Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR4752

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
07.661002-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de verdachte onder meer veroordeeld ter zake van poging tot doodslag. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het springen op het hoofd in zijn algemeenheid de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop met zich meebrengt, zeker gelet op de kwetsbare plek bij de slaap en de vitale structuren die zich in het hoofd bevinden. De rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte, door op het hoofd van het slachtoffer te springen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood van het slachtoffer het gevolg zou kunnen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.661002-11 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden achter gesloten deuren op 28 juni 2011 te Lelystad, waarbij verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer. Tevens zijn verschenen de ouders van de verdachte, mevrouw Hexpoor van Bureau Jeugdzorg, de benadeelde partij [BP2] en de benadeelde partij [BP1] met zijn ouders.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

L.H.J. Vijlbrief-Smit en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 januari 2011 te Dronten, (althans) in de gemeente Dronten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- onverhoeds die [slachtoffer1] tegen/op het gezicht/hoofd heeft gestompt/geslagen (waardoor die [slachtoffer1] zijn evenwicht verloor en op de grond terecht kwam) en/of

- tegen/op het/de be(e)n(en) en/of de nek, in ieder geval tegen/op het (gehele) lichaam van die [slachtoffer1] (met de hak van de schoen(en)) heeft getrapt/geschopt/gestampt (terwijl die [slachtoffer1] op de grond lag) en/of

- op het hoofd, in ieder geval op het lichaam van die [slachtoffer1] is gesprongen (terwijl die [slachtoffer1] op de grond lag) en/of

- (toen verdachte was weggelopen, wederom is teruggekeerd) en/of vervolgens die [slachtoffer1] in de rug heeft geschopt/getrapt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 januari 2011 te Dronten, (althans) in de gemeente Dronten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd

[slachtoffer1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal

- onverhoeds die [slachtoffer1] tegen/op het gezicht/hoofd heeft gestompt/geslagen (waardoor die [slachtoffer1] zijn evenwicht verloor en op de grond terecht kwam) en/of

- tegen/op het/de be(e)n(en) en/of de nek,in ieder geval tegen/op het (gehele) lichaam van die [slachtoffer1] (met de hak van de schoen(en)) heeft getrapt/geschopt/gestampt (terwijl die [slachtoffer1] op de grond lag) en/of

- op het hoofd, in ieder geval op het lichaam van die [slachtoffer1] is gesprongen (terwijl die [slachtoffer1] op de grond lag) en/of

- (toen verdachte was weggelopen, wederom is teruggekeerd) en/of vervolgens die [slachtoffer1] in de rug heeft geschopt/getrapt;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 08 januari 2011 te Dronten, (althans) in de gemeente Dronten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- onverhoeds die [slachtoffer2] tegen/op het gezicht/hoofd, in ieder geval tegen/op het lichaam heeft gestompt/geslagen (waardoor deze [slachtoffer2] ten val kwam) en/of

- (terwijl die [slachtoffer2] op de grond lag) die [slachtoffer2] op het hoofd en/of de buik in ieder geval tegen/op het (gehele) lichaam heeft gestompt/geslagen en/of heeft getrapt/geschopt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 januari 2011 te Dronten, (althans) in de gemeente Dronten, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer2]), meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- onverhoeds die [slachtoffer2] tegen/op het gezicht/hoofd,in ieder geval tegen/op het lichaam heeft gestompt/geslagen (waardoor deze [slachtoffer2] ten val kwam) en/of

- (terwijl die [slachtoffer2] op de grond lag) die [slachtoffer2] op het hoofd en/of de buik in ieder geval tegen/op het (gehele) lichaam heeft gestompt/geslagen en/of heeft getrapt/geschopt

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

Bij de beoordeling van deze zaak stelt de rechtbank op basis van het voorliggende procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting als vaststaand het navolgende vast.

Op 8 januari 2011 omstreeks 23:00 werd bij de meldkamer van de politie Flevoland een melding gedaan van een voorval, waarbij twee personen, te weten [slachtoffer1] en [slachtoffer2], mishandeld zouden zijn. [verbalisanten] hebben zich hierop begeven naar het adres waar [slachtoffer1] en [slachtoffer2] zich op dat moment bevonden. Aldaar was een ambulance gearriveerd. Terwijl [slachtoffer1] met de ambulance naar het ziekenhuis werd gebracht, heeft [slachtoffer2] aangifte gedaan.

Op zondag 9 januari 2011 heeft [slachtoffer1] in het ziekenhuis aangifte gedaan bij [verbalisant]. Nadat [slachtoffer1] uit het ziekenhuis ontslagen was, is hij op 16 januari 2011 nogmaals verhoord.

Op 9 januari 2011 zijn [getuigen] gehoord.

Verdachte is op 10 januari 2011 en 17 januari verhoord.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Zij heeft daartoe ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde gewezen op de aangifte, de medische verklaring, het sms-verkeer zoals dat heeft plaatsgevonden en de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft zij aangevoerd dat in ieder geval voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair en van het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met een arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2011 (LJN BP2715), in welk arrest de lat voor het aannemen van opzet (erg) hoog wordt gelegd.

Wat in de tenlastelegging onder feit 1, eerste gedachtestreepje, is omschreven, is gelijk aan de situatie in voornoemd arrest van de Hoge Raad en dit levert derhalve geen opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op.

Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje is aangevoerd dat het schoppen tegen de nek niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat hetgeen alsdan aan handeling resteert geen opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert.

Ook het derde gedachtestreepje kan niet wettig en overtuigend worden bewezen en als hetgeen is omschreven onder het vierde gedachtestreepje al heeft plaatsgevonden, dan levert dit geen voorwaardelijk opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op. Er moet in dat geval sprake zijn van een aanmerkelijke kans op het zich realiseren van zwaar lichamelijk letsel en bij geen enkele keer schoppen is daarvan sprake. Het bewijs voor het aanwezig zijn van de aanmerkelijke kans ontbreekt en concluderend heeft de raadsman bepleit dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de raadsman eveneens gewezen op het arrest van de Hoge Raad.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

[slachtoffer2] heeft -kort weergegeven- verklaard dat verdachte zowel hem als [slachtoffer1] heeft geschopt en geslagen. De verklaringen van [slachtoffer1] komen in grote lijnen overeen met de verklaringen van [slachtoffer2]. Verdachte heeft op zijn beurt erkend dat er inderdaad een vechtpartij is geweest met [slachtoffer2] en [slachtoffer1]. Verdachte heeft in dit kader verklaard dat hij [slachtoffer2] een aantal malen met de vuist op het gezicht heeft geslagen. Ook verklaarde verdachte dat hij [slachtoffer1] heeft geslagen en tegen het lichaam heeft geschopt. Verdachte heeft ontkend dat hij tegen het hoofd of de nek van [slachtoffer1] zou hebben geschopt. Dit was wel de bedoeling van verdachte, maar is niet gelukt omdat [slachtoffer1] zijn armen om het hoofd had waardoor verdachte hem niet heeft kunnen raken. Ter terechtzitting bleef verdachte bij zijn eerdere verklaringen op dit punt.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft erkend dat hij in de avond van 8 januari 2011 heeft gevochten met [slachtoffer2] en [slachtoffer1]. Verdachte heeft in dit kader verklaard dat hij met zijn gebalde linkervuist met kracht op de slaap van [slachtoffer1] heeft geslagen, waarna deze op de grond viel. Hierop heeft verdachte naar eigen zeggen met kracht met zijn rechterbeen tegen het lichaam van [slachtoffer1] geschopt. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij heeft geprobeerd naar het hoofd van [slachtoffer1] te trappen, maar dat hij het hoofd niet heeft kunnen raken omdat [slachtoffer1] de armen op zijn hoofd had. Uit de aangiftes van [slachtoffer2] en [slachtoffer1], evenals uit de getuigenverklaringen van [getuigen] blijkt echter dat verdachte daadwerkelijk tegen de nek en het hoofd van [slachtoffer1] heeft geschopt dan wel getrapt. [slachtoffer1] heeft in dit kader verklaard dat hij een harde klap op het achterhoofd heeft gehad, dat hij daarna een harde trap kreeg tegen zijn rechterbovenbeen (ter hoogte van zijn lies), dat hij vervolgens op de grond is gevallen en dat er vervolgens met kracht tegen zijn nek is geschopt. Direct hierop voelde [slachtoffer1] dat er met kracht tegen zijn hoofd werd geschopt en verloor hij het bewustzijn. [slachtoffer2] heeft verklaard dat verdachte meerdere keren (in ieder geval zes keer) op het hoofd van [slachtoffer1] stampte en vervolgens meerdere keren met kracht in zijn nek schopte.

[getuige] heeft verklaard dat zij heeft waargenomen dat verdachte op een gegeven moment omhoog sprong en met beide voeten op het hoofd van [slachtoffer1] terecht kwam. [getuige2] heeft hierover verklaard dat verdachte met volle kracht op het hoofd van verdachte stampte, alsof hij een blikje plat wilde stampen.

Blijkens de medische verklaring heeft [slachtoffer1] een hersenschudding (“commotio cerebri”) opgelopen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer1] tegen het hoofd dan wel gezicht heeft gestompt/geslagen en dat verdachte tegen het been dan wel beide benen, evenals de nek van [slachtoffer1] heeft getrapt/geschopt. Bovendien kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte op het hoofd van [slachtoffer1] is gesprongen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe vorenstaande handelingen gekwalificeerd kunnen worden.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de handelingen zoals omschreven onder de eerste twee gedachtestreepjes van de tenlastelegging niet tot de conclusie leiden dat verdachte door aldus te handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer1] dodelijk zou worden getroffen. Dit is evenwel anders ten aanzien van de handelingen zoals omschreven onder het derde gedachtestreepje. Het springen op het hoofd brengt in zijn algemeenheid met zich de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop, zeker gelet op de kwetsbare plek bij de slaap en de vitale structuren die zich in het hoofd bevinden. Door op het hoofd van [slachtoffer1] te springen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de dood van [slachtoffer1] het gevolg zou kunnen zijn.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om aan [slachtoffer2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte zal van het primair ten laste gelegde dan ook worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer2] meerdere malen met zijn gebalde vuist een klap op het gezicht heeft gegeven. Uit de aangifte van [slachtoffer2] blijkt voorts dat [slachtoffer2] als gevolg hiervan op de grond viel, waarna verdachte hem bleef slaan (terwijl [slachtoffer2] op de grond lag). De verklaring van [slachtoffer2] wordt op dit punt in grote lijnen ondersteund door de verklaringen van [slachtoffer1] en [getuige2]. De rechtbank heeft niet de overtuiging bekomen dat [slachtoffer2] ook zou zijn geschopt door verdachte, nu [slachtoffer2] zelf daarover niet heeft verklaard,

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer2] letsel heeft opgelopen en pijn heeft ondervonden.

Gelet op het voorgaande kan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1 primair.

hij op 08 januari 2011 te Dronten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet (met kracht)

- onverhoeds die [slachtoffer1] tegen/op het gezicht/hoofd heeft gestompt/geslagen (waardoor die [slachtoffer1] zijn evenwicht verloor en op de grond terecht kwam) en

- tegen het/de be(e)n(en) en de nek van die [slachtoffer1] heeft getrapt/geschopt (terwijl die [slachtoffer1] op de grond lag) en

- op het hoofd van die [slachtoffer1] is gesprongen (terwijl die [slachtoffer1] op de grond lag)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair.

hij op 08 januari 2011 te Dronten opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer2]), meermalen, (met kracht)

- onverhoeds die [slachtoffer2] tegen/op het gezicht/hoofd, heeft gestompt/geslagen (waardoor deze [slachtoffer2] ten val kwam) en

- (terwijl die [slachtoffer2] op de grond lag) die [slachtoffer2] op het hoofd heeft gestompt/geslagen

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Van het onder 1 primair en 2 subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 45 juncto artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 subsidiair:

Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot:

- een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 51 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag;

- een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf aangevoerd dat, indien alleen een bewezenverklaring voor het onder 2 ten laste gelegde volgt, de straf die zou moeten worden opgelegd gelijk moet zijn aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Indien ook een bewezenverklaring zou volgen voor het onder 1 ten laste gelegde, heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de constatering van de psycholoog dat het voor verdachte vrijwel onmogelijk was zich te onttrekken.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend is, omdat de aard en ernst van het bewezen verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

In het bijzonder overweegt de rechtbank nog het volgende.

Ten aanzien van de poging doodslag

Verdachte heeft bewust het risico aanvaard dat hij het slachtoffer [slachtoffer1] het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, zou kunnen ontnemen. Verdachte heeft met kracht op het hoofd gesprongen en het is niet aan verdachte te danken geweest dat [slachtoffer1] het gebeurde heeft overleefd. Door het handelen van verdachte is de rechtsorde ernstig geschokt.

Ten aanzien van de mishandeling

Door slachtoffer [slachtoffer2] te slaan op de wijze zoals verdachte heeft gedaan heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van [slachtoffer2]. Hierbij hecht de rechtbank belang aan het feit dat verdachte niet gestopt is met slaan nadat [slachtoffer2] op de grond lag, maar dat hij juist is doorgegaan met slaan.

De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van de LOVS bij een zware mishandeling zonder dat gebruik wordt gemaakt van een wapen reeds uitgaan van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf voor de duur van 3 maanden.

De rechtbank heeft het voorgaande als uitgangspunt genomen bij het bepalen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen jeugddetentie, waarbij de rechtbank overweegt dat zij poging doodslag en mishandeling bewezen heeft verklaard.

De rechtbank heeft in strafverlagende zin rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat verdachte in het verleden niet ter zake van geweldsmisdrijven met politie en justitie in aanraking is geweest.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de zich in het dossier bevindende de verdachte betreffende psychiatrische en psychologische rapportages. Zowel de psychiater als de psycholoog heeft geconcludeerd dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank neemt die conclusie, op de gronden zoals vervat in de rapportages, over en houdt daarmee rekening bij het bepalen van de op te leggen straf.

De rechtbank acht het van belang om een gedeelte van de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Enerzijds om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen. Anderzijds om de (mede door de jeugdreclassering) geadviseerde behandeling van verdachte in een gedwongen kader mogelijk te maken. De rechtbank acht daarbij een stevige stok achter de deur noodzakelijk en zij zal om die reden geen voorwaardelijke werkstraf opleggen, dit mede gelet op de ernst van de feiten.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen. De rechtbank zal de door de officier van justitie geëiste werkstraf matigen, aangezien zij verdachte zal vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de hierna te noemen straf passend en geboden is.

9 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [BP1] en [BP2] zich als benadeelde partijen in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte respectievelijk onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op bedragen van respectievelijk

€ 3.913,53 en € 300,00.

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de beide vorderingen toe te wijzen met toepassing van de maatregel zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij [BP1] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij ten aanzien van die vordering zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij aangevoerd dat het bedrag dat wordt gevorderd niet ligt in de lijn van bedragen die normaliter in soortgelijke situaties worden toegekend en de raadsman heeft verzocht een bedrag van € 500,00 bij wijze van voorschot toe te wijzen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [BP2] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [BP1]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[BP1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. De rechtbank overweegt dat de materiële schade is onderbouwd en deze bedragen kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat de zaken die ter onderbouwing worden aangevoerd naar het oordeel van de rechtbank geen geheel vergelijkbare zaken zijn als de onderhavige. De rechtbank zal in verband met de immateriële schade een bedrag van € 1.500,00 bij wijze van voorschot toewijzen.

De hoogte van de schade is mitsdien genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 2.010,53, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege bij wijze van voorschot toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 2.010,53 ten behoeve van het slachtoffer [BP1].

Benadeelde partij [BP2]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[BP2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 300,00 ten behoeve van het slachtoffer [BP2].

12 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287 en 300 van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 2 primair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 primair en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte, groot 51 dagen, niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg Flevoland, jeugdreclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag, dan wel in een andere, soortgelijke instelling, zulks zolang Bureau Jeugdzorg Flevoland, jeugdreclassering of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 60 dagen jeugddetentie, althans een aantal dagen jeugddetentie dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij [BP1]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij M.B. [BP1], wonende te [woonplaats], van een bedrag van

€ 2.010, 53 (zegge: tweeduizendtien euro en drieënvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 1 primair bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 januari 2011, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.010,53 ten behoeve van het slachtoffer [BP1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen jeugddetentie;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [BP1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [BP1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [BP1] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Benadeelde partij [BP2]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [BP2], wonende te [woonplaats], van een bedrag van

€ 300,00 (zegge: driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 januari 2011, tot die van de voldoening;

- veroordeelde de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 300,00 ten behoeve van het slachtoffer [BP2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen jeugddetentie;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [BP2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [BP2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Dijk, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. M. Iedema en S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2011. Mr. N. van Olst-van Esch en mr. S. Wijna, voornoemd, zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.