Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR4553

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
07/400075-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promis, afpersing, tbs met voorwaarden, bewijs- en strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.400075-09 (P)

Uitspraak: 23 juni 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

(Geboortedatum)

(Adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2011. Er hebben eerdere behandelingen ter terechtzitting plaatsgevonden op 11 juni 2009, 8 september 2009,

10 november 2009, 26 januari 2010, 23 september 2010,7 oktober 2010 en 2 december 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. B.C. van Haren.

Voorts zijn verschenen dhr. R. Zandbergen, als reclasseringswerker verbonden aan Tactus verslavingszorg, dhr. C. Feij, hoofd behandeling van GGZ Drenthe, en de benadeelde partij (slachtoffer 1).

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 februari 2009 in de gemeente Ommen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (slachtoffer 1) heeft gedwongen tot de afgifte van geld (ongeveer 166,- euro), in elk geval van enig geld, geheel of ten dele toebehorende aan (Slachtoffer 2), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte:

- met een (bivak)muts over zijn hoofd en/of met een mes in zijn hand voornoemde videotheek is binnengelopen en/of (vervolgens)

- opzettelijk dreigend voornoemd mes op, althans naar en/of de richting van, die (slachtoffer 1) heeft gericht en/of heeft gericht gehouden en/of (daarbij) die (slachtoffer 1) opzettelijk dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Maak die kassa los” en/of “Geef me het geld. Niet gaan janken, geef me gewoon het geld”en/of “Doe het geld hierin, doe het geld hierin”en/of “Nee, jij doet dat. Opschieten, opschieten”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen ter zake van het ten laste gelegde feit. Daarbij refereert de officier van justitie zich aan wat reeds tijdens de vorige behandeling van 23 september 2010 is aangevoerd. Uit het onderzoek naar de gewapende overval komt verdachte snel als de dader naar voren. Verdachte bekent ook het ten laste gelegde feit te hebben gepleegd en de onder verdachte in beslag genomen goederen zijn te herleiden tot goederen die bij de overval gebruikt zijn.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het ten laste gelegde sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

• Het proces-verbaal van aangifte van (slachtoffer 1) ;

• De bekennende verklaring van verdachte ;

• De bekennende verklaring van verdachte onder meer op de ter terechtzittingen van 23 september 2010 en 9 juni 2011.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 28 februari 2009 in de gemeente Ommen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld (slachtoffer 1) heeft gedwongen tot de afgifte van geld (ongeveer 166,- euro), geheel of ten dele toebehorende (slachtoffer 2), welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte:

- met een (bivak)muts over zijn hoofd en met een mes in zijn hand voornoemde videotheek is binnengelopen en (vervolgens)

- opzettelijk dreigend voornoemd mes op, althans naar en/of de richting van, die (slachtoffer 1) heeft gericht en heeft gericht gehouden en (daarbij) die (slachtoffer 1) opzettelijk dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Maak die kassa los” en “Geef me het geld. Niet gaan janken, geef me gewoon het geld” en “Doe het geld hierin, doe het geld hierin” en “Nee, jij doet dat. Opschieten, opschieten”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Afpersing,

strafbaar gesteld bij artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 386 dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie de terbeschikkingstelling met voorwaarden gevorderd, zoals omschreven in het maatregelrapport van Tactus verslavingszorg d.d. 15 juli 2010.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij (slachtoffer 1) heeft de officier van justitie de toewijzing gevorderd tot een bedrag van € 1.500,- alsmede de oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van (slachtoffer 1) tot voornoemd bedrag.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij (slachtoffer 2) heeft de officier van justitie gevorderd de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd zowel de muts als het mes te onttrekken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat bij het bepalen van de straf rekening dient te worden gehouden met het feit dat de geactualiseerde psychiatrische en psychologische rapporten dateren van respectievelijk 6 januari 2011 en 28 december 2010. Inmiddels is er bijna een half jaar verstreken tot de zitting. Beide deskundigen zijn van mening dat ze bij verdachte een verandering hebben opgemerkt. Ook menen beide deskundigen dat de problematiek van verdachte op een andere manier kan worden aangepakt dan met een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De raadsman heeft aangevoerd dat terbeschikkingstelling een laatste middel is dat ingezet kan worden. Een terbeschikking-stelling dient pas opgelegd te worden wanneer er geen alternatieven zijn om de onderhavige strafzaak af te doen. Volgens de raadsman kan worden volstaan met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Voor wat betreft de lengte van de daarbij behorende proeftijd, refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Voor het overige refereert de raadsman zich aan hetgeen hij tijdens de behandeling ter terechtzitting van 23 september 2010 heeft aangevoerd.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij van (slachtoffer 1) heeft de raadsman ter terechtzitting van 23 september 2010 medegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het gevorderde schadebedrag. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij (slachtoffer 2) heeft de raadsman verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu de vordering onvoldoende onderbouwd is.

Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman ter terechtzitting van 23 september 2010 verklaard dat hij zich niet verzet tegen de onttrekking aan het verkeer van de muts en het mes.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op de aard van het geweld, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij met het oog op geldelijk gewin en zonder zich daarbij enige rekenschap te geven van de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer is overgegaan tot het plegen van een zeer bedreigende overval op een videotheek. Verdachte heeft bij zijn moeder thuis twee gaten in een muts geknipt en een mes gepakt. Vervolgens heeft hij met deze muts op en met het mes in de hand in de videotheek, waar hij vaste klant was, de toen 17-jarige verkoopster bedreigd en haar aldus en met dreigende taal gedwongen geld uit de kassalade aan hem te overhandigen. Het slachtoffer is door de situatie waarin verdachte haar heeft gebracht erg bang geworden dat verdachte de dreigementen met het mes zou uitvoeren. Deze overval heeft langdurige emotionele problemen veroorzaakt bij het slachtoffer.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat naast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd dient te worden, waarbij de rechtbank rekening houdt met de volgende rapportages:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 mei 2011;

- een de verdachte betreffend aanvullend psychiatrisch Pro Justitia rapport d.d. 6 januari 2011, uitgebracht door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus;

- een de verdachte betreffend aanvullend psychologisch Pro Justitia rapport d.d. 28 december 2010, uitgebracht door drs. C. Moerland, forensisch psycholoog;

- een de verdachte betreffend maatregelrapport van Tactus verslavingszorg d.d. 15 juli 2010, uitgebracht door dhr. R. Zandbergen, reclasseringswerker.

Uit bovengenoemde rapporten is de rechtbank gebleken dat de deskundigen een gelijksoortig beeld van verdachte schetsen. Bij verdachte is sprake van schizofrenie. Deze stoornis met een daarbij passende antisociale levensstijl hebben een belangrijke doorwerking in het strafbare feit gehad. De deskundigen achten verdachte dan ook verminderd toerekeningsvatbaar.

De schizofrenie is een verklaring voor het feit dat hij tot nu toe onvoldoende in staat is geweest zijn leven op een zelfstandige wijze vorm te geven. Daardoor zal hij hulp moeten accepteren om zijn leven weer op de rails te krijgen. Verdachte is in detentie nog herhaaldelijk psychotisch geweest, wat aantoont dat de psychotische episoden een chronisch, recidiverend karakter hebben en het gevolg zijn van de schizofrenie. Verdachte zal levenslang afhankelijk blijven van antipsychotische medicatie. Daarnaast is er sprake van cannabisafhankelijkheid, waaraan verdachte noodgedwongen door de detentie zich niet meer aan kan overgeven. Er is nog altijd een groot recidiverisico.

De deskundigen komen tot de conclusie dat er een straf dient te worden opgelegd die voldoende externe druk blijft leggen op verdachte, zodat verdachte in geval van een voorwaardelijke gevangenisstraf er niet voor kiest zich te onttrekken aan de voorwaarden om de straf uit te zitten en daardoor van zijn straf en behandeling af te zijn. Hoewel de heer R. Zandbergen zowel in zijn rapport als op de zitting heeft aangegeven dat hij het standpunt van de twee andere deskundigen kan volgen, blijft hij vasthouden aan het advies van een terbeschikkingstellingsmaatregel met voorwaarden. De deskundigen Van Os en Moerland hebben gerapporteerd dat zij zich eveneens in dit standpunt van de heer Zandbergen kunnen vinden. Ook zij vinden de terbeschikkingstellingsmaatregel met voorwaarden nog tot de mogelijkheden behoren. Hoewel verdachte momenteel een positieve ontwikkeling laat zien, door zich te conformeren aan het behandelaanbod en het innemen van de medicatie, is verdachte nog te wankel en te wisselend in zijn wil om te investeren in de behandeling.

Ter terechtzitting is dit beeld van verdachte en de huidige ontwikkeling bevestigd door de heer Feij, hoofd behandeling van GGZ Drenthe. Zowel de heer Zandbergen als de heer Feij hebben ter terechtzitting verklaard dat verdachte weliswaar een positieve ontwikkeling laat zien, maar dat dit gegeven in dit stadium nog pril is. Het is een breekbaar beeld.

De rechtbank neemt de in voornoemde onderzoeksrapportages vervatte conclusies betreffende de persoon van verdachte over en maakt het oordeel van de deskundigen tot het hare. Daarbij overweegt de rechtbank dat de deskundigen het er met elkaar over eens zijn dat verdachte een straf opgelegd dient te krijgen die voldoende externe druk op verdachte legt en waarbij hij de klinische behandeling kan (blijven) ondergaan. Voor de vraag welke strafmodaliteit daarvoor het meest geschikt is, is van belang in aanmerking te nemen op welke wijze de problematiek van verdachte het best ingebed en gecontroleerd kan worden.

Gelet op het hoge recidiverisico, de ernst van de problematiek, de recente geconstateerde maar prille positieve ontwikkeling bij verdachte, en het feit dat de huidige behandeling van verdachte inhoudelijk zal kunnen worden gecontinueerd, is de rechtbank van oordeel dat deze factoren het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met de daarbij te stellen voorwaarden eisen.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36f, 38, 38a van het Wetboek van Strafrecht.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat het mes en de muts dienen te worden onttrokken aan het verkeer, omdat beide voorwerpen nauw verband houden met het gepleegde feit en vanuit hun aard gevaarlijk kunnen zijn in de samenleving en dus in strijd zijn met het algemeen belang. Beide voorwerpen zijn gebruikt om het strafbare feit te plegen. Immers verdachte heeft de muts opgezet om voor het slachtoffer onherkenbaar te zijn en het mes gebruikt om zijn verbale bedreiging te bekrachtigen om overhandiging van het geld uit de kassalade af te dwingen.

Benadeelde partijen (slachtoffer 1) en (slachtoffer 2)

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij (slachtoffer 1) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.500,-. De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is tot dat bedrag (als onvoldoende gemotiveerd weersproken), is toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 2) zal niet ontvankelijk worden verklaard, nu de vordering met betrekking tot die posten enerzijds onvoldoende is onderbouwd en anderzijds door zowel de officier van justitie en de verdediging is betwist en verdere behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 1.500,- ten behoeve van het (slachtoffer 1).

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 386 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld.

De rechtbank stelt bij die terbeschikkingstelling de volgende voorwaarden:

- dat verdachte zich houdt gedurende de opname aan de aanwijzingen en voorwaarden van de FPK in Assen en zolang de reclassering en de FPK dat nodig achten daar te verblijven,

- eventuele verloven vinden plaats conform het vrijhedenbeleid van de FPK, hetgeen inhoudt dat instemming van de behandelaars nodig is en dat de reclassering hierin inspraak heeft,

- verdachte houdt zich tijdens de opname in de FPK aan de aanwijzingen te geven door de reclassering en zal daarbij een traject volgen dat de behandelaren nodig of wenselijk achten. Aanwijzingen zullen gegeven worden omtrent behandeling, dagbesteding, middelengebruik, huisvesting en medicijninname,

- verdachte werkt mee aan de sanering van zijn schulden. Hij zal geen nieuwe schulden maken,

- verdachte dient zijn uiterste best te doen zich te onthouden van drugs en alcohol,

- verdachte zal meewerken aan controles in verband met middelen/alcoholgebruik. Overtreding van behandelingsafspraken en kliniekregels kan, na een officiële waarschuwing, inhouden dat de behandeling wordt stopgezet,

- verdachte zal geen strafbare feiten plegen,

- verdachte onderhoudt contact met de reclassering. Gedurende de klinische behandeling heeft hij éénmaal per maand een gesprek met de reclassering. Na de klinische behandeling vindt er éénmaal per week een gesprek plaats,

- na de klinische fase zal verdachte meewerken aan trajecten in het kader van ambulante begeleiding en behandeling.

Beslag

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de muts en het mes.

Schadevergoeding

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer 1), wonende te Dedemsvaart, van een bedrag van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 28 februari 2009, tot de dag van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1.500,-, ten behoeve van het (slachtoffer 1) , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer 2) in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mrs. F. van der Maden en A.P.W. Esmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van L. Pieters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2011.