Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR4535

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-04-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
183543 / KG ZA 11-143
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot staking executie dwangsommen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: 183543 / KG ZA 11-143

Vonnis in kort geding van 21 april 2011

in de zaak van

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. F.N. Dijkers te Almere,

tegen

[gedaagde],

wonende op een geheim adres,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. Stad te Boxmeer.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling op 7 april 2011

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een kortgedingprocedure gevoerd bij deze rechtbank over de vraag of [eiseres] de op haar weblogs geuite beschuldigingen betreffende het seksueel misbruik, de ontvoering en/of mishandeling van de dochter van partijen door [gedaagde] dient te verwijderen.

2.2. Op 9 maart 2011 heeft de rechtbank vonnis gewezen. In het vonnis is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

"4.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de beschuldigingen van [eiseres] ernstig en voor [gedaagde] schadelijk. (...) Vanwege de ernst van de beschuldigingen en de schade die deze toebrengen aan de eer en goede

naam van [gedaagde], mag van [eiseres] worden verwacht dat zij op zijn minst met enige feitelijke onderbouwing voor dergelijke beschuldigingen komt. [eiseres] heeft echter nog geen begin gemaakt met een deugdelijke onderbouwing van het door haar gestelde. (...) De door [eiseres] geuite beschuldigingen vinden dan ook geen steun in het feitenmateriaal.

4.6. Desgevraagd heeft [eiseres] ter zitting verklaard gemeend te hebben in het belang van [benadeelde partij] te handelen door zowel de beschuldigingen als de brieven (waarvan [eiseres] stelt dat ze van [benadeelde partij] zijn) op internet te plaatsen. (...) Tegen de achtergrond van het tussen partijen slepende conflict over het gezag en de verblijfplaats van [benadeelde partij] kan niet worden uitgesloten dat [eiseres] met de door haar gedane publicaties (mede) de beschadiging van [gedaagde] als persoon en de diskwalificatie van [gedaagde] als ouder van [benadeelde partij] voor ogen had. Dat [eiseres] gemeend heeft met deze publicaties in het belang van [benadeelde partij] te handelen, acht de voorzieningenrechter onbegrijpelijk. Deze vorm van berichtgeving op internet is, zelfs al zou de inhoud juist zijn, immers bijzonder schadelijk voor [benadeelde partij]. Niet uitgesloten kan worden dat zij de rest van haar leven geconfronteerd kan worden met de internetberichten waarin over háár wordt gesteld dat ze seksueel misbruikt is. (...)

4.8. Gelet op het voorgaande moet dan ook geoordeeld worden dat hetgeen [eiseres] over [gedaagde] heeft gepubliceerd onrechtmatig is. De vorderingen sub 1 tot en met 3 zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de eerste vordering als inspanningsverplichting zal worden opgelegd in verband met de technische onmogelijkheid tot het volledig (doen) verwijderen van gegevens op internet. (...)

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [eiseres] om, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, al het mogelijke in het werk te stellen om de verwijdering van de door haar op haar weblogs geuite beschuldigingen betreffende het seksueel misbruik, de ontvoering en/of mishandeling van [benadeelde partij] door [gedaagde] te bevorderen,

5.2. veroordeelt [eiseres] om, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, als rectificatie op haar weblogs te plaatsen de navolgende tekst:

"Bij kort geding vonnis heeft de Voorzieningenrechter van de rechtbank Lelystad bepaald dat mijn beschuldigingen aan het adres van mijn ex-partner, [gedaagde], onrechtmatig zijn. ER is geen enkele grond om aan te nemen dat mijn beschuldigingen waar zijn en dus had ik deze ook niet mogen publiceren."

5.3. veroordeelt [eiseres] om zich voortaan te onthouden van het doen van uitlatingen en het uiten van beschuldigingen gericht op het vermeende seksueel misbruik, de vermeende mishandeling en de vermeende ontvoering (of woorden en/of omschrijvingen van gelijke strekking) door [gedaagde] van zijn dochter [benadeelde partij],

5.4. veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van EUR 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1 tot en met 5.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 20.000,- is bereikt,(...)"

2.3. Op 10 maart 2011 om 12.10 uur is het vonnis betekend op het GBA-adres van [eiseres] waarbij de veroordelingen onder punt 5.2 en 5.3 zijn opgenomen in het bevel van exploot van betekening. Op 11 maart 2011 om 13.45 uur is de veroordeling onder 5.1 eveneens aan [eiseres] betekend.

2.4. Op 7 maart 2011 is [eiseres] op last van de officier van justitie te Roermond aangehouden door de politie te Almere op verdenking van onttrekking van haar minderjarige kind aan het ouderlijk gezag en ingesloten op het cellencomplex van de politie te Almere aan de Baljuwstraat, waarna zij op 10 maart 2011 om 9.30 uur is voorgeleid aan de rechter-commissaris van de rechtbank Zwolle-Lelystad en vervolgens in bewaring is gesteld.

2.5. Op 16 maart 2011 is de gevangenhouding van [eiseres] bevolen voor een termijn van 30 dagen. [eiseres] is evenwel op 19 maart 2011 door een medegedetineerde in haar buik getrapt, terwijl zij zwanger is. In verband met een dreigende vroeggeboorte is [eiseres] naar het ziekenhuis overgebracht. Op 22 maart 2011 is zij uit het ziekenhuis ontslagen.

2.6. Op 22 maart 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad de voorlopige hechtenis geschorst in verband met het onder 2.5 vermelde.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert primair:

- [gedaagde] te veroordelen om de executie van de verbeurde dwangsommen van het kortgeding vonnis te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van EUR 50.000,00 en om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis de deurwaarder hiervan op de hoogte te brengen;

- de executoriale (derde-) beslagen per direct op te heffen, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van betekening en beslaglegging.

[eiseres] vordert voor het overige nog:

- een en ander op straffe van een dwangsom van EUR 750,00 voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde] nalaat aan de beslissing in dezen te voldoen, met een maximum van EUR 50.000,00;

- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

[eiseres] legt aan deze vordering het volgende ten grondslag. Het was vanwege haar detentie feitelijk onmogelijk kennis te nemen van het vonnis waardoor zij niet eerder in staat is geweest dan 22 maart 2011 aan het veroordelend vonnis te kunnen voldoen. [gedaagde] heeft misbruik gemaakt van zijn executiebevoegdheid. [gedaagde] was op de hoogte van de overmachtsituatie. De inning van de verbeurde dwangsommen is dan ook buitenproportioneel en vexatoor. Tot slot voert [eiseres] aan dat executie ernstige en onomkeerbare sociaaleconcomische gevolgen heeft voor [eiseres], omdat zij enkel uitkomsten geniet uit een uitkering en deze inkomsten onder meer dienen te worden aangewend ten behoeve van haar nog ongeboren kind.

3.2. [gedaagde] voert allereerst aan dat het vonnis rechtsgeldig is betekend op het GBA-adres van [eiseres]. Daarnaast kan er volgens [gedaagde] geen sprake zijn van een noodtoestand aan de zijde van [eiseres], nu zij deze toestand zelf in de hand heeft gewerkt. Evenmin is er sprake van een sociaaleconomische noodtoestand, nu zij samenwoont met haar partner die inkomsten uit een eenmanszaak geniet.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelegen in de aard van de gevraagde voorziening.

4.2. [eiseres] heeft ter zitting de voorzieningenrechter nog verzocht de primaire eis aldus te verstaan dat geen dwangsommen zijn verbeurd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een dergelijke lezing niet spoort met de formulering van het petitum. De voorzieningenrechter honoreert dit verzoek derhalve niet.

4.3. De voorzieningenrechter kan de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard of indien er sprake is van andere feiten of omstandigheden op grond waarvan de executant in redelijkheid geen gebruik mag maken van zijn recht tot tenuitvoerlegging.

4.4. Dat er sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het te executeren vonnis is gesteld noch gebleken.

4.5. De beoordeling of er aan de zijde van [eiseres] door het executeren van het vonnis een noodtoestand is ontstaan, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het midden blijven. Zoals [gedaagde] terecht stelt, heeft [eiseres] deze toestand immers zelf in de hand gewerkt door het kennelijk plegen van een strafbaar feit, namelijk het aan het ouderlijk gezag onttrekken van een minderjarig kind, waarvoor zij is aangehouden. Dat zij dientengevolge niet in staat is geweest aan het vonnis te voldoen, dient derhalve naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor haar rekening te blijven. Overigens merkt de voorzieningenrechter op dat [eiseres] wist dat er op 9 maart 2011 vonnis zou worden gewezen in de gevoerde kortgeding procedure. Desondanks heeft zij nagelaten om in ieder geval in de periode van 10 maart 2011 tot 19 maart 2011, de dag dat zij werd opgenomen in het ziekenhuis, navraag te doen naar het vonnis. Niet is gebleken dat het voor haar fysiek onmogelijk was om contact op te nemen met haar raadsman. Daarnaast zijn er in het kader van de strafprocedure ook diverse contacten geweest met raadslieden. Dat zij in deze periode vervolgens geen actie heeft ondernomen om kennis te nemen van het vonnis en daaraan te voldoen, komt voor haar rekening en risico.

4.6. Van overige feiten en omstandigheden op grond waarvan [gedaagde] in redelijkheid geen gebruik mag maken van zijn recht tot tenuitvoerlegging is evenmin gebleken. Vast staat dat het exploot rechtsgeldig is betekend op het GBA-adres van [eiseres]. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering stelt minder vergaande eisen aan betekening van een exploot dan het Wetboek van Strafvordering doet (vgl. Hof 's-Hertogenbosch 30 mei 2006, NJF 2006, 607). Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] weliswaar verklaard dat hij wist dat [eiseres] was aangehouden, maar hij heeft eveneens verklaard dat hij van het verdere verloop van de detentie niet op de hoogte was. Er is derhalve niet komen vast te staan dat [gedaagde] doelbewust het vonnis heeft betekend op het woonadres van [eiseres] met als enige doel het incasseren van dwangsommen.

4.7. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde] een in redelijkheid te respecteren belang had om het vonnis te executeren en de dwangsommen te incasseren.

4.8. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

4.9. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 258,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.074,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.074,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2011.