Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR2718

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
176897 / HA ZA 10-1398
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag wie partij zijn bij overeenkomst tot verrichten van diensten door advocaat. Advocaat en rechtsbijstandsverzekeraar of advocaat en verzekerde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 176897 / HA ZA 10-1398

Vonnis van 13 juli 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DRIEHOEK ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres,

advocaat mr. H.E. Davelaar te Zwolle,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. R. Bosma te Assen.

Partijen zullen hierna Driehoek en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- akte uitlating producties van Driehoek

- antwoordakte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In 2005 heeft [gedaagde] zich in verband met een arbeidsgeschil gewend tot zijn rechtsbijstandverzekeraar (verder: DAS). DAS heeft in november 2005 een loonvorderingsprocedure bij de kantonrechter aanhangig gemaakt, waarna door Eureco in reconventie meerdere tegenvorderingen zijn ingesteld.

2.2. Begin maart 2006 heeft [gedaagde] zich tot Driehoek gewend in verband met zijn procedure tegen Eureca. [gedaagde] heeft ervoor gekozen om zich niet langer bij te laten staan door DAS, maar om voor eigen rekening zijn belangen te laten behartigen door mr. [A], als advocaat werkzaam bij Driehoek. De facturen van Driehoek in verband met de verrichte werkzaamheden zijn door [gedaagde] voldaan.

2.3. Tegen het vonnis van de kantonrechter, waarin de vordering in conventie van [gedaagde] is toegewezen en de reconventionele vorderingen van Eureca grotendeels zijn afgewezen, is door Eureca hoger beroep ingesteld.

2.4. Bij brief van 19 december 2006 heeft mr. [A] aan DAS bericht dat [gedaagde] voor de appelprocedure een beroep wenst te doen op zijn rechtsbijstand-verzekering.

2.5. DAS heeft bij brief van 9 januari 2007 het volgende - voor zover van belang - aan Driehoek bericht:

In reactie op uw schrijven van 19 december 2006 kan ik u thans berichten dat, na telefonisch overleg met (de echtgenote van) verzekerde is besloten om de (verdere) behandeling van deze zaak (derhalve in de appelprocedure) aan u uit te besteden. De reden hiervoor is gelegen in het geldende procesmonopolie. Ik verzoek u hierbij dan ook de belangen van verzekerde te behartigen.

(...)

Indien u deze opdracht aanvaardt, verzoek ik u om een inschatting te maken van de door u aan deze zaak te besteden tijd. Tenzij ik in andere zin van u verneem ga ik ervan uit dat u een uurtarief van EUR 137,00 (excl. BTW en kantoorkosten) hanteert.

Om voldoende zicht te houden op de ontwikkeling van de externe uitgaven verzoek ik u met enige regelmaat tussentijds, in ieder geval per kwartaal, te declareren. (...)

Op de rechtsbijstandsverzekering is een kostenmaximum van EUR 12.500,00 (inclusief BTW) van toepassing. Dit houdt in dat alle externe kosten zoals uw honorarium, expertisekosten, griffierechten, proceskosten etc. tot voornoemde limiet zullen worden vergoed. Wanneer deze kosten de limiet overstijgen, zal het meerdere door verzekerde zelf moeten worden voldaan. In verband hiermee verzoeken wij u uitdrukkelijk om ook verzekerde regelmatig tussentijds te informeren omtrent het kostenverloop, met name op die momenten waarop redelijkerwijs vermoed kan worden dat het kostenmaximum zal worden overschreden.

(...).

2.6. Op 19 januari 2007 heeft mr. [A] de brief van DAS van 9 januari 2007 per e-mail aan [gedaagde] gezonden.

2.7. Bij brief van 19 januari 2007 heeft mr. [A] aan DAS bericht dat hij graag de door DAS aan hem verleende opdracht om [gedaagde] bij te staan in de appèlprocedure aanvaardt. Daarnaast heeft mr. [A] vermeld dat zijn uurtarief EUR 195,00, exclusief 6% kantoorkosten en BTW bedraagt. Deze brief is per e-mail aan [gedaagde] gezonden.

2.8. Het gerechtshof Arnhem heeft op 10 juni 2008 arrest gewezen, waarbij [gedaagde] grotendeels in het ongelijk is gesteld. [gedaagde] is - kort gezegd - veroordeeld tot betaling van een schadeloosstelling van EUR 7.897,50, een boete van EUR 50.000,-- en de proceskosten in hoger beroep.

2.9. Op 11 maart 2008 heeft DAS een brief aan [gedaagde] gestuurd, waarin - voor zover van belang - het volgende is opgenomen.

(...)

Op uw rechtsbijstandverzekering is een kostenmaximum van EUR 12.500,00 van toepassing. Tot op heden hebben wij een bedrag ad EUR 6.209,59 betaald aan externe kosten. Derhalve resteert een bedrag ad EUR 6.209,41 dat nog voor vergoeding in aanmerking komt. Indien deze kosten boven dit bedrag uitstijgen, komen de resterende kosten voor uw eigen risico.

(...).

2.10. Bij brief van 23 juni 2008 heeft mr. [A] aan de advocaat van Eureca bericht dat de rechtsbijstandverzekeraar van [gedaagde] de proceskosten waarin [gedaagde] is verwezen zal betalen.

2.11. Op 23 juni 2008 heeft mr. [A] aan DAS laten weten dat [gedaagde] graag een cassatie-advies wil inwinnen. In een e-mail van DAS van 24 juni 2008 heeft DAS aan mr. [A] bericht dat de opdracht tot het opstellen van een cassatie-advies is gegeven aan Stevens Thunissen Vos Advocaten (verder: STV). Verder is in de e-mail opgenomen dat er tot dat moment een bedrag van EUR 9.122,98 aan externe kosten is voldaan, zodat er een bedrag van EUR 3.377,02 resteert dat nog voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij is vermeld dat indien de kosten dit bedrag overschrijden, deze kosten voor rekening van [gedaagde] komen. Driehoek heeft deze e-mail op 25 juni 2008 aan [gedaagde] doorgestuurd.

2.12. Op 4 juli 2008 heeft Eureca beslag gelegd op de woning van [gedaagde].

2.13. Op 11 juli 2008 heeft STV een cassatie-advies uitgebracht en het voeren van een cassatieprocedure ontraden.

2.14. Op 29 juli 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen mr. [A] en [gedaagde]. Naar aanleiding van dit gesprek heeft mr. [A] op 30 juli 2008 aan Ekelmans & Meijer Advocaten (verder: Ekelmans) de opdracht verstrekt voor het geven van een tweede cassatie-advies.

2.15. Per e-mail van 1 augustus 2008 bericht DAS aan mr. [A] dat tot op heden een bedrag ad EUR 10.372,98 aan externe kosten is voldaan, zodat er een bedrag van EUR 2.127,02 resteert dat nog voor vergoeding in aanmerking komt. Dit bericht is door mr. [A] aan [gedaagde] doorgestuurd.

2.16. Op 19 augustus 2008 heeft Ekelmans een cassatie-advies uitgebracht. Ook in dit advies wordt het voeren van een cassatieprocedure ontraden.

2.17. Op 25 augustus 2008 heeft [gedaagde] een brief van DAS ontvangen, waarin hem wordt meegedeeld dat het kostenmaximum is bereikt en wordt [gedaagde] verzocht het restantbedrag ad EUR 2.080,99 alsnog te voldoen. [gedaagde] heeft deze factuur onbetaald gelaten.

2.18. Bij brief van 17 september 2008 heeft DAS een declaratie van mr. [A] van 12 september 2008 ter betaling aan [gedaagde] gezonden, omdat het kostenmaximum is bereikt.

2.19. Op 27 maart 2009 heeft Driehoek een factuur van in totaal EUR 8.461,30 aan [gedaagde] gestuurd. Deze factuur heeft betrekking op in juli en augustus 2008 verrichte werkzaamheden door mr. [A] en de door Driehoek betaalde kosten voor het cassatieadvies van Ekelmans (EUR 5.062,03). [gedaagde] heeft deze factuur onbetaald gelaten.

3. Het geschil

3.1. Driehoek heeft - samengevat - gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van EUR 9.670,56, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Driehoek heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat DAS weliswaar de opdracht aan mr. [A] heeft verstrekt om [gedaagde] juridische bijstand te verlenen in de appèlprocedure, maar dat DAS deze opdracht heeft gegeven voor en namens [gedaagde]. Uit de op de rechtsbijstandsverzekering toepasselijke algemene voorwaarden volgt dat [gedaagde] DAS daartoe onherroepelijk heeft gemachtigd. De door Driehoek gemaakte kosten die het kostenmaximum van EUR 12.500,00 te boven gaan, dienen derhalve door [gedaagde] te worden betaald.

Driehoek heeft betoogd dat zij [gedaagde] steeds heeft geïnformeerd over de reeds in rekening gebrachte kosten en dat [gedaagde] op basis van de aan hem verstrekte informatie alsmede zijn ervaring met de declaraties van Driehoek ten behoeve van de kantonprocedure had kunnen begrijpen dat de dekkingslimiet van DAS zou (kunnen) worden bereikt met de kosten van het cassatieadvies van STV en zou worden overschreden met het nog te geven cassatieadvies van Ekelmans. Daarbij heeft Driehoek erop gewezen dat het cassatieadvies dat is ingewonnen bij Ekelmans eerst is ingewonnen nadat [gedaagde] daartoe opdracht had gegeven.

3.3. [gedaagde] heeft verweer gevoerd en gesteld dat niet hij, maar DAS, aan Driehoek opdracht heeft gegeven om hem in de appèlprocedure bij te staan. [gedaagde] is derhalve geen partij bij de tussen DAS en Driehoek gesloten overeenkomst. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat Driehoek geen beroep toekomt op de door DAS gebruikte algemene voorwaarden, omdat Driehoek geen partij is bij de overeenkomst tussen DAS en [gedaagde].

Subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat als er al sprake is van een overeenkomst tussen Driehoek en [gedaagde], [gedaagde] zich slechts tot een geldbedrag van EUR 12.500,00 aan Driehoek heeft verbonden. [gedaagde] heeft Driehoek verzocht rechtsbijstand te verlenen voor zover deze vallen binnen de polisvoorwaarden van DAS. Daarnaast heeft [gedaagde] betoogd dat Driehoek niet de zorg van een goed opdrachtnemer jegens [gedaagde] in acht heeft genomen, omdat zij hem niet voldoende op de hoogte heeft gehouden van de reeds bij DAS in rekening gebrachte kosten en omdat de kosten van het tweede cassatieadvies nodeloos zijn gemaakt. Driehoek had volgens [gedaagde] moeten berusten in het eerste cassatieadvies.

Tot slot heeft [gedaagde] gesteld dat van Driehoek mocht worden verwacht dat zij [gedaagde] er met klem op had gewezen dat de financiële mogelijkheden bij DAS uitgeput zouden raken en had zij hem expliciet voor de keuze moeten stellen de rechtsbijstand op eigen kosten voort te zetten dan wel deze te beëindigen. Nu dit niet is gebeurd heeft Driehoek volgens [gedaagde] de inlichtingenplicht, zoals genoemd in artikel 7:403 BW, geschonden, omdat de opdracht bij het bereiken van het kostenmaximum was voltooid.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kernvraag in dit geding is of op [gedaagde] de verplichting rust de door Driehoek gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand, zover deze het door DAS gehanteerde kostenmaximum van EUR 12.5000,00 te boven gaan, aan Driehoek te betalen.

4.2. Niet in geschil is dat het door Driehoek gevorderde bedrag betrekking heeft op kosten van rechtsbijstand in de appèlprocedure die het kostenmaximum van EUR 12.500,00 te boven gaan.

4.3. DAS heeft bij brief van 9 januari 2007 de opdracht aan Driehoek gegeven om de belangen van [gedaagde] te behartigen in de appèlprocedure. In deze brief is door DAS vermeld dat de door Driehoek gemaakte kosten voor rechtsbijstand tot een limiet van EUR 12.500,00 zullen worden vergoed en dat wanneer deze kosten de limiet overstijgen het meerdere door [gedaagde] zelf moet worden voldaan. Deze brief van DAS is per e-mail aan [gedaagde] gezonden. Vaststaat dat [gedaagde] niet heeft gereageerd op de vermelding van DAS in de brief van 9 januari 2007 dat de kosten boven het kostenmaximum voor zijn eigen rekening zijn.

Daarnaast heeft DAS op 11 maart 2008 een brief aan [gedaagde] gezonden, waarin is herhaald dat de kosten die het kostenmaximum van EUR 12.500,00 overstijgen door [gedaagde] zelf dienen te worden betaald. In de e-mail van DAS van 24 juni 2008, die door Driehoek aan [gedaagde] is doorgezonden, is nogmaals herhaald dat de kosten boven het kostenmaximum voor rekening van [gedaagde] zijn. Vast staat dat [gedaagde] ook naar aanleiding van deze brief en e-mail niet heeft gereageerd.

4.4. Ingevolge artikel 3:61 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) kan, wanneer een rechtshandeling in naam van een ander is verricht, tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan. Daarbij is volgens jurisprudentie (HR 19 februari 2010, LJN BK7671 en HR 11 maart 2011, LJN BN9967) voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan een onbevoegd vertegenwoordigde persoon ook plaats indien de derde gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat een toereikende volmacht was verleend op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de (beweerdelijk) onbevoegd vertegenwoordigde partij komen en waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat [gedaagde] nimmer heeft gereageerd op de vermelding van DAS in haar brieven en e-mail dat de kosten boven het kostenmaximum voor rekening van [gedaagde] zijn, terwijl [gedaagde] veelvuldig contact heeft onderhouden met Driehoek, tot de conclusie leidt dat door [gedaagde] bij Driehoek het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat door [gedaagde] aan DAS een toereikende volmacht is verleend om namens [gedaagde] de verbintenis aan te gaan erop neerkomende dat de kosten die de limiet van EUR 12.500,00 overstijgen door [gedaagde] zullen worden betaald. [gedaagde] is derhalve gebonden aan de door DAS vermelde verplichting voor [gedaagde] om de kosten van rechtsbijstand boven het kostenmaximum van EUR 12.500,00 aan Driehoek te vergoeden.

4.6. Op grond van artikel 7:401 BW dient de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. De vraag is of Driehoek heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan.

4.7. [gedaagde] heeft betoogd dat Driehoek niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen, omdat Driehoek hem onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van de gemaakte kosten en omdat de kosten voor het tweede cassatieadvies nodeloos door Driehoek zijn gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde] in voldoende mate op de hoogte gehouden van het kostenverloop. Driehoek heeft [gedaagde] hiervan op de hoogte gehouden door de informatie die zij hierover van DAS ontving aan [gedaagde] door te zenden. Driehoek heeft de e-mails van DAS van 24 juni en 1 augustus 2008 direct aan [gedaagde] doorgestuurd. Bij Driehoek was eveneens bekend dat DAS [gedaagde] op 11 maart en 25 augustus 2008 rechtstreeks op de hoogte heeft gebracht van de gemaakte kosten, zodat Driehoek deze informatie niet nogmaals aan [gedaagde] hoefde te sturen.

Gelet op de aan [gedaagde] verschafte informatie is de rechtbank van oordeel dat Driehoek [gedaagde] niet vaker hoefde te informeren over de in rekening gebrachte kosten. Ook wist [gedaagde] dan wel behoorde hij te weten dat het inwinnen van twee cassatieadviezen met (aanzienlijke) kosten gepaard gaat.

De rechtbank is voorts van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat het tweede cassatieadvies nodeloos is ingewonnen. In dit verband is van belang dat het feit dat in het tweede cassatieadvies het voeren van een cassatieprocedure opnieuw wordt ontraden, niet zonder meer betekent dat het advies daarmee nodeloos is gevraagd. Bovendien is het tweede cassatieadvies door Driehoek ingewonnen nadat partijen op 29 juli 2008 overleg hebben gepleegd en heeft [gedaagde] ingestemd met het inwinnen van dit advies, naar Driehoek onweersproken heeft gesteld.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat Driehoek niet tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens [gedaagde].

4.8. Op grond van artikel 7:403 lid 1 BW moet de opdrachtnemer de opdrachtgever op de hoogte houden van zijn werkzaamheden ter uitvoering van de opdracht en hem onverwijld in kennis stellen van de voltooiing van de opdracht, indien de opdrachtgever daarvan onkundig is.

4.9. [gedaagde] heeft gesteld dat Driehoek haar op de hoogte had moeten stellen van het bereiken van het kostenmaximum, omdat daarmee de opdracht was voltooid. [gedaagde] had dan een keuze kunnen maken of hij de rechtsbijstand wilde voortzetten of beëindigen.

De rechtbank volgt deze stelling van [gedaagde] niet, omdat [gedaagde] niet heeft onderbouwd dat de opdracht bij het bereiken van het kostenmaximum was voltooid. Uit de opdrachtbrief van DAS van 9 januari 2007 blijkt bovendien het tegenovergestelde, nu daarin is opgenomen dat de kosten boven EUR 12.500,00 voor rekening van [gedaagde] zijn. Dat impliceert dat ook nog werkzaamheden in opdracht zouden kunnen worden uitgevoerd indien de kosten deze grens hebben overschreden.

4.10. Uit het voorgaande volgt dat op [gedaagde] de verplichting rust om de door Driehoek gemaakte kosten die de kostenlimiet van EUR 12.500,00 overstijgen aan Driehoek te vergoeden.

4.11. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de vordering door [gedaagde] niet is bestreden. Gelet hierop komt de door Driehoek gevorderde hoofdsom van EUR 8.461,30 voor toewijzing in aanmerking.

4.12. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten, zodat deze eveneens toewijsbaar zijn, zoals in het dictum nader aan te geven

4.13. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen tot een (forfaitair) bedrag van EUR 131,00 aan salaris advocaat zonder dat betekening van het vonnis heeft plaatsgehad, verhoogd met een bedrag van EUR 68,00 indien en voor zover de veroordeelde partij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling heeft voldaan en het vonnis om die reden is betekend.

4.14. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

4.15. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Driehoek worden begroot op:

- dagvaarding EUR 73,89

- griffierecht 314,00

- salaris advocaat 960,00 (2,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.347,89

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Driehoek te betalen een bedrag van EUR 9.670,56 (negenduizend zeshonderdzeventig euro en zesenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van EUR 8.461,30 vanaf 25 september 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Driehoek tot op heden begroot op EUR 1.347,89, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag, berekend vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, aan de zijde van Driehoek begroot op EUR 131,00 zonder dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgehad, vermeerderd met een bedrag van EUR 68,00 indien en voor zover [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling heeft voldaan en het vonnis om die reden is betekend,

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.