren (slachtoffer 1) en (slachtoffer 2) verdachte verwezen naar een zogenaamde rookpaal. Verdachte is daarop bij de opsporingsambtenaren weggelopen. Vervolgens blijkt uit het dossier het volgende.

Verklaring (slachtoffer 1) van 26 januari 2011 .

Ik ben medewerker van Service & Veiligheid, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de Nederlandse spoorwegen.

De man liep echter naar de nieuwe trap en begon op ongeveer 10 meter afstand te schelden. Ik hoorde hem zeggen stelletje kankeridioten of woorden van gelijke strekking. Ik ben toen opnieuw naar de man gelopen en vroeg hem of hij in het bezit was van een geldig vervoersbewijs. Bij mij stond toen mijn collega Barrink. Hij antwoordde dat mij dit geen donder aanging en schold mij vervolgens uit voor “kankergek”. Ik vroeg hem nogmaals “wat zeg je tegen mij?” Ik hoorde hem nogmaals zeggen: “Jij bent een kankergek”. Ik voelde mij hierdoor beledigd. Vervolgens heb ik de veiligheidscentrale gebeld en om assistentie van de spoorwegpolitie gevraagd.

De man probeerde steeds weg te lopen, doch mijn collega’s en ik maakten een cirkel om hem heen zodat hij wel moest blijven staan. We werden meermalen door de man uitgescholden voor “kankergek, kankeridioten, kankermongool”. Ik hoorde en zag dat hij dichterbij kwam en vlak voor mij in mijn gezicht zei: “Ik sla je helemaal kapot”.

Nadat hij dit gezegd had, zei ik tegen hem dat hij achteruit moest gaan. Hij deed een stap naar achteren en maakte bewegingen of hij zijn jas uit wilde trekken, dit kwam op mij over alsof hij aanstalten maakte om met mij te gaan vechten. Hij maakte hierbij een opgefokte indruk. Ik voelde mij hierdoor bedreigd. Hij kwam dichter bij me en ging vlak voor mij staan met zijn gezicht op minder dan 10 centimeter van het mijne. Ik zei dat hij achteruit moest gaan, wat hij aanvankelijk ook deed. Direct daarop kwam hij weer naar voren en gaf mij een kopstoot op mijn voorhoofd tussen mijn ogen.

Verklaring (slachtoffer 2) van 25 januari 2011 .

Ik ben medewerker van Service & Veiligheid, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de Nederlandse spoorwegen.

Ik hoorde dat mijn collega (slachtoffer 1) hem (de rechtbank begrijpt: verdachte) sommeerde om zijn vervoersbewijs te laten zien. Op dat moment hoorde ik dat de man begon te schelden. Ik hoorde dat hij zei: “kankergek”, en nog meer scheldwoorden waar het woord “kanker” in voorkwam. Ik zag dat dit in eerste instantie tegen mijn collega (slachtoffer 1) gericht was. Op een gegeven moment zag ik dat de man mij aankeek en ook deze woorden tegen mij zei. Ik voelde mij hierdoor beledigd.

Ik zag en hoorde dat de man nog agressiever werd. Ik zag de man meermalen dicht voor ons kwam staan en met zijn vingers begon te wijzen en hard zei: “Raak me niet aan, want ik maak je helemaal kapot.” Ik hoorde dat de man telkens gericht tegen mij zei: “Als je me aanraakt dan maak ik je kapot, ik schop je helemaal in elkaar”. Ik voelde me zeer bedreigd en boos dat hij dit zei.

Vervolgens zag ik dat hij uit het niets een kopstoot wilde geven aan (slachtoffer 1). Ik zag dat hij de eerste keer miste, maar bij de tweede kopstoot (slachtoffer 1) tegen zijn voorhoofd raakte.

Verklaring van (slachtoffer 3) van 26 januari 2011 .

Ik ben als hoofdagent werkzaam bij de dienst Spoorwegpolitie van het Korps Landelijke Politiediensten.

Op 25 januari 2011 was ik samen met mijn collega (slachtoffer 4) in burger gekleed en met onopvallende surveillance belast op en rond het station Zwolle. Omstreeks 18.55 kregen wij een melding dat er op het station Zwolle een agressieve man bij medewerkers van Service & Veiligheid stond. Aangekomen op perron 3/5 van het station van Zwolle, zag ik dat (slachtoffer 1) een man in een houdgreep op de grond vast had. Ik zag dat deze man zeer wild bewoog en probeerde zichzelf te bevrijden. Ik hoorde dat hij schreeuwde “jullie moeten opkankeren en mij loslaten” of woorden van gelijke strekking .

Ik zag en hoorde dat de verdachte hard schreeuwde en de woorden “kankerjood, kankerlijer” riep. Hierop heb ik samen met collega (slachtoffer 4) de verdachte overgenomen en de handboeien aangelegd. Bij de overbrenging van de verdachte naar het bureau, hoorde ik dat de verdachte mij uitschold met de volgende teksten “kankerkop, kankerlijer, je moet van mij afblijven, ik maak je af, ik rop je kop van je lijf”. Ook riep hij de woorden “ik maak je dood vuile kankerjood, krijg jij de kanker maar!”

Op het moment dat de verdachte deze scheldtaal gebruikte, zag ik dat hij naar mij keek. Ik voelde me hierdoor aangesproken. Ik voelde mij in mijn goede naam en eer aangetast door deze mondelinge belediging. Ook voelde ik mij bedreigd door deze verdachte en denk dat hij zijn mondelinge bedreiging met de dood, daadwerkelijk tot stand had gebracht als hij de kans had gehad. Ik zag dat de verdachte mij recht in de ogen keek en een agressieve houding had.

De verklaring van (slachtoffer 4) van 27 januari 2011 .

Ik was tijdens mijn dienst als politieambtenaar en in burger gekleed bij een aanhouding door een BOA ambtenaar van NS reizigers. Ik heb samen met collega (slachtoffer 3) deze verdachte geboeid en overgenomen van de BOA ambtenaar. Onderweg naar het buro hoorde ik verdachte meermalen roepen “Kankerjood en kankerlijer”In het buro van de Spoorwegpolitie werd ik door deze verdachte ernstig beledigd. Ik hoorde de verdachte tegen mij zeggen”kankerjood, kankerlijer” Dit raakte mij diep omdat mijn vader joods is.

Een nadere verklaring van (slachtoffer 4) van 27 januari 2011 .

Ik ben aspirant bij de Spoorwegpolitie Zwolle, Korps Landelijke Politiediensten.

Gezien voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich strafbaar heeft gedragen op het station Zwolle. Het betoog van verdachte dat niet hij maar de opsporingsambtenaren de agressoren waren is niet aannemelijk geworden. Deswege komt de rechtbank tot de volgende beslissing.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1. hij op 25 januari 2011 te Zwolle (slachtoffer 1), medewerker Service en Veiligheid, buitengewoon opsporingsambtenaar bij de NS, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zich op korte afstand van voornoemde (slachtoffer 1) bevonden en deze een kopstoot gegeven en deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik sla je helemaal kapot".

2. hij op 25 januari 2011 te Zwolle (slachtoffer 2) medewerker Service en Veiligheid, buitengewoon opsporingsambtenaar bij de NS, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op korte afstand van die (slachtoffer 2) gaan staan en (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Als je me aanraakt, dan maak ik je kapot, ik schop je helemaal in elkaar."

3. hij op 25 januari 2011 te Zwolle (slachtoffer 3), hoofdagent van het Korps Landelijke Politiediensten, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik maak je af, ik rop je kop van je lijf af." en/of "Ik maak je dood".

4. hij op 25 januari 2011 te Zwolle opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten (slachtoffer 1) en/of (slachtoffer 2), beiden bijzonder opsporingsambtenaar in dienst van de Nederlandse spoorwegen en/of (slachtoffer 3) en/of (slachtoffer 4), respectievelijk hoofdagent en aspirant bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in het openbaar in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankergek en kankeridioot en kankermongool en kankerlijer en vuile kankerjood".

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Feit 1, 2 en 3.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht¸ meermalen gepleegd

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4.

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Strafbaar gesteld bij de artikelen 266 juncto 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert het/de genoemde strafbare feit/feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd:

- de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden (onder verwijzing naar de richtlijnen van het Openbaar Ministerie);

- de onttrekking aan het verkeer te bevelen van het inbeslaggenomen mes;

- toewijzing van de door de benadeelde partijen (slachtoffer 1), (slachtoffer 2) (slachtoffer 3) en (slachtoffer 4) ingediende vorderingen tot schadevergoeding, met tevens telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf niet de ter zake geldende richtlijnen van het openbaar ministerie doch de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt dient te nemen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De verdachte heeft zich op het station te Zwolle ten overstaan van vele omstanders schuldig gemaakt aan het beledigen en bedreigen van opsporingsambtenaren gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening door hen de woorden toe te voegen zoals bewezenverklaard.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met misdrijven gericht tegen het leven van (slachtoffer 1), (slachtoffer 2) en (slachtoffer 3). De geuite bedreigingen hebben bij hen gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

Het bezigen van de bewezenverklaarde beledigende woorden als scheldwoorden is kwetsend voor de eigenwaarde van mensen in het algemeen en in het bijzonder voor degenen, die als ambtenaar met de rechtmatige uitoefening van hun bediening bezig zijn.

De door verdachte gebruikte bedreigende en beledigende woorden geven blijk van minachting voor het gezag, waardoor dit aldus wordt aangetast. Van (buitengewone) opsporingsambtenaren wordt verwacht dat zij zich rechtmatig van hun taak (kunnen) kwijten. Zij hoeven zich niet, en al helemaal niet op strafrechtelijk te duiden wijze, te laten beschimpen en bedreigen, wanneer zij juist ten dienste van de burger hun taak vervullen.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 maart 2011 blijkt, dat verdachte vóór het plegen van de bewezen verklaarde feiten meermalen wegens het plegen van strafbare feiten, waaronder soortgelijke als zijn bewezen verklaard, tot geldboetes en deels voorwaardelijke straffen is veroordeeld. Desondanks heeft een en ander verdachte er niet van weerhouden de hiervoor bewezen verklaarde feiten te begaan.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat niet (meer) valt te ontkomen aan de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen mes dient te worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet is en het kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten als het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

Benadeelde partijen

Benadeelde partij (slachtoffer 1)

Voor aanvang van de terechtzitting heeft (slachtoffer 1) zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend ter hoogte € 276,-- wegens geleden immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat (slachtoffer 1) als gevolg van het onder 1 en 4 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 25 januari 2011 en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 276,-- vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 25 januari 2011, ten behoeve van (slachtoffer 1)

Benadeelde partij (slachtoffer 2)

Voor aanvang van de terechtzitting heeft (slachtoffer 2) zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend ter hoogte € 200,-- wegens geleden immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat (slachtoffer 2) als gevolg van het onder 2 en 4 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 25 januari 2011 en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 200,-- vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 25 januari 2011, ten behoeve van (slachtoffer 2).

Benadeelde partij (slachtoffer 3)

Voor aanvang van de terechtzitting heeft (slachtoffer 3) zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend ter hoogte € 400,-- wegens geleden immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat (slachtoffer 3) als gevolg van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert de gelden schade op € 276,--. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot € 276,-- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 25 januari 2011 en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 276,-- vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 25 januari 2011, ten behoeve van (slachtoffer 3).

Benadeelde partij (slachtoffer 4)

Voor aanvang van de terechtzitting heeft (slachtoffer 4) zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend ter hoogte € 400,-- wegens geleden immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot na te melden bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 4 bewezen verklaarde. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de schade tot een bedrag van € 138,-- billijk voor. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag in aanmerking genomen dat verdachte is veroordeeld ter zake van belediging, terwijl de vordering tevens zag op bedreiging van de benadeelde partij (slachtoffer 4) door verdachte. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 25 januari 2011 en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 138,-- vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 25 januari 2011, ten behoeve van (slachtoffer 4)

BESLISSING

Het 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Beslag

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer: een mes.

Schadevergoeding

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 1)

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde (slachtoffer 1), domicilie kiezende te Utrecht, van een bedrag van € 276,-- (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop de thans onder 1 en 4 bewezen verklaarde feiten jegens de benadeelde partij werden gepleegd, te weten 25 januari 2011, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 276,--, ten behoeve van het (slachtoffer 1), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 2)

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 2), domicilie kiezende te Utrecht, van een bedrag van € 200,-- (zegge: tweehonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop de thans onder 2 en 4 bewezen verklaarde feiten jegens de benadeelde partij werden gepleegd, te weten 25 januari 2011, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 200,--, ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 2), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 3)

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 3), (gemachtigde mr. E.H. Leemreis, Postbus 23509, 3001 KM Rotterdam), van een bedrag van € 276,-- (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop de thans onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten jegens de benadeelde partij werden gepleegd, te weten 25 januari 2011, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 276,--, ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer 3), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer 3) voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 4)

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 4)

(gemachtigde mr. E.H. Leemreis, Postbus 23509, 3001 KM Rotterdam), van een bedrag van € 138,-- (zegge: honderdachtendertig euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 4 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 25 januari 2011, tot die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 138,--, ten behoeve van het (slachtoffer 1), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer 4) voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. A.I. van der Kris, voorzitter, mrs. M.A.Wijnands-Veninga en

A.M. van der Pal, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2011.

Mrs. Van der Kris en Van der Pal voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.