Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR3318

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
170520 / HA ZA 10-552
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2014:7070
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2011/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 170520 / HA ZA 10-552

Vonnis van 29 juni 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R.K.E. Buysrogge te Zwolle,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

OVZ VERZEKERINGEN U.A.,

gevestigd te Goes,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en OVZ genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 april 2010 met producties

- de conclusie van antwoord met productie

- de conclusie van repliek met producties

- de conclusie van dupliek met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op [datum] is [eiseres] (geboren [datum]) een ongeval overkomen. [eiseres] reed ten tijde van het ongeval op een voorrangsweg in de gemeente [woonplaats]. Zij nam deel aan het verkeer met een motor en is geschept door een automobilist die haar geen voorrang verleende. Door het ongeval heeft [eiseres] fracturen op diverse plaatsen in de rechterenkel opgelopen alsmede een fractuur in het linkerkuitbeen en diverse verwondingen en kneuzingen.

2.2. Ten tijde van het ongeval was het voertuig dat [eiseres] heeft aangereden voor de wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij OVZ. OVZ heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval bij brief van 5 januari 2000 erkend. OVZ heeft aan [eiseres] een bedrag van EUR 52.514,25 aan voorschotten op de schadevergoeding betaald.

2.3. [eiseres] was ten tijde van het ongeval en sedert 1 december 1994 als magazijnmedewerkster in dienst bij [bedrijf] te [woonplaats] voor 40 uur per week.

2.4. Partijen hebben in onderling overleg besloten om in deze zaak een expertise te laten uitvoeren door orthopeed R.M. Kuipers te Doetinchem. Kuipers heeft [eiseres] op 30 maart 2004 onderzocht en daarover op 8 april 2004 gerapporteerd. Dit rapport bevat onder meer de volgende passages:

Samenvatting van de verkregen informatie:

Beschreven wordt de geïsoleerde fibulafractuur van de li. enkel en een luxatiefractuur van de re. enkel, met grote weke delen verwonding richting hiel. Het letsel re. en li. is primair conservatief behandeld voor wat de fracturen betreft, wel is het weke delen letsel gehecht. De fractuur li. is goed genezen, re. is in de loop der tijd afnemende loop- en stabelastbaarheid opgetreden, ondanks alle mogelijke vormen van behandeling, injecties, pijnbehandeling loopt het functionele resultaat eerder terug dan dat er enige vooruitgang in zit. Uiteindelijk heeft de revalidatie-arts geprobeerd middels orthopaedisch aangepaste schoenen de belastbaarheid van het re. been te vergroten.

Uit de informatie valt te lezen dat in de loop der tijd de loop- en stabelastbaarheid alleen maar is afgenomen, zonder dat hiervoor door verschillende specialisten een duidelijke verklaring kan worden gevonden. Ook de behandeling van de pseudoarthrosis van de mediale malleolus, waarbij deze behandeling als geslaagd mag worden beschouwd, heeft eerder een negatief dan positief effect gehad op de functie van de re. enkel. (...)

Beantwoording van de door u gestelde vragen:

1. Welke zijn uw bevindingen bij anamnese, lichamelijk onderzoek en eventueel hulponderzoek? Welke diagnose(n) stelt u op uw vakgebied? Welke behandelingen werden ingesteld en met welk resultaat?

(...) Status na fibulaschachtfractuur li., welke zonder noemenswaardige objectiveerbare afwijkingen is genezen. Aan de re. enkel heeft zich een luxatiefractuur afgespeeld van de mediale malleolus met uitgebreide weke delen verwonding achter de mediale malleolus en een lapwond van de re. hiel. De mediale malleolusfractuur is genezen met een pseudarthrosis, welke later is hersteld en geconsolideerd, er resteert locale pijn weke delen achter de mediale malleolus en enige bewegingsbeperking van het bovenste spronggewricht met geringe spitsstand. Röntgenologisch zijn er geen aanwijzingen voor een post-traumatische arthrosis van het bovenste spronggewricht, wel enige ossificaties, met name in het mediale compartiment tussen talus en mediale malleolus. Het een en ander moet worden beschouwd als een post-traumatische fibrose in het re. enkelgewricht.

De ingestelde behandelingen staan uitvoerig beschreven bij de samenvatting van de verkregen informatie. Al met al mag gesteld worden dat ondanks alle ingestelde behandelingen het resultaat, en met name het functioneren van de re. enkel, in de loop der tijd slechter is geworden, zonder dat hiervoor een duidelijke verklaring kan worden gegeven. In ieder geval kan uit de bevindingen van het huidige onderzoek en de verkregen informatie niet worden geconcludeerd dat er sprake is geweest van een vegetatieve reactie of een restsituatie na een doorgemaakte dystrofie.

2. Wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven:

a. waaruit de restklachten en/of restverschijnselen bestaan die op medische gronden als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd?

De restklachten staan beschreven onder een aparte alinea "huidige klachten" en de gevonden restverschijnselen staan beschreven bij het "lichamelijk onderzoek". Een deel van de restklachten kan op medische gronden als ongevalsgevolg worden beschouwd. In concreto bestaat op orthopaedisch gebied een afwikkelprobleem in het re. bovenste spronggewricht. De pijnklachten kan ik orthopaedisch gezien niet duidelijk objectiveren.

b. welke van de huidige klachten en/of restverschijnselen naar uw mening reeds voor het ongeval d.d. 16.08.99 bestonden of op enig moment ook zouden (zijn) ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen? Kunt u hierbij een indicatie geven op welke termijn en in welke mate dit dan het geval zou zijn (geweest)?

Betrokkene heeft voor het onderhavige ongeval een enkelbandplastiek li. en re. gehad, waarbij ik uit de anamnese en de verkregen informatie mag opmaken dat ten tijde van het ongeval er eigenlijk geen sprake meer was van restklachten, passend bij de instabiliteit en de restsituatie na de enkelbandplastiek. De huidige orthopaedische bevindingen aan de re. enkel in de zin van de bewegingsbeperking moet als ongevalsgevolg worden beschouwd.

3. Wilt u de mate van functiestoornis (=impairment) op uw vakgebied als gevolg van het ongeval uitdrukken in een percentage van de mens ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokkene voor het ongeval? Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de AMA for permanent impairment (5e editie) of de NOV-richtlijnen? Wilt u zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd en indien van toepassing li. en re. vergelijken?

Het mate van impairment volgens AMA 5e druk is in redelijkheid te stellen op 6% GP, bijdrage van de bewegingsbeperking van de re. enkel.

Onderbouwing: Tabel 17-11, DIP flexie 0/12/35, moderate = 6% GP.

4a. Welke beperkingen stelt betrokkene te ondervinden bij activiteiten van het dagelijks leven, in de vrijetijdsbesteding en bij de beroepsuitoefening (incl. huishoudelijke arbeid)?

Betrokkene stelt ernstige beperkingen te ondervinden bij de activiteiten van het dagelijks leven, vrijetijdsbesteding en beroepsuitoefening, in die zin dat zij afhankelijk is van vele hulpmiddelen, o.a. rolstoel. Korte stukjes kan zij met moeite met elleboogkrukken lopen. Zij kan niet met een afhangend been zitten.

b. Acht u de door betrokkene aangegeven beperkingen aannemelijk op grond van uw onderzoeksresultaten als gevolg van het ongeval?

De aangegeven beperkingen, op grond van mijn orthopaedisch onderzoek en conform de richtlijnen van de AMA en de NOV, kan ik niet volledig aannemelijk maken om dit te duiden als ongevalsgevolg. (...)

d. Wilt u de door u bevestigde beperkingen zo uitgebreid mogelijk omschrijven en zonodig toelichtingen ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

(...) Er is voor wat betreft lopen en staan betreft een licht geringe beperking.

Er is een geringe tot matige beperking voor het lopen op onregelmatig terrein.

Hardlopen matig beperkt.

5. Is er thans sprake van een relatieve of definitieve eindtoestand met betrekking tot de ongevalsgevolgen? Zo neen, verwacht u nog een verbetering dan wel een verslechtering ten opzichte van het huidige toestandsbeeld en op welke termijn kan een eindtoestand wel worden verwacht? In hoeverre zal deze verandering het hierboven genoemde percentage functiestoornis dan wel de door u aangegeven beperkingen nog beïnvloeden?

Er mag gesproken worden van een definitieve eindtoestand voor wat de ongevalsgevolgen betreft. Ik verwacht niet dat er alsnog een post-traumatische arthrosis van de re. enkel zal ontstaan (zie Jeffrey's). Voor het pijnsyndroom bij betrokkene heb ik vanuit mijn optiek geen duidelijke verklaring.

6. Heeft u nog therapeutische suggesties dan wel andere op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van de casus van belang kunnen zijn?

Als therapeutische suggesties voor de bewegingsbeperking in het re. enkelgewricht zou ik in overweging willen geven een geringe hakverhoging of mogelijk een afwikkelvoorziening. Voor het overige valt in het kader van de verzekeringskwestie te overwegen het locale pijnprobleem middels een neurologische expertise vast te leggen.

2.5. Op 4 mei 2006 is [eiseres] door verzekeringsarts F.J. Moet van het UWV gekeurd met het oog op beoordeling van haar aanspraak op een WAO-uitkering. In de rapportage van 4 mei 2006 staat vermeld:

2.2 Gegevens verkregen uit onderzoek

(...) Cliënt heeft met een tussenpoos van anderhalf jaar een arbeidsongeschiktheidsuitkering sedert 09-12-99 op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. (...)

4. Beschouwing

4.1 Algemene mogelijkheden en beperkingen

Cliënt is een 33-jarige vrouw die voltijds werkzaam was als magazijnmedewerkster en die uitviel als gevolg van operaties aan haar enkelbanden. Voordat zij daarvan volledig was hersteld kreeg zij een ongeval met een motor waarbij zij enkele fracturen, o.a. één van de rechter enkel opliep. Na enige tijd is in deze voet dystrofie ontstaan en werd het gebruik ervan steeds moeizamer. Momenteel is ze praktisch rolstoelgebonden, maar bovendien kan ze daar ook maar kort inzitten omdat ze het been na een relatief korte tijd nog hoger moet leggen waarbij ze in feite bijna een liggende positie moet aannemen. Cliënt is voor haar persoonlijke verzorging bovendien afhankelijk van anderen, moet zij het huishouden en de kinderverzorging ook vrijwel geheel overlaten aan haar ouders en is zij niet in staat zich zelfstandig op enige afstand buitenshuis te begeven. Hieruit kan geconcludeerd worden dat zij op micro-, meso- en macroniveau een onvermogen heeft tot voldoende functioneren. Om die reden bestaat er een uitzonderingssituatie als omschreven in de standaard GDBM. (...)

4.2 Prognose

T.a.v. de beperkingen:

Belangrijke veranderingen zijn niet te verwachten. (...)

5. Conclusie

Cliënt heeft op medische gronden vermoedelijk blijvend geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van gangbare arbeid.

2.6. Op 18 oktober 2007 is [eiseres] in het kader van een expertise op gezamenlijk verzoek van partijen onderzocht door psychiater R.J. ten Kate. Ten Kate heeft daarover op 6 november 2007 gerapporteerd. Uit dit rapport oordeelt de rechtbank de volgende passages uit de beantwoording van de vraagstelling relevant:

Er is nu geen sprake meer van een psychiatrische diagnose.

In de periode tussen 2003 en 2007 is er sprake geweest van een posttraumatisch stresssyndroom, thans geheel in remissie, en een chronische aanpassingsstoornis met depressieve stemming en somatisering, thans eveneens geheel in remissie.

Wellicht ten overvloede: de diagnose "pijnstoornis" is niet overwogen. Deze diagnose is van toepassing wanneer, door een al of niet duidelijke somatische aandoening, pijn als centraal symptoom wordt gepresenteerd en deze klacht het functioneren van de patiënt en zijn omgeving beheerst; m.a.w. wanneer er sprake is van duidelijke psychische factoren in het omgaan met de klacht. Hier is bij betrokkene geen sprake van. Na een periode van verwerking heeft betrokkene zich weer constructief op haar leven gericht, is getrouwd, heeft een gezin gesticht. (...)

Op mijn vakgebied is nu geen sprake meer van klachten en/of verschijnselen. De eerder genoemde doorgemaakte psychische klachten zouden niet zijn ontstaan als betrokkene het ongeval niet was overkomen. (...)

De beperkingen die betrokkene ondervindt zijn in andere rapportages uitvoerig te vinden. Al deze beperkingen vloeien voort uit het letsel aan de rechtervoet en -enkel. Er zijn geen beperkingen op grond van een psychiatrisch lijden. (...)

2.7. In een brief van 31 maart 2009 heeft de advocaat van [eiseres] aan psychiater Ten Kate verzocht aan te geven of de door [eiseres] gestelde klachten en beperkingen aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Bij brief van 13 april 2009 heeft Ten Kate als volgt geantwoord:

Ten aanzien van de psychische klachten die betrokkene ontwikkelde in de jaren volgend op het ongeval, en die ten tijde van mijn onderzoek in remissie waren, komt uit het medisch dossier duidelijk naar voren dat die er geweest zijn, reëel waren, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven.

Met betrekking tot de fysieke klachten wordt uit het dossier duidelijk dat die er wel degelijk zijn. In mijn onderzoek en observatie van betrokkene heb ik geen aanwijzingen gevonden voor inbeelding, overdrijving of voorwenden van de klachten. (...)

2.8. Op 11 juli 2008 is [eiseres] onderzocht door revalidatiearts dr. A.J. van Dijk van revalidatiecentrum "het Roessingh" te Enschede. Op 29 juli 2008 heeft Van Dijk gerapporteerd over zijn anamnese, onderzoek, diagnose en prognose. Van Dijk vermeldt in zijn rapport:

Diagnose: Psychoneurofysiologische ontregeling:

1. Chronische pijn:

(...) Bij mevrouw [eiseres] kunnen grofweg drie regio's van chronische pijn worden onderscheiden:

- fors chronisch pijnsyndroom rechteronderbeen, relatief snel na en in relatie tot het ongeval ontstaan; conclusie op basis van (1) geen afname van pijn in herstelfase na ongeval (2) pijntoename bij trillingen; pijn bij aanraken van gebied van de binnenenkel en deel voetzool (3) pijn bij verhoging van de hydrostatische druk (afhangen) in het onderbeen en (4) afwezigheid van verklarende anatomische afwijkingen, en (5) de combinatie met bewegingssturingsproblemen.

- vermoeden op sensitisatie rond de heupen, ontstaan of althans voor het eerst gerapporteerd tijdens haar eerste zwangerschap; conclusie op basis van (1) de aard van de klachten en (2) het ontbreken van anatomische afwijkingen.

- lichte sensitisatie in de rechter schouder (een vorm van chronisch pijnsyndroom), mogelijk uitgaande van AC-gewricht, in relatie tot het ongeval ontstaan; conclusie op basis van (1) aard en uitlokking van de pijn en (2) de klacht van tintelingen.

Voor het ontstaan van de sensitisatie in het onderbeen en in de schouder is het ongeval een noodzakelijke voorwaarde geweest. Voor het voortbestaan (persisteren) van de sensitisatie moet worden gekeken naar zogenaamde onderhoudende factoren. Deze onderhoudende factoren lijken voor het grootste deel in haar eigen persoon te liggen, en minder in haar omgeving.

2. Disuse:

(...) Bij mevrouw [eiseres]:

- disuse is zichtbaar in het rechteronderbeen en bovenbeen, en hangt samen met het ongeval.

- disuse lijkt anamnetisch te bestaan in de heupen (geen duidelijke samenhang met het ongeval) en mogelijk in de rechterschouder (wel samenhang met het ongeval).

Voor het ontstaan van disuse in het onderbeen en in de schouder is het ongeval een noodzakelijke voorwaarde geweest. Voor het voortbestaan (persisteren) van de disuse moet worden gekeken naar zogenaamde onderhoudende factoren. Deze onderhoudende factoren lijken voor het grootste deel in haar eigen persoon te liggen, en minder in haar omgeving.

Diagnose: (Perceptie van) overbelasting:

(...) In het geval van mevrouw [eiseres] lijkt mij op basis van de anamnese en de correspondentie dat chronische pijn aanzienlijk vaker voorkomt dan overbelastingspijn. Dat is ook uiteindelijk waardoor disuse kan optreden. (...)

Prognose?

(...) Over partieel herstel is een prognostische uitspraak te doen. Bijvoorbeeld dat psychoneurofysiologische ontregelingen, althans in principe, herstelbaar zijn, omdat ze berusten op neuroplastische mechanismen (d.w.z. ontregelbare maar ook herprogrammeerbare "neurologische software"). Dergelijk herstel zal afhangen van de mate waarin onderhoudende factoren ongedaan kunnen worden gemaakt. Dat betekent dat in principe ook de (meeste) beperkingen ongedaan kunnen worden gemaakt.

Een prognostische uitspraak over integraal herstel vereist dat alle aspecten van de persoon bij de overwegingen worden betrokken. Hier ben ik somberder, om een aantal redenen (1) Haar eigen opvattingen over wat aan verbetering mogelijk is, zullen door de uitspraken van de behandelsector weinig optimistisch zijn. (2) Zij heeft hard gewerkt, zo blijkt uit de correspondentie, aan acceptatie van de situatie. (3) Een omkering van haar eigen verwachting zal gepaard gaan met een behoorlijke mate van, en mogelijk ook periode van onzekerheid. Dat zou voor haar een ongewis avontuur zijn.

Aangrijpingspunten therapie?

Een eventueel therapeutisch traject, gericht op integraal herstel, zal vooral gericht moeten zijn op opvattingen over mogelijke verbeteringen. Een dergelijk traject vraagt van haar bereidheid tot forse onzekerheid, een soort omkering van de acceptatie van de situatie.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- OVZ te veroordelen aan [eiseres] te betalen het bedrag van EUR 982.511,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de schadedatum zijnde [datum], althans vanaf het moment dat OVZ met de voldoening van de respectievelijke schadecomponenten in verzuim is, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

-te bepalen dat OVZ in geval de Belastingdienst de bedragen of enig deel daarvan welke door OVZ aan [eiseres] zou worden betaald zou belasten met inkomstenbelasting en/of loonbelasting en/of premieheffing op eerste aanmaning van [eiseres] aan haar zal vergoeden, met de bevoegdheid van OVZ om op eigen kosten, maar op naam van [eiseres], het standpunt van de Belastingdienst tot in de hoogste instantie in rechte te bestrijden;

- te bepalen dat bij eventuele wijziging van het stelsel van de WIA die leidt tot een vermindering van de op die wet gebaseerde uitkering van [eiseres], OVZ aan haar tot haar 65e levensjaar jaarlijks een zodanige betaling moet doen dat de negatieve gevolgen van deze vermindering netto zullen worden gecompenseerd;

- OVZ te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. OVZ voert gemotiveerd verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. OVZ heeft volledige aansprakelijkheid erkend voor de schade die [eiseres] heeft geleden ten gevolge van het ongeval dat haar in 1999 is overkomen. De onderhavige procedure ziet vooral op het al dan niet bestaan van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de (huidige) gezondheidsklachten en beperkingen van [eiseres] alsmede de daaruit voortvloeiende omvang van de schade.

4.2. [eiseres] heeft gesteld dat zij door het ongeval klachten en beperkingen ondervindt die maken dat zij blijvend volledig arbeidsongeschikt en verminderd zelfredzaam is geworden. De door haar gevorderde schade omvat de volgende posten:

a. verlies van arbeidsvermogen

b. kosten van huishoudelijke hulp

c. diverse onverzekerde medische kosten

d. extra reiskosten

e. verlies van zelfwerkzaamheid

f. overige schade

g. smartengeld

h. wettelijke rente

i. buitengerechtelijke kosten

4.3. OVZ heeft primair betwist dat [eiseres] blijvend en volledig arbeidsongeschikt en verminderd zelfwerkzaam is. Subsidiair heeft OVZ bestreden dat sprake is van causaliteit met het ongeval. Meer subsidiair heeft OVZ een beroep op de schadebeperkingsplicht van [eiseres] gedaan. Ter onderbouwing van haar verweren heeft OVZ zich gebaseerd op het rapport van revalidatiearts Van Dijk. Gelet op de daarin neergelegde conclusies acht OVZ nader onderzoek door een psychiater en/of revalidatiearts aangewezen.

4.4. De rechtbank zal eerst beoordelen wat de aard en omvang is van de klachten van [eiseres] en of deze in oorzakelijk verband staan met het ongeval. Vervolgens kan - indien sprake is van oorzakelijk verband - worden beoordeeld of en in hoeverre die klachten (blijvende) beperkingen met zich meebrengen, bijvoorbeeld ten aanzien van het vermogen van [eiseres] om loonvormende arbeid te verrichten of zelfredzaam te zijn.

Klachten

4.5. [eiseres] heeft gesteld dat zij door het ongeval tot op heden forse pijnklachten ondervindt en dat in het verleden sprake is geweest van psychische klachten. Ter onderbouwing van het bestaan van voormelde klachten heeft [eiseres] verwezen naar de rapportages van orthopeed Kuipers, psychiater Ten Kate en revalidatiearts Van Dijk. Uit het rapport van orthopeed Kuipers komt naar voren dat sprake is van een posttraumatische fibrose van het rechterenkelgewricht en dat voor het pijnsyndroom geen duidelijke orthopedische verklaring bestaat. Voorts heeft psychiater Ten Kate in zijn rapport vastgesteld dat in de periode tussen 2003 en 2007 sprake is geweest van een posttraumatisch stresssyndroom en een chronische aanpassingsstoornis met depressieve stemming en somatisering, die ten tijde van het psychiatrisch onderzoek geheel in remissie waren en [eiseres] niet zouden zijn overkomen zonder het ongeval. De (psychiatrische) diagnose pijnstoornis is volgens psychiater Ten Kate niet aan de orde. Psychiater Ten Kate heeft geen aanwijzingen gevonden dat de fysieke klachten door [eiseres] zijn ingebeeld of voorgewend. Revalidatiearts Van Dijk ten slotte concludeert in zijn rapport dat sprake is van een fors chronisch pijnsyndroom aan het rechteronderbeen en lichte sensitisatie in de rechterschouder (een vorm van een chronisch pijnsyndroom). Het bestaan van de in voormelde rapportages beschreven klachten, en de door voormelde medisch deskundigen daaraan verbonden diagnoses, zijn door OVZ niet betwist. De rechtbank zal er dan ook uitgaan van deze klachten en diagnoses.

Causaal verband

4.6. De rechtbank stelt vast dat OVZ het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de in het verleden door [eiseres] doorgemaakte psychische klachten niet betwist. Wel bestrijdt OVZ het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de thans nog bestaande pijnklachten. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

4.7. Volgens [eiseres] zijn de pijnklachten een rechtstreeks gevolg van het ongeval dat haar is overkomen. [eiseres] kende de klachten voor het ongeval niet, hetgeen wordt bevestigd door de beschikbare medische informatie. Voorts wijten zowel psychiater Ten Kate als revalidatiearts Van Dijk de klachten aan het ongeval. De klachten kunnen op zich door het ongeval zijn veroorzaakt en een alternatieve verklaring voor het bestaan daarvan ontbreekt. Dat voor deze klachten geen medisch substraat is gevonden en het (voort)bestaan van deze klachten het gevolg zou zijn van somatiseren door [eiseres], betekent niet dat het causaal verband tussen deze klachten en het ongeval ontbreekt. [eiseres] acht toepassing van de "omkeringsregel" op zijn plaats, waardoor het volgens haar aan OVZ is om aan te tonen dat de klachten ook zonder ongeval zouden zijn ontstaan. Mocht de bewijslast voor rekening van [eiseres] komen, dan geldt dat aan het oorzakelijk verband tussen de pijnklachten en het ongeval volgens vaste jurisprudentie geen al te hoge eisen mogen worden gesteld.

4.8. OVZ heeft bestreden dat sprake is van causaal verband tussen de pijnklachten van [eiseres] en het ongeval. Daartoe heeft OVZ aangevoerd dat de gevolgen van het ongeval beperkt zijn tot een dubbele enkelfractuur aan het rechterbeen, wat psychiatrische klachten en enige resterende pijnklachten. Uit de beschikbare medische informatie blijkt dat geen medische verklaring voor de pijnklachten kan worden gevonden en dat er factoren zijn die het bestaan van die klachten onderhouden en zelfs in de loop der tijd hebben verergerd. Factoren die niets (meer) met het ongeval van doen hebben, hebben het beloop van de klachten van [eiseres] aldus overgenomen. OVZ heeft zich op het standpunt gesteld dat de "omkeringsregel" zich niet uitstrekt tot de omvang van de schade en dat de omvang van de schade door [eiseres] moet worden aangetoond of aannemelijk moet worden gemaakt.

4.9. De rechtbank ziet aanleiding om eerst in te gaan op de stelplicht en bewijslast betreffende het causaal verband tussen de pijnklachten en het ongeval. De rechtbank stelt voorop dat het ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [eiseres] is om te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat zij ten gevolge van het ongeval pijnklachten ondervindt. Voor toepassing van de "omkeringsregel", die anders dan [eiseres] kennelijk meent niet leidt tot een "echte" omkering van de bewijslast (met inbegrip van het daarbij behorende bewijsrisico) maar tot de behoudens tegenbewijs voorshandse aannemelijkheid van causaal verband, is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats. De "omkeringsregel" heeft immers betrekking op het conditio sine qua non verband en niet op de door [eiseres] bij betwisting aannemelijk te maken gevolgen van het ongeval, zoals ook OVZ heeft opgemerkt. Dat neemt niet weg dat, zoals ook door [eiseres] is aangevoerd, indien door overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm een ongeval heeft plaatsgevonden en door het slachtoffer het bestaan van pijnklachten is aangetoond, aan het oorzakelijk verband tussen het ongeval en die klachten geen al te hoge eisen mogen worden gesteld.

4.10. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] heeft bewezen dat de door haar ervaren pijnklachten het gevolg zijn van het ongeval. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat door OVZ niet is betwist dat de klachten pas na het ongeval zijn ontstaan en ook de conclusies van revalidatiearts Van Dijk, meer in het bijzonder dat het chronisch pijnsyndroom in relatie tot het ongeval is ontstaan, door OVZ niet zijn bestreden. Gelet hierop staat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring (vanuit orthopedische of psychiatrische optiek) voor dit pijnsyndroom niet in de weg aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband met het ongeval geleverd is (HR 8 juni 2001, NJ 2001/433). Ook het enkele feit dat het voortbestaan van de pijnklachten (al dan niet mede) het gevolg zou kunnen zijn van onderhoudende factoren die grotendeels in de persoon van [eiseres] zijn gelegen, betekent niet dat het (juridisch relevant) causaal verband tussen deze klachten en het ongeval ontbreekt (Hof Leeuwarden 10 augustus 2010, LJN: BN3975). In dit verband wijst de rechtbank erop dat bij een onrechtmatige daad vanwege overtreding van verkeers- of veiligheidsnormen waardoor letsel is ontstaan, rekening moet worden gehouden met ernstige gevolgen en dat het enkele feit dat deze gevolgen niet in de normale lijn der verwachtingen liggen niet aan toerekening van deze gevolgen aan de onrechtmatige daad in de weg staat. Ook indien sinds het ongeval optredende pijnklachten (mede) blijven voortbestaan door in de persoon gelegen factoren, dienen deze klachten derhalve in beginsel aan de veroorzaker van het ongeval (de verzekerde van OVZ) te worden toegerekend. Dat is anders bij bijzondere omstandigheden. Te denken valt aan het geval dat ook zonder ongeval vergelijkbare gezondheidsklachten zouden zijn ontstaan, hetgeen in dit geval gesteld noch gebleken is. De in de persoon gelegen onderhoudende factoren kunnen, voor zover de betrokkene daarvan in redelijkheid een verwijt te maken valt, wel een factor vormen waarmee rekening valt te houden bij de (hierna nog te bespreken) begroting van de schade.

Beperkingen

4.11. De rechtbank staat vervolgens voor de vraag in hoeverre de klachten van [eiseres] haar vermogen om loonvormende arbeid te verrichten en zelfredzaam te zijn blijvend beperken.

4.12. [eiseres] heeft gesteld dat zij ten gevolge van haar klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. [eiseres] heeft zich ter onderbouwing van dit standpunt gebaseerd op het, naar aanleiding van een WAO-herbeoordeling opgesteld, verzekeringsgeneeskundige rapport (inclusief belastingprofiel) van UWV-verzekeringsarts F.J. Moet van 4 mei 2006, waarin is geconcludeerd dat op medische gronden vermoedelijk blijvend geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van gangbare arbeid bestaan en dat belangrijke veranderingen niet zijn te verwachten. Daarnaast heeft [eiseres] zich beroepen op het rapport (inclusief belastingprofiel) van 8 april 2009 van verzekeringsarts A.E. Vuursteen, verbonden aan Ausems Kerkvliet Arbeidsmedisch Adviseurs, en het rapport van 28 april 2009 van arbeidsdeskundige R. Dragt, verbonden aan Roel Dragt Arbeidsintegratie.

4.13. OVZ heeft betwist dat [eiseres] blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. Daartoe heeft OVZ aangevoerd dat, zoals blijkt uit het rapport van revalidatiearts Van Dijk, geen sprake is van een medische eindtoestand. Indien [eiseres] zich daarvoor inspant is het mogelijk dat de factoren die de klachten onderhouden kunnen worden weggenomen, waardoor ook de door [eiseres] ervaren klachten en beperkingen zullen verdwijnen, hetgeen leidt tot een sterk vergrote inzetbaarheid van [eiseres].

4.14. De rechtbank stelt vast dat OVZ de door [eiseres] gestelde, door NRL tot 1 januari 2006 berekende inkomensschade ad EUR 27.282,93, waarbij gegevens van de verstrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door het UWV zijn betrokken, heeft erkend. De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door het UWV en de door verzekeringsarts Moet en verzekeringsarts Vuursteen opgestelde belastbaarheidsprofielen, die volledig met elkaar overeenstemmen afgezien van het onderdeel trappenlopen waar verzekeringsarts Vuursteen [eiseres] zwaarder beperkt acht dan verzekeringsarts Moet, is door OVZ ook overigens niet (voldoende) betwist.

4.15. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of de huidige gezondheidstoestand van [eiseres] ongewijzigd zal blijven en ook voor de toekomst sprake zal zijn van blijvend volledige arbeidsongeschiktheid. Gezien de tegenstrijdige visies van de deskundigen waar partijen in dit verband een beroep op doen, te weten de visie van verzekeringsarts Moet dat vermoedelijk sprake is van een blijvende situatie en belangrijke veranderingen niet te verwachten zijn en de visie van revalidatiearts Van Dijk die ruimte ziet voor herstel dan wel (gedeeltelijke) ongedaanmaking van de beperkingen voortvloeiende uit het pijnsyndroom, is de rechtbank van oordeel dat hieromtrent nader onderzoek nodig is. [eiseres] heeft het verrichten van nader onderzoek als zodanig niet betwist, maar is van mening dat een nieuw expertisetraject en/of een nieuw revalidatietraject niet van haar kan worden gevergd. Indien uit het nader te verrichten onderzoek echter naar voren komt dat in de toekomst gunstige veranderingen te verwachten zijn na een eventuele nieuwe medische behandeling of nieuw revalidatietraject, dan mag naar het oordeel van de rechtbank - mede gelet op de forse omvang van de door haar ingestelde vordering - in beginsel van [eiseres] worden verwacht dat zij zich, voor zover dat redelijk is, daarvoor inspant. De vraag of het redelijk is een dergelijke inspanning van [eiseres] te vergen, is onder meer afhankelijk van het bestaan van eventuele therapeutische mogelijkheden, het te verwachten resultaat daarvan en de aard, looptijd en belasting van die mogelijkheden. Daarover behoeft de rechtbank duidelijkheid alvorens zij in staat is om deze vraag te kunnen beantwoorden. In dit stadium mag in elk geval van [eiseres] worden verlangd dat zij aan het nader uit te voeren onderzoek haar medewerking verleent.

4.16. De rechtbank heeft derhalve behoefte aan een deskundigenbericht aangaande de vraag of de huidige gezondheidssituatie en de volledige arbeidsongeschiktheid van [eiseres] blijvend is en/of veranderingen, in gunstige of ongunstige zin, zijn te verwachten na een eventuele nieuwe medische behandeling of nieuw revalidatietraject (en welke behandeling of welk traject dat dan zou moeten zijn). Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n) dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.17. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat benoeming van een (met de civiele praktijk bekende) revalidatiearts of een verzekeringsgeneeskundige, desgewenst bijgestaan door één of meer hulponderzoekers, in de rede ligt. Aan een deskundigenbericht van een psychiater heeft de rechtbank vooralsnog geen behoefte. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft psychiater Ten Kate in 2007 reeds een expertise verricht en de resultaten daarvan noch de bevindingen van revalidatiearts Van Dijk geven naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om een nader psychiatrisch onderzoek te gelasten. De rechtbank sluit echter niet uit dat zij in het onderzoek van de te benoemen deskundige(n) alsnog aanleiding ziet een dergelijk onderzoek te gelasten.

4.18. Nu de aansprakelijkheid vast staat dient op grond van artikel 6:96 BW het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door OVZ te worden gedeponeerd.

4.19. Om redenen van proceseconomische aard zal de rechtbank tussentijds hoger beroep van dit vonnis toestaan.

4.20. Verder zal iedere beslissing worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 13 juli 2011 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht als vermeld in rechtsoverweging 4.16,

5.2. bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.