Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR3333

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
176502 / HA ZA 10-1354
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 236 lid 1 Rv. In andere procedure vastgestelde feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/442
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 176502 / HA ZA 10-1354

Vonnis van 29 juni 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M. Talens te Heerenveen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Zomer te Steenwijk.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 december 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 24 maart 2011 (alsmede de ter zitting genomen akte houdende vermindering van eis met producties).

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben vanaf oktober 2006 tot omstreeks december 2008 een affectieve relatie gehad.

2.2. [eiseres] was eigenaar van een caravan, merk "Buerstner", type City 515T. Zij had een seizoensplaats (kampeerplaats [nummer]) op het recreatiecentrum "[naam]" te [woonplaats].

2.3. De "Buerstner" is in maart 2008 ingeruild ten behoeve van de door [gedaagde] aangekochte tourcaravan, merk "Hobby de Luxe", type 560 KMFE. Op de factuur d.d. 20 maart 2008 van deze aankoop staat een bedrag van EUR 772,00 vermeld als inruilwaarde van de "Buerstner".

2.4. In juni 2008 heeft [gedaagde] een stacaravan, merk "Willerby", inclusief kampeerplaats en inventaris gekocht van de beheerder van "[recreatiecentrum "naam"]".

2.5. Na aanschaf van de "Willerby" heeft [gedaagde] de "Hobby de Luxe" verkocht voor een bedrag van EUR 11.750,00.

2.6. Bij vonnis van 14 april 2010 (zaaknummer / rolnummer: 95710 / HA ZA 09-280) heeft de rechtbank Leeuwarden, onder meer, voor recht verklaard dat [gedaagde] eigenaar is van de "Willerby" met volledige inventaris, aan- en toebehoren.

Tegen het vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van EUR 11.750,00 en een bedrag van EUR 493,03, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De vordering van EUR 11.750,00

4.1. Aan de vordering van EUR 11.750,00 heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. [eiseres] heeft daartoe gesteld dat [gedaagde] de "Hobby de Luxe" als verjaardagscadeau aan haar heeft geschonken. Deze schenking blijkt volgens [eiseres] uit een Hyves-bericht van [gedaagde] van 22 februari 2008 en verschillende verklaringen van familieleden en kennissen. Voorts zijn de kosten van de seizoensplaats en de verzekeringskosten in rekening gebracht bij [eiseres] en zijn deze kosten ook door haar betaald. Daarnaast heeft de rechtbank Leeuwarden in het vonnis van 14 april 2010 als vaststaand feit aangenomen dat [gedaagde] de "Hobby de Luxe" aan [eiseres] heeft geschonken. Door de na schenking aan haar in eigendom toebehorende "Hobby de Luxe" te verkopen en de opbrengst onder zich te houden is [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [eiseres]. Op grond hiervan is [gedaagde] verplicht de schade, bestaande uit de verkoopopbrengst van de "Hobby de Luxe", aan [eiseres] te vergoeden.

4.2. [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van deze vordering omdat hij de "Hobby de Luxe" niet aan [eiseres] heeft geschonken. [gedaagde] heeft daartoe, onder meer, aangevoerd dat hij de "Hobby de Luxe" niet aan [eiseres] heeft geschonken maar haar het tijdelijk gebruiksrecht van deze caravan heeft verschaft. [eiseres] heeft van dat gebruiksrecht afstand gedaan op het moment dat zij, na aankoop daarvan door [gedaagde] in juni 2008, het gebruiksrecht van de "Willerby" heeft verkregen. [gedaagde] is ook in het bezit van het eigendoms- en vrijwaringsbewijs van de "Hobby de Luxe". De factuur van de seizoensplaats en de verzekeringspolis is vanwege praktische redenen op naam van [eiseres] gesteld, de kosten zijn uiteindelijk betaald door [gedaagde].

4.3. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of, zoals [eiseres] heeft gesteld en door [gedaagde] is bestreden, [gedaagde] de "Hobby de Luxe" aan [eiseres] heeft geschonken.

4.4. Anders dan [eiseres] heeft betoogd is de rechtbank allereerst van oordeel dat de onder het kopje feiten en het kopje beoordeling opgenomen overweging in het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 14 april 2010, dat [gedaagde] de "Hobby de Luxe" aan [eiseres] heeft geschonken, in de onderhavige procedure niet als vaststaand feit kan worden aangenomen. Er is weliswaar sprake van een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan maar alleen de daarin vervatte beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (artikel 236 lid 1 Rv). Het tussen partijen gewezen vonnis van 14 april 2010 had betrekking op het eigendomsrecht van de "Willerby" terwijl in de onderhavige procedure het eigendomsrecht van de "Hobby de Luxe" in geschil is. In voormeld vonnis is aan het als vaststaand aangenomen feit, dat de [gedaagde] de "Hobby de Luxe" aan [eiseres] heeft geschonken, evenmin enig rechtsgevolg verbonden. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat in de onderhavige procedure dezelfde rechtsbetrekking tussen partijen in geschil is en komt [eiseres] voor wat betreft de door haar aangehaalde rechtsoverwegingen uit het vonnis van 14 april 2010 geen beroep toe op het gezag van gewijsde.

4.5. Voorts heeft [eiseres] weliswaar een aantal (door [gedaagde] niet weersproken) verklaringen van familieleden en kennissen overgelegd alsmede een Hyvesbericht van [gedaagde] zelf, die erop wijzen dat [eiseres] de "Hobby de Luxe" ter gelegenheid van haar verjaardag van [gedaagde] heeft gekregen, maar daar staat tegenover dat het kenteken- en vrijwaringsbewijs (inclusief het overschrijvingsbewijs) van de "Hobby de Luxe" bij de eigendomsverwerving tot aan de verkoop daarvan in het bezit van [gedaagde] is geweest. Daar komt bij dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij [eiseres] voor de aankoop heeft aangeboden haar de "Hobby de Luxe" te schenken maar dat dit aanbod door haar is afgewezen omdat zij een uitkering van de sociale dienst ontving en dat zij later aangaf meer interesse te hebben voor het gebruik van de "Willerby". [eiseres] heeft in reactie hierop enerzijds wel betwist dat zij het aanbod van [gedaagde] tot schenking van de "Hobby de Luxe" zou hebben afgewezen maar zij heeft anderzijds ook erkend dat [gedaagde] haar in december 2008 heeft voorgesteld om de "Hobby de Luxe" op haar naam te stellen hetgeen zij onnodig vond omdat de "Willerby" reeds was aangeschaft en de "Hobby de Luxe" inmiddels te koop werd aangeboden. Voor zover derhalve uit de door [eiseres] overgelegde verklaringen en het Hyvesbericht alsmede uit de hiervoor aangehaalde stellingen van partijen een intentie tot schenking kan worden afgeleid, leidt het een en ander tot de conclusie dat deze intentie niet tot uitvoering is gebracht en een overeenkomst tot schenking met betrekking tot de "Hobby de Luxe" niet tot stand is gekomen. Onder de gegeven omstandigheden, en mede gezien het verweer van [gedaagde] op dit punt, acht de rechtbank ook de tenaamstelling en betaling door [eiseres] van de nota's voor de seizoensplaats op recreatiecentrum "[recreatiecentrum "naam"]" en de verzekeringskosten onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de eigendom van de "Hobby de Luxe" middels schenking op [eiseres] is overgegaan.

4.6. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagde] de "Hobby de Luxe" aan [eiseres] heeft geschonken. Dit betekent dat de vordering voor zover deze betrekking heeft op de betaling van het bedrag van EUR 11.750,00 niet voor toewijzing in aanmerking komt.

De vordering van EUR 493,03

4.7. De grondslag van de vordering van EUR 493,03 heeft [eiseres] eveneens gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. [eiseres] heeft daartoe gesteld dat met het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 14 april 2010, is vast komen te staan dat [gedaagde] eigenaar is van de "Willerby". De verzekeringspolis met betrekking tot deze caravan heeft echter vanaf het begin af aan op naam van [eiseres] gestaan en [eiseres] heeft vanaf 11 augustus 2008 tot 1 mei 2010 (de datum waarop de verzekering voor het eerst kon worden opgezegd) maandelijks de verzekeringspremie voldaan. In totaal heeft [eiseres] een bedrag van EUR 493,03 aan verzekeringspremies ten behoeve van de "Willerby" voldaan. [gedaagde] is ongerechtvaardigd verrijkt omdat [eiseres] voormelde periode de verzekeringspremies ten behoeve van de aan [gedaagde] in eigendom toebehorende "Willerby" voor haar rekening heeft genomen. [gedaagde] is dan ook gehouden [eiseres] de schade, bestaande uit het bedrag van EUR 493,03, te vergoeden die zij als gevolg hiervan heeft geleden.

4.8. [gedaagde] heeft niet weersproken dat [eiseres] vanaf 11 augustus 208 tot 1 mei 2010 de verzekeringspremies ten behoeve van de in eigendom aan [gedaagde] toebehorende "Willerby" met een totaalbedrag van EUR 493,03 heeft voldaan. Wel heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiseres] geen schade heeft geleden omdat zij in totaal een bedrag van EUR 1.390,00 van hem heeft ontvangen, waaruit zij de kosten van verzekering kon voldoen en ook behoorde te voldoen. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde] verwezen naar overgelegde bankafschriften, waaruit blijkt dat hij op 11 februari 2008, 25 juli 2008 en 6 juni 2008 bedragen van respectievelijk EUR 400,00, EUR 490,00 en

EUR 500,00 naar [eiseres] heeft overgemaakt.

4.9. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] een bedrag van EUR 493,03 aan verzekeringspremies heeft besteed aan de in eigendom aan [gedaagde] toebehorende "Willerby", zodat hem deze kosten bespaard zijn gebleven. De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] uit hoofde van deze ongerechtvaardigde verrijking geen schade heeft geleden gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Weliswaar is door [eiseres] niet bestreden dat zij in totaal een bedrag van EUR 1.390,00 van [gedaagde] heeft ontvangen, maar uit de omschrijvingen bij de desbetreffende overboekingen blijkt dat de betalingen bedoeld zijn voor het stageld voor de camping en overigens betrekking hebben op het terugbetalen en het verstrekken van een lening. [gedaagde] heeft niet duidelijk gemaakt dat deze overboekingen niet als zodanig zouden mogen gelden. Daarmee is niet gebleken dat de door [gedaagde] aan [eiseres] overgemaakte bedragen specifiek bestemd waren voor de verzekeringspremies en is niet vast komen te staan dat [eiseres] voor de door haar verrichte betalingen van de verzekeringspremies reeds door [gedaagde] is gecompenseerd. Het gevorderde bedrag van EUR 493,03 acht de rechtbank daarom toewijsbaar.

4.10. De gevorderde wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf de dag der dagvaarding komt als niet weersproken eveneens voor vergoeding in aanmerking.

Proceskosten

4.11. Omdat deze procedure voortvloeit uit de verbroken relatie van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van

EUR 493,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over

dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding (22 september 2010) tot de dag van volledige

voldoening,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere

partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op

29 juni 2011.