Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR2888

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
174660 - HA ZA 10-1104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weghalen en verkopen van tweeopleggers door schuldeiser op of omstreeks datum faillissement. Vraag of sprake is van zekerheidsoverdracht door schuldenaar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2012/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 174660 / HA ZA 10-1104

Vonnis van 6 juli 2011

in de zaak van

[eiser]

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [woonplaats]se Transport Onderneming B.V.,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. P.A.M. Manning te Zwolle,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf A],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. D.J. Brugge te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] q.q. en [gedaagde] c.s. worden genoemd. Gedaagden afzonderlijk zullen worden aangeduid als [gedaagde] en [bedrijf A]. Balkbrugse Transport Onderneming B.V. zal BTO worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede gezien de inhoud van de overgelegde en in zoverre onbestreden gebleven bescheiden, het volgende vast.

2.2. BTO is bij vonnis d.d. 28 maart 2008 in staat van faillissement verklaard. [eiser] q.q. is daarbij benoemd tot curator.

2.3. Tot aan het faillissement exploiteerde BTO een transportbedrijf.

2.4. [gedaagde] is bestuurder van [bedrijf A].

2.5. [bedrijf B] was een vennootschap van de heer [B].

2.6. [bedrijf A] was met [bedrijf B] oprichter van BTO. Zij hielden ieder voor zich 50% van de aandelen in BTO en zij waren gezamenlijk bestuurder van BTO tot 29 september 2006. Op dat moment verkocht [bedrijf A] haar belang in BTO aan [bedrijf B] voor een bedrag van EUR 1,00.

2.7. Na 29 september 2006 zijn de bedrijfsactiviteiten van BTO voortgezet door [bedrijf B] als enig bestuurder en aandeelhouder.

2.8. [bedrijf A] hield na 29 september 2006 een vordering op BTO ad circa EUR 50.000,00 -volgens [eiser] q.q.-, althans EUR 55.000,00 -volgens [gedaagde] c.s.-, wegens het daarvoor door [bedrijf A] in BTO geïnvesteerde kapitaal.

2.9. De heer [C] was tot aan het faillissement bedrijfsleider bij BTO.

2.10. [gedaagde] heeft de opleggers van het terrein van BTO gehaald op of omstreeks de datum van het faillissement van BTO en heeft deze vervolgens verkocht.

2.11. [C] heeft op 17 april 2008 een verklaring afgelegd met betrekking tot zijn werkzaamheden binnen BTO. Hij heeft daarbij onder meer het navolgende verklaard:

"(...) Toen ik bij het bedrijf in dienst trad waren er twee eigenaren. Dat waren de heer [B] en de heer [gedaagde]. In september 2006 heeft [gedaagde] aangegeven dat hij wat anders wilde. Hij heeft toen het bedrijf verlaten. Ik weet dat hij zijn pakket aandelen heeft verkocht voor EUR 1,00. Achteraf weet ik dat [gedaagde] een lening in BTO had zitten. Het pakket aandelen is verkocht voor EUR 1,00 onder die voorwaarde dat die lening afgelost zou worden. Toen [gedaagde] wegging heb ik een andere functie gekregen. (...)

[B] werd in de periode van juli/augustus/september ziek. (...) In januari is die als gevolg van die ziekte overleden, dat was op 6 januari 2008.

Voor de werknemers veranderde niet zoveel. Ik merkte wel dat derden, zoals het leasebedrijf TLV lease aan de deur kwam. (...)

Eén van de personen die zich ook kwam melden was de heer [gedaagde]. Ik hoorde toen ook echt inhoudelijk van de hoogte van de lening en de afspraken die daarmee gemoeid waren. (...)

In eerste instantie hield ik de boot een beetje af. (...)

Op een wat later moment kwamen wij in gesprek. Het was in februari dat de leasemaatschappij TLV vier trekkers en drie opleggers terug haalde. Om het mooi te zeggen zag TLV lease het niet zitten met het nieuwe bestuur van BTO.

Toen begon [gedaagde] ook vaker langs te komen. Hij wilde afspraken maken met betrekking tot zijn geld, ik bedoel dan de lening. Ik had daarover contact met de vrouw van [B]. (...) Ze vroeg mij om het maar te regelen.

Ik ben toen in gesprek gegaan met [gedaagde]. We zijn toen tot een mondelinge afspraak gekomen met betrekking tot een soort Sale en Lease Back constructie. Dit hield inhoudelijk het volgende in: het overschrijvingsbewijs van twee opleggers heeft [gedaagde] meegekregen als onderpand. We zouden die twee trailers dan als het ware terug huren om zijn lening af te lossen. De grote van zijn lening was toen iets van EUR 50.000,00. Althans dat is wat [gedaagde] vertelde.

Het waren twee trailers waarvan [gedaagde] de overschrijvingsbewijzen heeft gekregen, die volledig eigendom waren van BTO. (...) De werkelijke waarde schat ik op rond de EUR 6.000,00 per stuk. (...) De normale kentekenbewijzen zaten bij deze trailer. Deze zitten in een koker onder de koelmotor.

Het is allemaal bij een mondelinge afspraak gebleven. Van de zogenaamde Sale en Lease Back constructie is niets op papier gekomen. Op het moment van die afspraak was [gedaagde] in het geheel niet meer werkzaam in het bedrijf. (...) Van de afspraak met de Sale en Lease Back constructie was ik alleen op de hoogte. (...)

Toen wij op zaterdagochtend 29 maart 2008 nog bij BTO kwamen bemerkten wij dat er trailers weg waren. Het waren in totaal drie trailers. Twee ervan zijn de trailers waarvan [gedaagde] het overschrijvingsbewijs had. (...)"

2.12. [gedaagde] heeft op 26 mei 2008 een verklaring afgelegd met betrekking tot de vermissing van een tweetal koelopleggers. Hij heeft daarbij het navolgende verklaard:

"(...) Ik kan u verklaren dat er in het geheel geen sprake is van diefstal van de opleggers.

In het verleden ben ik mede eigenaar geweest van BTO. Ik ben daar eind september 2006 uitgestapt. (...)

Ik heb toen de BTO B.V. en de FTO B.V. overgedaan aan de heer [B]. Hij heette [B] van voren. Ik zou in ruil voor de overdracht van de B.V.'s mijn privé geld terug krijgen. Het ging om een bedrag van ongeveer EUR 55.000,00.

In de tijd daaropvolgend heb ik ongeveer EUR 2.000,00 per maand aan aflossing terug krijgen. Dat heeft vijf maanden geduurd en toen ontving ik niets meer. Ik ben toen naar [B] toegegaan. [B] was toen ziek, hij had kanker. Ik heb het daarom even op zijn beloop gelaten. [B] is in januari 2008 overleden. Mijn gesprekspartners waren toen [vrouw van B] en [C].

De mondelinge afspraak werd gemaakt dat ik de overschrijvingsbewijzen zou krijgen. Verder was de afspraak dat er een soort Lease contract zou ontstaan. Zij zouden maandelijks aan hun financiële verplichting gaan voldoen. Als ze niet zouden betalen zou ik de eigenaar zijn van de koelopleggers, daarom heb ik de overschrijvingsbewijzen gekregen. Ik heb die overschrijvingsbewijzen gekregen van [C].

Ik was in het begin van dit jaar niet op de hoogte van de financiële toestand van BTO. Omdat ik niet betaald kreeg besloot ik de koelopleggers op een gegeven moment op te halen. Ik wist waard e koelopleggers stonden. (...)

Ik heb een vrachtauto geleend en heb de koelopleggers opgehaald. Ik heb twee koelopleggers opgehaald. Ik heb deze gestald bij een kennis in Ruinerwold. (...) De koelopleggers zijn vanuit dat adres verkocht aan de heer [D]. (...) Ik heb beide koelopleggers verkocht voor een bedrag van EUR 10.000,00 exclusief BTW. Dit is voor beide koelopleggers samen. (...)

Van de politie heb ik inmiddels vernomen dat ik niet vervolgd gaat worden. Dat betekent dat er geen vervolging plaatsvindt voor diefstal of verduistering.

Dit klopt ook, want de koelopleggers waren van mij. Ik had de overschrijvingsbewijzen. De koelopleggers waren het onderpand voor een openstaande vordering."

3. Het geschil

3.1. [eiser] q.q. vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] c.s. tot betaling van EUR 10.000,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [eiser] q.q. legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] c.s. onrechtmatig, althans paulianeus heeft gehandeld door twee opleggers van BTO te ontvreemden en te verkopen.

3.3. [gedaagde] c.s. voert verweer en betwist de stelling van [eiser] q.q. dat [gedaagde] c.s. geen eigenaar van de bedoelde opleggers zou zijn. [gedaagde] c.s. stelt dat zij gerechtigd was de opleggers van het terrein van BTO te halen en te verkopen. Zij stelt voorts dat zij geenszins paulianeus heeft gehandeld.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] q.q. vordert betaling door [gedaagde] c.s. van een bedrag van EUR 10.000,00. Hij legt hieraan onder meer ten grondslag dat [gedaagde] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door een tweetal opleggers van BTO omstreeks de datum van faillietverklaring van het terrein van BTO te halen en deze te verkopen. [gedaagde] c.s. betwist dit door te stellen dat zij als eigenaar gerechtigd was de opleggers van het terrein te halen en te verkopen.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] c.s. geen eigenaar van de opleggers is geworden. Zij overweegt daartoe dat uit art. 3:84 lid 1 BW volgt dat voor de overdracht van een goed een levering krachtens een geldige titel, verricht door iemand die bevoegd is om over het goed te beschikken, is vereist. Uit art. 3:84 lid 3 BW blijkt vervolgens dat een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid of die de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen geen geldige titel is voor de overdracht van dat goed.

4.3. [eiser] q.q. stelt dat er geen geldige titel voor de overdracht van de opleggers is geweest nu de overdracht zou strekken tot zekerheidsstelling ex art. 3:84 lid 3 BW. [gedaagde] c.s. betwist dit door te stellen dat een volledige eigendomsoverdracht is beoogd door partijen.

4.4. Partijen beroepen zich in verband met de geldigheid van de titel van de overdracht van de opleggers in het bijzonder op de bij dagvaarding als productie 2 en 3 overgelegde verklaringen van [gedaagde] en [C]. [eiser] q.q. voert aan dat uit deze verklaringen zou blijken dat er sprake is geweest van een situatie als bedoeld in art. 3:84 lid 3 BW. [gedaagde] c.s. geeft echter een tegenovergestelde lezing van de verklaringen en stelt dat uit de verklaringen van partijen zou volgen dat de bedoeling van partijen een werkelijke overdracht van de opleggers was.

4.5. Anders dan [gedaagde] c.s. stelt, kan de rechtbank voormelde verklaringen bezwaarlijk anders verstaan dan dat [gedaagde] en [C] met de overdracht van de opleggers een vorm van zekerheidsstelling hebben bedoeld. De rechtbank baseert haar oordeel in het bijzonder op de zinsnede in de verklaring van [gedaagde] die als volgt luidt: "Als ze niet zouden betalen zou ik de eigenaar zijn van de koelopleggers, daarom heb ik de overschrijvingsbewijzen gekregen". Deze frase, waaromtrent [gedaagde] c.s. overigens geen andere, dan wel nadere uitleg heeft gegeven, in samenhang met de overige tekst van de verklaring van [gedaagde] en de verklaring van [C] brengt de rechtbank tot het oordeel dat er sprake was van een vorm van zekerheidsstelling en dat dit ook de bedoeling van partijen is geweest. Hun wellicht gebrekkige juridische kennis en derhalve, volgens [gedaagde] c.s., op sommige onderdelen ongelukkige woordkeuze doen daaraan niet af en wat daar verder ook van zij, deze aspecten spelen zeker voor wat betreft deze frase naar het oordeel van de rechtbank geen enkele rol.

4.6. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat [gedaagde] c.s. in haar conclusie van dupliek onder punt 7 het volgende heeft aangegeven: "[gedaagde] behoefde in geval van wanprestatie van de zijde van BTO, namelijk niet betalen van het restant van de vordering, op basis van de gemaakte afspraken enkel de opleggers op te halen om daarover vrijelijk te kunnen beschikken." Deze stelling wijst eveneens meer op zekerheidsstelling dan op volledige eigendomsoverdracht. Uit deze stelling volgt immers ook dat [gedaagde] de opleggers pas te gelde zou maken indien de lening niet (meer) door BTO werd terugbetaald.

4.7. Nu [gedaagde] c.s. geen eigenaar van de opleggers is geworden, heeft zij inbreuk op het eigendomsrecht van BTO gemaakt door de aan BTO toebehorende opleggers van het terrein van BTO weg te nemen en te verkopen.

4.8. Tussen partijen is voorts in geschil of [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van het wegnemen en het verkopen van de opleggers.

[eiser] q.q. heeft aangevoerd dat dit wel het geval is, omdat [gedaagde] ook als privépersoon ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [gedaagde] c.s. heeft betwist dat [gedaagde] in persoon aansprakelijk is, omdat [gedaagde] steeds gehandeld zou hebben als bestuurder van [bedrijf A].

4.9. [gedaagde] is enig bestuurder van [bedrijf A]. Een bestuurder kan in beginsel niet in persoon worden aangesproken voor het handelen of nalaten van de rechtspersoon. Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien de bestuurder persoonlijk een hem toe te rekenen onrechtmatige daad pleegt tegenover de wederpartij, of, anders gezegd, indien hem ter zake van de schade persoonlijk een ernstig verwijt treft.

De geldlening die in deze procedure aan de orde is, is door [bedrijf A] en niet door [gedaagde] privé aan BTO verstrekt, zoals blijkt uit de door [eiser] q.q. als bijlage 7 overgelegde jaarrekening van BTO per 31 juli 2006. De handelingen die [gedaagde] met betrekking tot de opleggers heeft verricht en die tot doel hadden dat de lening aan [bedrijf A] zou worden terugbetaald, moeten daarom worden beschouwd als handelingen van [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf A]. [eiser] q.q. heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt treft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] niet persoonlijk aansprakelijk is voor de schade.

4.10. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verweten handelingen uitsluitend aan [bedrijf A] kunnen worden toegerekend en dat als niet betwist is komen vast te staan dat (de boedel van) BTO ten gevolge van het wegnemen en verkopen van de opleggers schade heeft geleden, die eveneens aan [bedrijf A] kan worden toegerekend.

4.11. Uit het voorgaande volgt dat de vordering kan worden toegewezen voor zover deze betrekking heeft op [bedrijf A] en moet worden afgewezen voor zover deze is ingesteld jegens [gedaagde].

4.12. [bedrijf A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] q.q. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 73,89

- griffierecht 314,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.291,89

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [bedrijf A] om aan [eiser] q.q. te betalen een bedrag van EUR 10.000,00 (tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van EUR 10.000,00 vanaf 27 april 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] q.q. tot op heden begroot op EUR 1.291,89,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011.