Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR4549

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
30-05-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
07/630094-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gemotiveerde vrijspraak van criminele organisatie en andere feiten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.630094-09

Uitspraak: 30 mei 2011

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

(geboortedatum),

(adres)

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2010, 22 april 2011 en 16 mei 2011. De verdachte is ter terechtzitting van 22 april 2011 verschenen, bijgestaan door mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam.

De officier van justitie, mr. D. Sarian, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf voor de duur van 240 uren, bij niet voldoen te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de op de beslaglijst onder 5 tot en met 9, 16 tot en met 28 en 30 tot en met 37 genummerde voorwerpen aan het verkeer worden onttrokken, dat de voorwerpen genummerd onder 3, 4, 10 tot en met 13 verbeurd worden verklaard en dat de teruggave wordt gelast van het voorwerp genummerd 29 aan de rechthebbende, te weten de RDW.

GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig is, omdat de concretisering ten aanzien van geldbedragen en kentekenbewijzen na de wijziging van de tenlastelegging ontbreekt.

De rechtbank verwerpt deze stelling. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging gelezen in combinatie met de dossierstukken leidt niet tot de conclusie dat het voor verdachte onvoldoende duidelijk is wat haar ten laste wordt gelegd. Gelet hierop voldoet de dagvaarding wel aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De dagvaarding is daarom geldig.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting gewijzigd)

1.

zij in of omstreeks de periode van 23 mei 2005 tot 8 april 2009 in de gemeente Raalte en/of Kampen en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen haar verdachte en/of (medeverdachte 1) en/of (medeverdachte 2) en/of (medeverdachte 3) en/of (medeverdachte 4) en/of (medeverdachte 5) en/of (medeverdachte 6) en/of (medeverdachte 7) en/of (medeverdachte 8) en/of (medeverdachte 9) en/of (medeverdachte 10) en/of (medeverdachte 11) en/of (medeverdachte 12) en/of (medeverdachte 13) en/of (medeverdachte 14) en/of een of meer andere natuurlijke en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen

van misdrijven, namelijk (onder andere):

-het tezamen en in vereniging met een of meer anderen plegen van diefstallen als bedoeld in artikel 311 wetboek van strafrecht en/of

-het tezamen en in vereniging met een of meer anderen plegen van opzetheling als bedoeld in artikel 416/1/A wetboek van strafrecht en/of

-het tezamen en in vereniging met een of meer anderen plegen van oplichting als bedoeld in artikel 326 wetboek van strafrecht en/of

-het tezamen en in vereniging met een of meer anderen plegen van valsheid in geschrifte en/of het gebruik maken van valse en/of vervalste geschriften als bedoeld in artikel 225 lid 1 en/of 225 lid 2 wetboek van strafrecht en/of

-het tezamen en in vereniging met een of meer anderen witwassen van geld en/of auto's en/of andere goederen en/althans voorwerpen als bedoeld in artikel 420bis lid 1 wetboek van strafrecht, althans het plegen van misdrijven;

2.

zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 mei 2005 tot 8 april 2009 in de gemeente Raalte en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meer auto's

te weten (onder andere)

-een BMW, type 320 (XX-XX-XX) (XX XXX) en/of

-een Volkswagen Touran (XXXXXXXX) (XX XXX) en/of

-een Volkswagen Golf (XX-XX-XX) (XX XXX) en/of

-een Peugeot 207, 1.6 HDI (XX-XX-XX) (XX XXX) en/of

-een Volkswagen Crafter (XXXXXX) (XX XXX)

en/of een of meer geldbedragen en/of een of meer kentekenbewijzen en/of andere voorwerpen/goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat voorwerp(en), gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 mei 2005 tot 8 april 2009 in de gemeente Raalte en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meer auto's

te weten (onder andere)

-een BMW, type 320 (XX-XX-XX) (XX XXX) en/of

-een Volkswagen Touran (XXXXXXXX) (XX XXX) en/of

-een Volkswagen Golf (XX-XX-XX) (XX XXX) en/of

-een Peugeot 207, 1.6 HDI (XX-XX-XX) (XX XXX) en/of

-een Volkswagen Crafter (XXXXXX) (XX XXX)

en/of een of meer geldbedragen en/of een of meer kentekenbewijzen en/of andere voorwerpen/goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat voorwerp(en), gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

BEWIJS

De raadsman heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte van de haar ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman verzocht om alle voorwerpen die geen verband houden met gepleegde strafbare feiten terug te geven aan verdachte.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde als volgt.

Voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is bepalend of er sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen. Van belang is daarbij dat sprake is van een vaste rolverdeling, waarin een zekere hiërarchie valt te ontdekken.

In het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de onderhavige strafzaak, is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat een aantal verdachten zich bezig hield met het dupliceren van auto’s, waarbij gestolen auto’s de identiteit van andere, legale auto’s kregen, en dat er kopers zijn opgelicht door deze omgekatte auto’s aan hen te verkopen. Daartoe werden onder andere kentekenbewijzen vervalst.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er in de strafzaak tegen verdachte en haar medeverdachten sprake is van een zodanig gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met als oogmerk het plegen van strafbare feiten, dat van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht kan worden gesproken.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er van een dergelijke organisatie sprake is geweest. Uit het dossier blijkt namelijk dat een aantal verdachten zich gedurende langere tijd op grote schaal en systematisch heeft bezig gehouden met het omkatten van gestolen auto’s en het verkopen van die omgekatte auto’s aan derden. Uit het dossier komt een beeld naar voren van een vaste werkwijze bij het plegen van de strafbare feiten, waarbij verschillende verdachten zich nadrukkelijk bezig houden met verschillende onderdelen van het gehele traject dat de gestolen auto’s afleggen. Zo zijn er verdachten die zich bezighouden met het daadwerkelijk geven van een nieuwe identiteit aan de gestolen auto’s, en er zijn verdachten die zich bij uitstek bezig houden met het gehele verkoopproces. Uit de tapgesprekken blijkt dat er sprake is van een zekere hiërarchie tussen de verdachten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gesteld dat àlle verdachten in dit onderzoek hebben deelgenomen aan de criminele organisatie, doch wel dat de organisatie werd gevormd door een aantal van hen. De rechtbank rekent in ieder geval de verdachten (medeverdachte 9), (medeverdachte 2) en (medeverdachte 4) tot deelnemers aan de criminele organisatie, nu zij zich meer dan andere verdachten structureel hebben bezig gehouden met het plegen van de strafbare feiten, waarvan in deze zaak sprake is. De intensiteit van de contacten tussen deze 3 verdachten alsmede de lange periode gedurende welke er sprake is geweest van deze contacten, heeft aan dit oordeel bijgedragen.

De vraag waar de rechtbank zich vervolgens voor gesteld ziet, is of verdachte ook tot de deelnemers behoort. Die vraag wordt door de rechtbank ontkennend beantwoord.

Uit de bewijsmiddelen is namelijk onvoldoende gebleken dat verdachte een aandeel heeft gehad in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie te weten het verkopen van omgekatte auto’s.

De contacten waarvan is vastgesteld dat verdachte die heeft gehad met onder meer de (medeverdachte 9), (medeverdachte 1) en (medeverdachte 4) zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende qua frequentie en inhoud om van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen spreken. Ook de inhoud van de door de officier van justitie aangehaalde tapgesprekken leiden volgens de rechtbank niet tot de conclusie dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Voorts is uit de bewijsmiddelen niet gebleken van wetenschap bij verdachte dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Uit de tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte in de afzuigkap gevonden blanco kentekenbewijzen en enveloppe kan deze wetenschap onvoldoende worden afgeleid.

Weliswaar zou deze wetenschap kunnen worden afgeleid uit de handgeschreven tekst op de enveloppe “€5000,- (naam) p.207” in combinatie met de inhoud van de tapgesprekken over een Peugeot 207, doch de rechtbank volgt verdachte in haar verweer dat zij deze tekst niet op de enveloppe heeft geschreven. De rechtbank constateert in dit verband dat dit handschrift onvoldoende overeenkomt met het handschrift van verdachte.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen dan wel schuldwitwassen. In dit kader overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de in de tenlastelegging genoemde zaakdossiers en dat uit de bewijsmiddelen evenmin kan worden afgeleid dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de in haar woning gevonden in aluminiumfolie ingepakte kentekenbewijzen en een enveloppe met geld afkomstig waren uit enig misdrijf.

Ter terechtzitting heeft verdachte een afdoende verklaring gegeven voor de herkomst van de op haar rekening gedane contante geldstortingen. Voor het bewijs dat een of meer vermogensbestanddelen van verdachte van een ander misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat moest weten of redelijkerwijs moest vermoeden bevat het dossier evenmin voldoende aanwijzingen.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte van de gehele tenlastelegging te worden vrijgesproken.

BESLAG

De rechtbank constateert dat de op de beslaglijst genoemde voorwerpen eveneens in beslag zijn genomen onder (medeverdachte 9), parketnummer 07.630011-09. Nu de rechtbank bij uitspraak van heden ten aanzien van het beslag in de zaak van de voornoemde medeverdachte een beslissing heeft genomen zal de rechtbank zich ten aanzien van de in onderhavige zaak in beslag genomen voorwerpen van een oordeel onthouden.

BESLISSING

Het 1, 2, primair en subsidiar ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2011.