Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR2920

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
182217 - HA ZA 11-227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid rechtbank ten aanzien van vordering tot betaling advocatendeclaraties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 182217 / HA ZA 11-227

Vonnis in incident van 22 juni 2011

in de zaak van

de burgerlijke maatschap

[A],

tevens h.o.d.n. [bedrijf] Advocaten,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. N.P. Scholte te Zutphen.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. In de hoofdzaak vordert [A] veroordeling van [B] tot betaling van EUR 9.942,42 te vermeerderen met rente en kosten. De vordering is door [A] gebaseerd op door [B] onbetaald gelaten facturen die zien op het verrichten van juridische werkzaamheden door [A] in opdracht en voor rekening van [B].

2.2. [B] vordert in incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, met veroordeling van [A] in de proceskosten. [B] heeft hiertoe gesteld dat [A] op grond van artikel 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) een begrotingsprocedure bij de Raad van Toezicht had moeten volgen, aangezien hij, [B], de (hoogte van de) ontvangen declaraties betwist.

2.3. [B] heeft in zijn incidentele conclusie gesteld dat hij niet of onvoldoende door [A] is voorgelicht ten aanzien van zijn recht op gefinancierde rechtsbijstand. [A] is hierdoor - aldus [B] - jegens hem toerekenbaar tekortgeschoten en hij betwist daarom enig bedrag aan Van Eerten verschuldigd te zijn. [B] betwist tevens de hoogte van de declaraties en stelt onder meer dat deze dienen te worden gematigd tot een bedrag gelijk aan de eigen bijdrage die hij had dienen te betalen als voor hem in 2008 een toevoeging was aangevraagd.

2.4. [A] voert verweer. Zij stelt zich primair op het standpunt dat [B] heeft toegezegd de declaraties te zullen betalen en daarmee de verschuldigdheid ervan heeft erkend, zodat geen sprake (meer) kan zijn van een geschil over de hoogte van de declaraties. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst [A] naar een e-mail van [B] aan [A] d.d. 27 september 2010, in het bijzonder naar de passage over voldoening van declaraties. Subsidiair stelt [A] dat [B] niet alleen de hoogte van de declaraties maar ook de verschuldigdheid ervan betwist met als grondslag een vermeende toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [A] in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. [A] concludeert dat dit een civielrechtelijk verwijt betreft en daarom niet de Raad van Toezicht maar juist de civiele rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

2.5. De rechtbank overweegt ten aanzien van het primaire verweer het navolgende. In zijn e-mail d.d. 27 september 2010 schrijft [B]:

(...) "Op dit moment kunnen wij uw rekening eventjes niet voldoen omdat het onderzoeksrapport, hetgeen wij zelf hebben moeten uitvoeren ook al zeer hoge kosten met zich meegebracht heeft, maar uw factuur wordt uiteraard betaald al kunnen wij niet al uw rekening gebrachte posten traceren".

Weliswaar zegt [B] dat hij de betreffende factuur zal betalen, hij geeft echter gelijktijdig aan dat hij niet alle in rekening gebrachte posten kan traceren. Hieruit kan daarom niet zondermeer worden afgeleid dat [B] akkoord gaat met alle in rekening gebrachte posten temeer daar [B] kort daarna in een brief d.d. 26 oktober 2010 posten op de openstaande facturen uitdrukkelijk betwist. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat [B] de verschuldigdheid van de declaraties heeft erkend.

2.6. Ten aanzien van het subsidiaire verweer overweegt de rechtbank dat onder een "verschil over het salaris, door den advocaat aan den cliënt berekend" in de zin van artikel 32 WTBZ moet worden verstaan een geschil over de hoogte van het bedrag van de declaratie. De Raad van Toezicht - en eventueel de in artikel 35 lid 1 WTBZ bedoelde rechter - dient te beoordelen of de advocaat zijn declaratie overeenkomstig het voorschrift van art. 30 WTBZ heeft berekend naar de mate van het belang en de moeilijkheid van de zaak alsmede van de daaraan bestede tijd, waarbij ook de in artikel 35 lid 2 WTBZ genoemde factoren in de beoordeling moeten worden betrokken. Alleen in geval van een geschil over de hoogte van het bedrag van de declaratie kunnen de artikelen 32-40 WTBZ worden toegepast. De voornoemde artikelen gelden dus niet indien er andere gronden worden aangevoerd waarom de declaratie niet wordt betaald.

2.7. [B] heeft zich ter bestrijding van de declaratie zowel beroepen op verweren die niet zien op de hoogte van de declaratie (wanprestatie, verschuldigdheid) als op een verweer dat wel ziet op de hoogte van de declaratie. In een situatie als deze staat het een advocaat vrij zich te wenden tot de burgerlijke rechter opdat deze allereerst de verweren beoordeelt waaraan los van het geschil omtrent de redelijkheid van de omvang van de declaratie betekenis toekomt, ook indien deze verweren (wanprestatie, verschuldigdheid) nog een (zijdelings) effect zouden kunnen hebben op de omvang van de declaratie. De burgerlijke rechter zal zich niet aanstonds onbevoegd mogen verklaren. Zijn eventuele onbevoegdheid ingevolge de in de artikelen 32-40 WTBZ neergelegde bijzondere rechtsgang zal eerst in de loop van het geding in de hoofdzaak aan de orde komen als het gaat over de beoordeling van de redelijkheid van de omvang van de declaratie.

2.8. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, daar de aangevoerde gronden de vordering niet kunnen dragen.

2.9. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 augustus 2011 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.