Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR2581

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
07.996519-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden.

Verdachte heeft zich gedurende ruim acht jaren een groot aantal frauduleuze handelingen gepleegd als directeur en budgethouder van een hogeschool. In totaal is ruim 800.000 euro verduisterd.

Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn functie, het ontbreken van deugdelijk toezicht bij de hogeschool en het in hem gestelde vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer:07.996519-09 (P)

Uitspraak: 21 juli 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2010 en 7 juli 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.S.P.M. de Kock, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. E.L. Edens.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(tenlastelegging aangehecht)

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennis¬neming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd aan een bewezenverklaring van hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2 en 3 ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van feit 1 primair, 2 en 3 sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

Feit 1 primair

- Aangifte door de [hogeschool] ;

- Verklaringen van verdachte bij de Belastingdienst FIOD-ECD d.d. 13 oktober 2009 ;

- Schriftelijke arbeidsovereenkomsten van verdachte bij de [hogeschool] vanaf 1 januari 1999 ;

- Een factuur op naam van [A] gedateerd 05 maart 2004 ;

- Een factuur op naam van [B] gedateerd 10 januari 2005 ;

- Een factuur op naam van [C] gedateerd 07 januari 2009 ;

- Een factuur op naam van [D] gedateerd 25-09-2008 ;

- Een factuur/aankoopbon op naam van [E] gedateerd 2 januari 2009 ;

- Een factuur op naam van [F] gedateerd 6 juli 2007 ;

- Een factuur op naam van [G], gedateerd 16 maart 2007 .

Feit 2

- Aangifte door de [hogeschool] ;

- Een factuur op naam van [A] gedateerd 05 maart 2004 ;

- Een factuur op naam van [B] gedateerd 10 januari 2005 ;

- Een factuur op naam van [C] gedateerd 07 januari 2009 ;

- Een factuur op naam van [D] gedateerd 25-09-2008 ;

- Een factuur/aankoopbon op naam van [E] gedateerd 2 januari 2009 ;

- Een factuur op naam van [F] gedateerd 6 juli 2007 ;

- Een factuur op naam van [G] gedateerd 16 maart 2007 ;

- Verklaringen van verdachte bij de Belastingdienst FIOD-ECD d.d. 13, 14, 15 en 18 oktober 2009 en 12 maart 2010 .

Feit 3

- Verklaring van verdachte bij de Belastingdienst FIOD-ECD d.d. 15 oktober 2009 ;

- Aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2002 tot en met 2008 ;

- Nota van berekening van de Belastingdienst d.d. 16 maart 2010 .

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1 primair

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 01 maart 2001 tot en met 30 juni 2009 in de gemeente [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedragen tot een totaal van ongeveer EUR 824.748, die geheel of ten dele toebehoorden aan de [hogeschool], en welke geldbedragen verdachte en zijn mededader (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur en budgethouder van de [hogeschool], anders dan door misdrijf onder zich hadden, (telkens) wederrechtelijk zich hebben toegeëigend;

2

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 maart 2001 tot en met 30 juni 2009 in de gemeente [plaats], tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens):

*** één of meer facturen/aankoopbonnen (in totaal ongeveer 142 stuks) op naam van [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of de [H], gericht aan de [hogeschool] en/of op naam van [F] gericht aan [G],

en,

***33, althans één of meer facturen op naam van [bedrijf] en gericht aan de [hogeschool]

-(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt en laten opmaken,

immers hebben verdachte en/of zijn mededader (telkens) valselijk – zakelijk omschreven – ondermeer:

A.

een factuur op naam van [A] gedateerd 05 maart 2004 opgemaakt en daarop –ondermeer – vermeld “3x plaatsing vermelding [hogeschool], open avonden 2004” en een totaal bedrag van EUR 7.671,04 en

B.

een factuur op naam van [B] gedateerd 10 januari 2005 opgemaakt en daarop –ondermeer – vermeld “Uitwerking vervolgonderzoek instroomcijfers, 58 uur a EUR 40,00 en een totaal bedrag van EUR 2760,80 en

C.

een factuur op naam van [C] gedateerd 07 januari 2009 opgemaakt en daarop – ondermeer – vermeld “Fotomaterialen” en een totaal bedrag van EUR 446,25 en

D.

een factuur op naam van [D] gedateerd 25-09-2008 opgemaakt en daarop – ondermeer – vermeld “Huur materialen” en een totaalbedrag van 446,25 en

E.

een factuur/aankoopbon op naam van [E] gedateerd 2 januari 2009 opgemaakt en daarop – ondermeer – vermeld “Bijdrage [stichting] 2008/2009 (aug-jul) + periode augustus-december 2009” en een totaalbedrag van EUR 19.040 en

F.

een factuur op naam van [F] gedateerd 6 juli 2007 opgemaakt en daarop – ondermeer – vermeld “Adviseren en ondersteunen van diverse marktonderzoeken (incl. reiskosten)” en een totaalbedrag van EUR 8627,50 en

G.

een factuur op naam van [G], gedateerd 16 maart 2007 opgemaakt en daarop – ondermeer – vermeld “advieswerk maart 2007” en een BTW bedrag van EUR 1.377,50 en een totaalbedrag van EUR 8.627,50,

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 01 januari 2002 tot en met 31 juli 2009 in de gemeente [plaats] (telkens) opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2002 en 2003 en 2004 en 2005 en 2006 en 2007 en 2008 onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk op bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn ingeleverde aangiftebiljetten inkomstenbelasting over genoemde jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Van het onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1 primair

Medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij de artikelen 47 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

2

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij de artikelen 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

3

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd,

Strafbaar gesteld bij artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarde heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van de Reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit, bij een bewezenverklaring van voornoemde feiten, verdachte de maximale werkstraf op te leggen met daarnaast een forse voorwaardelijke vrijheidsstraf met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en een behandelverplichting.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende ruim acht jaren een groot aantal frauduleuze handelingen gepleegd. Hij heeft in zijn functie als directeur en budgethouder van de [hogeschool] ruim achthonderdduizend euro verduisterd.

Verdachte heeft, teneinde dit bedrag te kunnen verduisteren, misbruik gemaakt van zijn functie, het ontbreken van deugdelijk toezicht bij de Hogeschool en het in hem gestelde vertrouwen. Verdachte heeft met zijn handelswijze de Hogeschool ernstig gedupeerd.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij gedurende voornoemde periode op geen enkel moment heeft laten blijken dat het gebruik van semi-publieke gelden hem op enigerlei wijze hinderde of belemmerde. Verdachte heeft grote sommen geld besteed aan luxe goederen voor zichzelf en zijn naasten en het handhaven van een, normaal gesproken voor hem, te hoge levensstandaard. Hij heeft de verduistering van gelden slechts gestaakt en moeten staken omdat de fraude aan het licht is gekomen. Uit niets is gebleken dat verdachte uit zichzelf zou zijn gestopt met het verduisteren van geld van de Hogeschool.

Verdachte heeft bij de Hogeschool in totaal een bedrag van ongeveer achthonderd duizend euro verduisterd. Het is dan ook niet meer dan logisch dat het handelen van verdachte tot publieke verontwaardiging heeft geleid. Door zijn handelwijze heeft verdachte de reputatie van de Hogeschool geschaad.

Daarnaast is ter terechtzitting gebleken dat verdachte nog geen cent heeft terugbetaald aan de Hogeschool en tot op heden hoegenaamd geen pogingen heeft ondernomen om geld te verdienen om het door hem verduisterde bedrag terug te betalen.

Bij de bepaling van de straf weegt de rechtbank bovengenoemde omstandigheden in het nadeel van verdachte mee.

Ten voordele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte de consequenties van zijn handelen in maatschappelijk zin al heeft ervaren. Hij is bloot gesteld aan grote media-aandacht en is zijn baan en inkomen kwijtgeraakt. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte volledig heeft meegewerkt aan het (strafrechtelijke) onderzoek en hierbij inzicht heeft gegeven in zijn handelwijze. Daarnaast heeft verdachte zelf stappen ondernomen om zich te laten behandelen door een psycholoog en heeft daarmee aangetoond bereid te zijn aan zichzelf te werken. Voorts merkt de rechtbank op dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Tot slot heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het psychiatrisch onderzoek van dr. J.W.G. Meissner, psychiater, d.d. 29 juni 2010 en het psychologisch onderzoek van A.W. Sierksma, klinisch psycholoog, d.d. 12 september 2010 naar voren is gekomen dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten licht, respectievelijk enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht op basis van een persoonlijkheidsstoornis NAO.

Feit is dat het hier gaat om bijzonder ernstige strafbare feiten, waarbij verdachte jarenlang keer op keer misbruik heeft gemaakt van zijn positie en het (daardoor) in hem gestelde vertrouwen. Het voorgaande afwegend, acht de rechtbank een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een fors voorwaardelijk gedeelte passend en geboden. De aard, de ernst en de duur van de bewezen verklaarde feiten, zoals hiervoor overwogen, rechtvaardigen deze onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de Reclassering in het Reclasseringsadvies van 29 oktober 2010, opgemaakt door A. de Haan. Verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dit inhoudt een meldingsgebod en meewerken aan de reeds ingezette behandeling bij de Tender.

De oplegging van deze straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Standpunt benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 225.669,75 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft mr. D.J.P. van Barneveld als raadsman van de benadeelde partij haar vordering verhoogd tot een bedrag van € 510.657,88 en toewijzing van de vordering bepleit indien het veroordelend vonnis, tot terugbetaling van € 510.657,88 aan de Hogeschool, van de civiele rechter te Zutphen niet onherroepelijk is. Indien het vonnis van de rechtbank te Zutphen wel onherroepelijk is, verzoekt de raadsman de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

In beide voornoemde situaties verzoekt de gemachtigde de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard nu onzeker is of de vordering, gezien het vonnis van de civiele rechter te Zutphen d.d. 12 januari 2011, uitvoerbaar is.

Voorts verzoekt de officier van justitie het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht af te wijzen.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de civiele rechter te Zutphen verdachte reeds in een civiele procedure heeft veroordeeld tot terugbetaling van € 510.657,88 aan de Hogeschool en dit vonnis inmiddels onherroepelijk is. Voorts verzoekt de raadsman het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat de benadeelde partij [benadeelde partij],

rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de ten laste van verdachte bewezen verklaarde feiten.

De benadeelde partij [benadeelde partij], wordt door de rechtbank in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard nu verdachte reeds door de burgerlijke rechter te Zutphen d.d. 12 januari 2011 onherroepelijk is veroordeeld tot terugbetaling van € 510.657,88 aan voornoemde benadeelde partij.

Met betrekking tot het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is de rechtbank van oordeel dat nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is bevonden voor de in de onderhavige strafzaak bewezen feiten de maatregel conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht – als uitgangspunt –

kan worden opgelegd. Zoals reeds overwogen is verdachte uit eigen beweging nog niet overgegaan tot betaling van enig bedrag aan de benadeelde partij, zodat toewijzing van de verzochte schadevergoedingsmaatregel reeds op die grond in de rede ligt. De rechtbank voorziet evenwel dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor het volledige bedrag van € 510.657,88 slechts zal leiden tot het in de toekomst ten uitvoer leggen van vervangende hechtenis. Anderzijds noopt de betalingsmoraal van verdachte tot enige aansporing middels het gedeeltelijk toewijzen van het gevorderde bedrag.

Ten behoeve van de benadeelde partij zal de rechtbank derhalve de vordering toewijzen voor een bedrag van € 100.000,00.

BESLISSING

Het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

24 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de 24 maanden zal een gedeelte, groot 12 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat:

- de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling bij de Tender, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht en

- de verdachte zich moet melden volgens afspraken die met hem worden gemaakt bij Reclassering Nederland en dat verdachte zich moet blijven melden gedurende het toezicht door Reclassering Nederland bepaalde perioden zo frequent als Reclassering Nederland dit gedurende deze perioden nodig acht.

Schadevergoeding

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering niet-ontvankelijk is.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 100.000,00, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 hechtenis.

Aldus gewezen door mr. A.J. Louter, voorzitter, mrs. J.N. Bartels en A.P.W. Esmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2011.