Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR2532

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
07.794503-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bancaire fraude. Diverse oplichtingen ten laste gelegd. Veroordeling voor criminele organisatie. Het gebruik van het tot het dossier behorende fotoboek is door de rechtbank beoordeeld als zijnde een opsporingsconfrontatie. De rechtbank is van oordeel dat zij vrij is in de keuze van het bewijs (uiteraard binnen de kaders van Strafvordering). De herkenning kan echter alleen als steunbewijs aangemerkt worden.

Gelet op het feit dat het bankpersoneel bij de onder 1c ten laste gelegde oplichting vooraf op de hoogte was gesteld van de op handen zijnde oplichting kan niet in redelijkheid gesteld worden dat de bank door een oplichtingsmiddel tot afgifte van het geldbedrag werd bewogen. Geen sprake van een voltooide oplichting.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het dossier blijkt dat er sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een gemeenschappelijke doelstelling ( te weten het oplichten van banken door Nederland met behulp van valse rijbewijzen). Verdachte heeft hieraan deelgenomen. Het feit dat hij gedurende een gedeelte van de ten laste gelegde periode gedetineerd is geweest, doet daar niet aan af. Rabobank Nederland kan in haar vordering tot schadevergoeding worden ontvangen nu er sprake is van een zodanig nauw verband dat zij rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank verwijst daar voor naar het arrest van de Hoge Raad gepubliceerd onder LJN BF5074.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.794503-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

postadres: [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 20 mei 2010, 11 augustus 2010, 28 oktober 2010 en 4 januari 2011 te Lelystad. De verdachte is daarbij telkens aanwezig geweest, bijgestaan door mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht.

De inhoudelijke behandeling heeft op 17, 19, 20 en 23 mei 2011 in Rotterdam plaatsgevonden. Het onderzoek ter terechtzitting is op 26 mei 2011 in Lelystad gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Vriezen-Buist en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 07 november 2008 tot en met 8 februari 2010 in diverse plaatsen in Nederland, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) andere(n) (waaronder (telkens) [katvanger 1] en/of [katvanger 2] en/of [katvanger 3] en/of [katvanger 4]), (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) een medewerk(st)er van diverse banken te weten (onder meer)

a) een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 1], te Voorthuizen, gemeente Barneveld (zaaksdossier 4) en/of

b) een medewerk(st)er van de ING Bank te Zevenaar (zaaksdossier 184) en/of

c) een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 2], te Leersum (zaaksdossier 151) en/of

d) een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 3], te Blaricum, (zaaksdossier 148)

e) een medewerk(st)er van de SNS Bank te Brunssum (zaaksdossier 80)

heeft bewogen tot afgifte en/of overboeking van een geldbedrag, in elk geval van enig goed,

immers heeft verdachte (onder meer)

a) (zaaksdossier 4)

tezamen en in vereniging met [katvanger 1] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 7 november 2008 te Voorthuizen, in de gemeente Barneveld, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 1] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 1] als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 1], zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 1] en/of

-(daarbij) tegen die medewerk(st)er gezegd dat hij een contante opname van 5.000,- euro wilde doen van genoemde (bedrijfs)rekening en/of

-gezegd dat hij een spoedbetaling van 21.000 euro wilde regelen van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en een spoedbetaling van 24.950,- euro van genoemde bedrijfs(rekening) naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 1] met daarop een foto van hem, [katvanger 1], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

b) (zaaksdossier 184)

tezamen en in vereniging met [katvanger 1] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 20 april 2009 te Zevenaar, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 1] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van de ING Bank te Zevenaar als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 2], bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 2] en/of

-(daarbij) tegen die medewerk(st)er gezegd dat hij een contante opname van 5.000,- euro van genoemde (bedrijfs)rekening wilde doen en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 2], met daarop een foto van hem, [katvanger 1], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

c) (zaaksdossier 151)

tezamen en in vereniging met [katvanger 2] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 8 februari 2010 te Leersum, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 2] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 2] als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 3], bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3] en/of

-(daarbij) tegen die medewerk(st)er gezegd dat hij een spoedbetaling van 36.000 euro wilde regelen van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of een spoedbetaling van 12.050 euro van genoemde bedrijfs(rekening) naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 3] met daarop een foto van hem, [katvanger 2], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

d) (zaaksdossier 148)

tezamen en in vereniging met [katvanger 3] en/of (een) ander(en) op of omstreeks

6 januari 2010 te Blaricum met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 3] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 3] als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 4] bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 4] en/of

-(daarbij) tegen die medewerk(st)er gezegd dat hij een contante opname van 4.000,- euro wilde doen van genoemde (bedrijfs)rekening en/of

-(vervolgens) tegen die medewerk(st)er gezegd dat hij een spoedbetaling van 14.996,38 euro wilde regelen van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 4], met daarop een foto van hem, [katvanger 3], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

e) (zaaksdossier 80)

tezamen en in vereniging met [katvanger 4] en/of (een) ander(en) op of omstreeks

11 augustus 2009 te Brunssum, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 4] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van de SNS bank Brunssum als zijnde de heer [naam bevoegde] bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] en/of

-(daarbij) tegen die medewerk(st)er gezegd dat hij een contante opname van 38.000,- euro wilde doen van genoemde (bedrijfs)rekening en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [naam bevoegde] met daarop een foto van hem, [katvanger 4], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

waardoor (telkens) voornoemde bankmedewerk(st)er werd(en) bewogen tot voornoemde spoedbetalingen en/of overboekingen en/of afgiftes;

2.

hij in of omstreeks de periode van 14 juli 2009 tot en met 8 februari 2010 in diverse plaatsen in Nederland, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (waaronder (telkens) [katvanger 3] en/of [katvanger 4] en/of [katvanger 5]), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf/misdrijven om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) een medewerk(st)er van diverse banken, te weten (onder meer)

a) een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 4] te Loon op Zand (zaaksdossier 144)

b) een medewerk(st)er van de ING Bank te Bergen op Zoom (zaaksdossier 72) en/of

c) een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 5], te Haelen, gemeente Leudal (zaaksdossier 160)

te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed,

heeft verdachte (onder meer)

a) (zaaksdossier 144)

tezamen en in vereniging met [katvanger 3] en/of (een) ander(en) op of omstreeks

31 december 2009 te Loon op Zand, met voremomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 3] heeft zich voorgedaan bij voornoemde bankmedewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 4], als zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 5] en/of

-(daarbij) gezegd dat hij 18.000 euro wenste over te boeken van genoemde (bedrijfs)rekening naar een rekeningnummer ten name van [rekeninghouder]

en/of

b) (zaaksdossier 72)

tezamen en in vereniging met [katvanger 4] en/of (een) ander(en) op of omstreeks

23 juli 2009 te Bergen op Zoom, met voremomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 4] heeft zich voorgedaan bij voornoemde bankmedewerk(st)er van de ING Bank te Bergen op Zoom, als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 6], zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 6] en/of

-(daarbij) gezegd dat hij geld wenste over te boeken van genoemde (bedrijfs)rekening naar twee andere rekeningnummers en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 6] met daarop een foto van hem, [katvanger 4], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

c) (zaaksdossier 160)

tezamen en in vereniging met [katvanger 5] en/of (een) ander(en) op of omstreeks

8 februari 2010 te Haelen, gemeente Leudal, met voremomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 5] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 5] te Haelen, als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 7] zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 7] en/of

-(daarbij) gezegd dat hij een contante opname van 3.500 euro van genoemde (bedrijfs)rekening wilde doen en/of

-gezegd dat hij een spoedbetaling van 13.500 euro wilde regelen van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en een spoedbetaling van 29.600 euro van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 7] met daarop een foto van hem, [katvanger 5], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven (telkens) niet is/zijn voltooid;

3.

hij op of omstreeks 31 oktober 2008, te Almere en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [naam aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk één of meermalen, dreigend een pistool op [naam aangever] gericht;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 februari 2010 in diverse plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen, aan een organisatie, die gevormd werd door verdachte en/of één of meer andere personen, onder andere: [namen verdachten van criminele], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder andere valsheid in geschrifte en/of het gebruikmaken van valse documenten en/of mishandeling en/of bedreiging en/of oplichting, zulks terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een kennelijke schrijffout. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

Door diverse banken in Nederland werd aangifte gedaan van (bancaire) fraude.

In de aangiften werd een gelijkluidende werkwijze omschreven die erop neerkwam dat door onbekende personen met valse legitimatiebewijzen, meestal een Nederlands rijbewijs, oud model, ten name van de rekeninghouder of gemachtigde van een (zakelijke) betaalrekening kasopnames werden gedaan dan wel (spoed)overboekingen werden geregeld.

Deze vorm van fraude is door de politie nader onderzocht. Hieruit bleek dat er in de periode van 1 januari 2008 tot 8 februari 2010 veelvuldig frauduleuze bancaire kasopnamen en overboekingen plaatsvonden.

Gelet op het vorenstaande werd op 21 september 2009 door de Bovenregionale Recherche Midden Nederland een onderzoek gestart naar deze bancaire fraude onder de naam 25Bieslook.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

a. Zaaksdossier 4

Op 20 november 2009 wordt er namens Rabobank Nederland aangifte gedaan van meerdere (pogingen tot) oplichtingen. Eén van deze oplichtingen zou hebben plaatsgevonden op 7 november 2008 in Voorthuizen. Een man meldt zich op voornoemde datum bij de Rabobank [vestiging 1] in Voorthuizen en neemt ten laste van rekening [bedrijf 1] een bedrag van € 5.000,00 op. Hij legitimeerde zich met een vals rijbewijs ten name van de heer [bevoegde bedrijf 1].

Tevens laat de man twee spoedoverboekingen uitvoeren. Een bedrag van € 21.000,00 wordt overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer] (op naam van [rekeninghouder]) en een bedrag van € 24.950,00 naar rekeningnummer [rekeningnummer] (op naam van [rekeninghouder]) .

Bij de aangifte bevinden zich de camerabeelden van de bank van 7 november 2008, waarop de betreffende man te zien is. Op 10 november 2008 wordt door de heer [bevoegde bedrijf 1], directeur eigenaar van het bedrijf [bedrijf 1], aangifte gedaan .

Op 27 april 2009 wordt medeverdachte [katvanger 1] aangehouden op verdenking van oplichting van meerdere banken. Zijn foto is in relatie met een eerdere oplichting geplaatst in het Recherche Informatiebulletin en een vergelijking van die foto met de camerabeelden van de Rabobank in Voorthuizen van 7 november 2008, levert de identificatie van medeverdachte [katvanger 1] op .

b. Zaaksdossier 184

Op 9 december 2009 wordt er namens de ING Bank aangifte gedaan van meerdere (pogingen tot) oplichtingen. Eén van deze oplichtingen zou hebben plaatsgevonden op 20 april 2009 in Zevenaar. Een man meldt zich op voornoemde datum aan de kasbalie van het ING kantoor in Zevenaar. De man stelt zichzelf voor en geeft zich uit voor de heer [bevoegde bedrijf 2], bevoegd voor de rekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 2]. De man gaf aan dat hij een bedrag van € 5.000,00 wilde opnemen, welk bedrag aan hem is uitbetaald. Hij legitimeerde zich met een rijbewijs op naam van [bevoegde bedrijf 2] .

Bij de aangifte bevinden zich een kopie van het getoonde rijbewijs en een kopie van de kastransactie.

Op 27 april 2009 wordt medeverdachte [katvanger 1] aangehouden op verdenking van oplichting van meerdere banken. Zijn foto is in relatie met een eerdere oplichting geplaatst in het Recherche Informatiebulletin en een vergelijking van die foto met het aan de ING Bank te Zevenaar op 20 april 2009 getoonde rijbewijs, levert de identificatie van medeverdachte [katvanger 1] op .

c. Zaaksdossier 151

Op 9 februari 2010 wordt er namens Rabobank Nederland aangifte gedaan van meerdere (pogingen tot) oplichtingen. Eén van deze oplichtingen zou hebben plaatsgevonden op 8 februari 2010 in Leersum. De man die de oplichting pleegde deed zich voor als [bevoegde bedrijf 3], bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3] De man legitimeerde zich door middel van een rijbewijs op naam van [bevoegde bedrijf 3], met daarop een foto van hemzelf. Er zou een bedrag van € 36.000,00 overgemaakt moeten worden op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en een bedrag van € 12.050,00 op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] . Bij de aangifte bevinden zich de camerabeelden van de bank van 8 februari 2010, waarop de betreffende man te zien is.

Het bij de bank getoonde rijbewijs wordt uiteindelijk aangetroffen in de Fiat Bravo, die op naam staat van de vriendin van medeverdachte [medeverdachte 1] .

Op 16 februari 2010 is medeverdachte [katvanger 2] aangehouden. Hij verklaart onder meer dat hij de persoon is op het bij de bank getoonde rijbewijs en dat hij op 8 februari 2010 bij de betreffende bank in Leersum is geweest en aldaar een tweetal spoedoverboekingen moest doen.

d. Zaaksdossier 148

Op 4 februari 2010 wordt er namens Rabobank Nederland aangifte gedaan van oplichtingen dan wel pogingen tot oplichting. Eén van deze oplichtingen werd gepleegd op 6 januari 2010 in Blaricum. Een onbekende man meldt zich aan de balie van de Rabobank [vestiging 3] en neemt 4.000 euro op ten laste van rekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 4] Tevens laat hij een spoedoverboeking doen van 14.996,38 euro naar rekening [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder]. De man legitimeerde zich met een rijbewijs op naam van de heer [bevoegde bedrijf 4], gemachtigde van [bedrijf 4], voorzien van een foto van hemzelf. Bij de aangifte zijn camerabeelden overgelegd.

Medeverdachte [katvanger 3] is op 6 april 2010 aangehouden en heeft een bekennende verklaring afgelegd.

e. Zaaksdossier 80

Op 21 augustus 2009 wordt er namens de SNS Bank aangifte gedaan van oplichting gepleegd op 11 augustus 2009 in Brunssum. Een persoon meldt zich aan de balie en wil een bedrag van € 38.000,00 opnemen. Hij laat een rijbewijs zien op naam van [naam bevoegde], dat als vermist gesignaleerd staat. Er wordt dan om aanvullende legitimatie verzocht en de volgende dag komt de man terug met een Nederlandse identiteitskaart en krijgt in het bijzijn van de bankdirecteur het bedrag uitbetaald. De dag erna belt de “echte” heer [bevoegde], aangezien deze had geconstateerd dat er een bedrag van zijn rekening was geboekt, terwijl hij van niets wist. De bankmedewerkster constateert vervolgens dat de foto van het paspoort van de “echte” heer [bevoegde] niet overeenkomt met de persoon die zij de dag ervoor had geholpen. Er wordt een beschrijving gegeven van de persoon die het geld heeft opgenomen.

Medeverdachte [katvanger 4] is op 23 juli 2009 aangehouden en heeft een bekennende verklaring afgelegd .

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

a. Zaaksdossier 144

Op 4 februari 2010 wordt er namens Rabobank Nederland aangifte gedaan van oplichtingen dan wel pogingen tot oplichting. Eén van deze pogingen tot oplichting werd gepleegd op 31 december 2009 in Loon op Zand. Een onbekende man meldt zich aan de balie van de Rabobank [vestiging 4] en wil een spoedoverboeking doen ten laste van rekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 5] naar de rekening ten name van [rekeninghouder]. Omdat de bankmedewerker aangaf eerst contact te moeten leggen met de relatiebeheerder is de onbekende man vertrokken met de mededeling dat hij het op een later tijdstip zou regelen. Bij de aangifte zijn camerabeelden overgelegd.

Medeverdachte [katvanger 3] is op 6 april 2010 aangehouden en heeft een bekennende verklaring afgelegd. Verdachte is op 8 februari 2010 aangehouden.

b. Zaaksdossier 72

Op 24 juli 2009 wordt door mevrouw [naam aangeefster] namens de ING Bank te Bergen op Zoom aangifte gedaan. Op 23 juli 2009 werd aangeefster gebeld door een medewerker die aangaf dat er een man aan de balie stond die een spoedoverboeking wilde doen. De medewerker had het vermoeden dat de persoon zich identificeerde middels een vervalst rijbewijs en de politie is gebeld .

De betreffende medewerker is op 24 juli 2009 als getuige gehoord. Hij verklaarde dat er op 23 juli 2009 een man aan de balie verscheen die aangaf een aantal spoedbetalingen te willen doen naar een rekening van [bedrijf 6]. Hij overhandigde een rijbewijs dat op naam stond van [bevoegde bedrijf 6] en de medewerker viel de handtekening op die bij de burgemeester stond. De medewerker heeft aangegeven dat hij een kopie van het rijbewijs wilde maken en heeft toen mevrouw [naam aangeefster] ingelicht. De medewerker houdt de man aan de praat totdat de politie arriveert en de man wordt vervolgens aangehouden . Het blijkt te gaan om medeverdachte [katvanger 4].

Op de adressen [adres] in Almere en [adres] in Almere vinden doorzoekingen plaats.

c. Zaaksdossier 160

Op 17 februari 2010 wordt er namens Rabobank Nederland aangifte gedaan van oplichtingen dan wel pogingen tot oplichting. Eén van deze pogingen tot oplichting werd gepleegd op 8 februari 2010 in Haelen, gemeente Leudal. Op voornoemde datum meldt zich een man aan de balie van de Rabobank [vestiging 5], kantoor Haelen. Hij legitimeert zich middels een rijbewijs op naam van [bevoegde bedrijf 7]. Hij wil een bedrag opnemen van € 3.500,00 en wil twee spoedoverboekingen doen ten laste van een rekening op naam van [bedrijf 7]. Een bedrag van € 13.500,00 moet worden overgemaakt naar een rekening op naam van [rekeninghouder] en een bedrag van € 29.600,00 naar een rekening op naam van [rekeninghouder] . Bij de aangifte zijn prints van de camerabeelden, kopieën van de overboekingformulieren en een kopie van het rijbewijs gevoegd.

Medeverdachte [katvanger 5] is op 21 april 2010 aangehouden en heeft een bekennende verklaring afgelegd. Verdachte is op 8 februari 2010 aangehouden.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Zaaksdossier 47

Op 31 oktober 2008 doet [naam] aangifte van bedreiging.

Er zijn videobeelden van het tankstation waar aangever is geweest en de getuige [naam getuige 1], werkzaam bij voornoemd tankstation, is als getuige gehoord.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Zaaksdossier 188

Onderzoek Bieslook is een onderzoek naar bancaire fraude. Uit voornoemd onderzoek blijkt volgens de verbalisanten dat sprake was van een criminele organisatie waaraan de in het relaas proces-verbaal van onderzoek genoemde verdachten zouden hebben deelgenomen. In het relaas proces-verbaal van onderzoek wordt omschreven wat volgens de verbalisanten het oogmerk van de organisatie was en wordt de rolverdeling omschreven. Voorts worden de factoren omschreven waarin volgens de verbalisanten het uitgangspunt om de groep als organisatie te definiëren ligt besloten. Ten slotte worden de feiten omschreven waaruit de structuur van de organisatie blijkt en vindt een nadere uitwerking (per verdachte) plaats.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van de onder 1a en 1b ten laste gelegde feiten heeft zij gewezen op de verklaring van medeverdachte [katvanger 1]. Voorts heeft zij gewezen op het vervalsingen proces-verbaal waarin rijbewijzen worden genoemd die door medeverdachte [katvanger 1] zijn gebruikt. De handtekening op deze rijbewijzen komt overeen met de handtekening op de twee rijbewijzen die zijn gevonden in de woning van [naam] en [naam] heeft verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte naar [naam] heeft geleid. Voorts heeft de officier van justitie gewezen op de door verdachte afgelegde verklaring (pagina 89-113 van zaaksdossier 4).

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 1c ten laste gelegde gewezen op de diverse telefoonnummers die aan de betrokken daders toebehoren. Zij heeft voorts gewezen op de resultaten van de observaties en de taps van de betreffende dag. Verder heeft zij gewezen op de goederen die bij de fouillering van verdachte zijn aangetroffen en de goederen die in de woning aan de [adres] in Almere zijn aangetroffen. Ten slotte heeft zij gewezen op de verklaringen van medeverdachten [katvanger 2] en [medeverdachte 1] en de relevante delen uit de betreffende verklaringen voorgehouden.

Voor wat betreft het onder 1d ten laste gelegde heeft zij gewezen op de verklaring van medeverdachte [katvanger 3] en de resultaten van het tonen van de fotoboeken aan hem.

Ten aanzien van de onder 1e en 2b ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van medeverdachte [katvanger 4] en heeft zij de relevante delen uit zijn verklaring voorgehouden. Medeverdachte [katvanger 4] heeft verdachte herkend uit het fotoboek. Verder heeft zij gewezen op de resultaten van de doorzoekingen aan de [adres] in Almere en aan de [adres] in Almere. Ten slotte heeft zij gewezen op de usb-stick die bij [naam] is aangetroffen en de gegevens die daarop stonden in combinatie met het feit dat [naam] heeft verklaard dat hij samen met verdachte bij [naam] is geweest.

Ten aanzien van het onder 2a ten laste gelegde heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van [naam getuige 2] en op het feit dat in de woning van verdachte onder meer een uittreksel van de Kamer van Koophandel werd aangetroffen op naam van het bedrijf ten laste van wiens rekening de spoedoverboekingen werden verricht. Zij heeft voorts gewezen op het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] blijkens telecomgegevens, contact had met medeverdachte [katvanger 3], terwijl hij door verdachte werd aangestuurd.

Voor wat betreft het onder 2c ten laste gelegde heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van [katvanger 5] en op het feit dat de bankrekening van de begunstigde [rekeninghouder] online is benaderd (vanaf een IP-adres dat hoort bij een internetcafé aan de [adres] in Amsterdam) en verdachte rond dat tijdstip het betreffende internetcafé binnen gaat. Zij heeft voorts gewezen op de resultaten van de doorzoeking van de woning aan de [adres] in Almere.

In zijn algemeenheid heeft zij voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten gewezen op het feit dat bij de fouillering van verdachte sleutels van de woning aan de [adres] in Almere zijn aangetroffen, handtekeningen overeenkomen en op het achtergelaten papier met rekeningnummers bij de Frieslandbank in Zwolle dacty van verdachte zijn aangetroffen. Voorts is er schakelbewijs in de vorm van de verklaringen van de katvangers [katvanger 3], [naam getuige 2] en [katvanger 4].

Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde bedreiging van [naam aangever] heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van aangever [naam aangever] en op het feit dat [naam aangever] verdachte herkent als degene die het pistool in handen had en op hem gericht heeft. zij heeft voorts gewezen op de camerabeelden van het benzinestation, op de verklaring van de medewerkster van het benzinestation en op de verklaringen van [naam begeleider] (begeleider van [naam aangever]) en [naam vriendin] (vriendin van medeverdachte [medeverdachte 2]).

Voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie als definitie van een criminele organisatie gegeven: een samenwerkingsverband, met enige duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één ander persoon, waarbij niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie, noch dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest.

De officier van justitie heeft een drietal voorwaarden onderscheiden voor de deelname aan een criminele organisatie. In de eerste plaats dient er sprake te zijn van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. In de tweede plaats moet betrokkene behoren tot die organisatie en in zijn algemeenheid wetenschap hebben van het criminele oogmerk. In de derde plaats moet betrokkene een aandeel in de gedragingen hebben dan wel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Ten aanzien van de eerste voorwaarde heeft zij aangegeven dat de georganiseerdheid blijkt uit: het ronselen van personen (met financiële- of verslavingsproblemen) die gebruikt werden als katvangers, het (laten) vervalsen van rijbewijzen en legitimatiebewijzen, de gebruikte werkwijze die elke keer nagenoeg gelijk is, de wijze waarop het geld over de bankrekeningen verspreid werd en opgenomen werd, het gebruikmaken van geweld tegen de katvangers en het gebruikmaken van versluierd taalgebruik over de telefoon. Verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] vormen met elkaar, in wisselende samenstelling deze organisatie, welke tot doel heeft en op niets anders gericht is dan het verkrijgen van geld door middel van oplichting van banken. Uit het dossier Bieslook is ook een interne structuur af te leiden van leiders, chauffeurs, facilitators, katvangers I (die de banken bezochten) en II (die het geld op hun rekening gestort kregen).

Ten aanzien van de tweede voorwaarde heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] de leiders zijn geweest van de criminele organisatie. Medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn bezig geweest met dezelfde strafbare feiten en hadden hier een aanzienlijke rol in. Zij kennen elkaar en werken met elkaar samen. Alle verdachten hadden in zijn algemeenheid wetenschap van het oogmerk van de organisatie, immers de handelingen die zij verrichtten, strekten nu juist rechtstreeks tot verwezenlijking van dat oogmerk.

Ten aanzien van de derde voorwaarde heeft de officier van justitie gesteld dat alle verdachten een aandeel hadden in de gedragingen (dan wel hebben zij deze minimaal ondersteund) die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, namelijk het oplichten van banken.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat aan alle voornoemde voorwaarden is voldaan, zodat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zoals vervat in een pleitnota, een aantal inleidende opmerkingen gemaakt ten aanzien van de start en het verloop van het onderzoek.

Ten aanzien van de fotoboeken en de fotoconfrontaties die hebben plaatsgevonden heeft de raadsman concluderend het volgende aangevoerd. Aan de samenstelling van het fotoboek en de wijze waarop de confrontaties hebben plaatsgevonden en de verslaglegging daarvan kleven dermate veel gebreken dat deze gang van zaken in strijd moet worden geacht met de algemene beginselen van een goede procesorde alsmede met de bepalingen van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek. Dit vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe - zoals vervat in de pleitnota - kort weergegeven het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de onder 1c en 2c ten laste gelegde feiten heeft de raadsman gesteld dat de ingezette bob-middelen een gevolg zijn geweest van de fotoconfrontaties die hebben plaatsgevonden. Nu deze fotoconfrontaties moeten worden uitgesloten van het bewijs, dienen ook de resultaten daarvan van het bewijs te worden uitgesloten. Voor deze feiten zal om die reden vrijspraak moeten volgen.

Voor wat betreft de onder 1a en 1b ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat (onder verwijzing naar de door hem gemaakte algemene opmerkingen ten aanzien van de fotoconfrontaties) de resultaten van de fotoconfrontatie met [katvanger 1] op geen enkele wijze mogen bijdragen aan het bewijs. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat op de verklaring van [katvanger 1] het nodige valt op te merken, waardoor deze niet als de meest betrouwbare verklaring kan worden aangemerkt en ook om die reden geen overtuigend bewijs kan opleveren.

Ten aanzien van het onder 1d ten laste gelegde heeft de raadsman opgemerkt dat geen sprake is van een herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 3]. De verklaring van medeverdachte [katvanger 3] ten aanzien van de rastaman is speculatief.

Voorts is aangevoerd dat de door medeverdachte [katvanger 1] verklaarde modus operandi zeer sterk afwijkt van de feiten waar medeverdachte [katvanger 3] bij betrokken zou zijn.

De “herkenning” door [naam getuige 2] is onbetrouwbaar en bovendien kan zijn verklaring niets zeggen over eventuele betrokkenheid van verdachte bij de onder 1d ten laste gelegde oplichting. Voor het overige zijn er geen concrete aanwijzingen die duiden op betrokkenheid van verdachte bij het onder 1d ten laste gelegde, zodat vrijspraak moet volgen.

Voor wat betreft het onder 1e ten laste gelegde heeft de raadsman opgemerkt dat medeverdachte [katvanger 4] niet heeft verklaard dat [bijnaam verdachte] die bewuste dag ook daadwerkelijk een deel van het geld zou hebben gekregen en evenmin dat hij die dag door [bijnaam verdachte] zou zijn aangestuurd of [bijnaam verdachte] anderszins bij deze specifieke zaak betrokken zou zijn geweest.

Medeverdachte [katvanger 4] maakt veel voorbehouden ten aanzien van de [bijnaam verdachte] die hij noemt.

De verklaring wordt niet betrouwbaarder wanneer hem steeds weer opnieuw wordt gevraagd naar de rol van de verschillende personen. Bij de rechter-commissaris wijkt de verklaring van [katvanger 4] op vitale onderdelen af van de door hem bij de politie afgelegde verklaring.

In de verklaring van [katvanger 4] staan veel aannames ten aanzien van de persoon die hij [bijnaam verdachte] noemt. De vraag is in hoeverre de getuigen door de politie zijn gevoed.

De verslaglegging van de fotoconfrontatie is volstrekt ontoereikend. Bovendien kunnen vragen worden gesteld bij de wijze van confronteren.

De modus operandi verschilt in het geval van [katvanger 4] danig met die in de gevallen van [katvanger 3] en [katvanger 1].

Ten slotte is door de raadsman aangevoerd dat [katvanger 4] ten aanzien van deze specifiek oplichting heeft verklaard dat alleen [naam medeverdachte] daarbij was. Ook om die reden zou vrijspraak moeten volgen. Hetgeen zich overigens in zaaksdossier 80 bevindt, kan aan die conclusie niet af doen.

Ten aanzien van het onder 2a ten laste gelegde heeft de raadsman ten aanzien van de verklaring van [katvanger 3] verwezen naar hetgeen hij daarover eerder al had opgemerkt. Voorts heeft hij aangevoerd dat [katvanger 3] weinig specifiek verklaart over deze betreffende bank. Voor wat betreft de in de woning aan de [adres] in Almere aangetroffen usb-stick heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte niet de enige bewoner was van de woning op voornoemd adres, uit het uittreksel niet blijkt wanneer dit zou zijn verkregen en het uittreksel bovendien niets over de deelnemingsvorm.

Ten aanzien van de onder 2b en 2c ten laste gelegde feiten heeft de raadsman verwezen naar hetgeen hij heeft opgemerkt ten aanzien van de onder 1e en 1c ten laste gelegde feiten.

Voor wat betreft de onder 3 ten laste gelegde bedreiging heeft de raadsman aangevoerd dat het feit dat de verdediging de aangever niet heeft kunnen bevragen dient te worden betrokken in de waardering van dat bewijsmiddel.

Op de camerabeelden van het benzinestation is geen bijrijder waarneembaar. Er zijn geen bewijsmiddelen die de aangifte van [naam aangever] ondersteunen. Gelet daarop dient vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit is aangevoerd dat één van de beweerdelijke deelnemers van de organisatie, [medeverdachte 5], schittert door afwezigheid. Hoewel in het zaaksdossier 188 gesteld wordt dat sprake zou zijn van een criminele organisatie is dat uit het zaaksdossier niet af te leiden. Verschillende beweerdelijke deelnemers van de organisatie zijn gedurende bepaalde perioden gedetineerd geweest. Het gaat te ver aan te nemen dat verdachte samen met mensen als [medeverdachte 4], [[medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] een organisatie zou hebben gevormd, enkel al om de reden dat [medeverdachte 4] in geen enkel dossier dat aan verdachte is ten laste gelegd voorkomt en datzelfde geldt ten aanzien van [[medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] (met uitzondering van de zaken waarin [katvanger 4] een rol speelt). Een eenvoudige verwijzing naar het volledige Bieslookonderzoek volstaat niet om te kunnen komen tot een bewezenverklaring. In een groot aantal zaaksdossiers komt verdachte niet voor en een aantal zaaksdossier waarin verdachte wel voor komt, is niet aan hem ten laste gelegd.

Er is, in tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd, geen sprake van eenzelfde modus operandi.

Concluderend heeft de raadsman aangevoerd dat voor het aannemen van een organisatie met een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband te weinig bewijs bestaat, zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Door diverse raadslieden, waaronder de raadsman van verdachte, zijn opmerkingen gemaakt ten aanzien van het verloop van het onderzoek.

De rechtbank overweegt hierover dat niet is gebleken van onrechtmatigheden bij de start van, dan wel bij het verdere verloop van het onderzoek.

Van de zijde van de verdediging is – kort gezegd – aangevoerd dat aan de samenstelling van het fotoboek en de wijze waarop de confrontaties hebben plaatsgevonden en de verslaglegging ervan dermate veel gebreken kleven dat deze gang van zaken in strijd moet worden geacht met de algemene beginselen van een goede procesorde alsmede met de bepalingen van het Besluit Toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek. Op basis van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient dit, aldus de verdediging, te leiden tot bewijsuitsluiting.

De rechtbank zal dit verweer telkens specifiek per zaaksdossier bespreken, maar stelt in zijn algemeenheid voorop dat het samenstellen van het fotoboek en het confronteren daarmee van een groot aantal verdachten in het Bieslookonderzoek is geschied in het kader van een opsporingsconfrontatie en niet in het kader van een bewijsconfrontatie, hetgeen impliceert dat voormeld Besluit niet van toepassing is.

De rechtbank ziet niet in op grond waarvan een aantal herkenningen door verdachten (in het kader van een opsporingsconfrontatie) in het onderzoek van een aantal personen voorkomend in het fotoboek niet zouden kunnen worden gebezigd voor het bewijs, juist omdat de rechter vrij is in de keuze van het bewijs, uiteraard binnen de kaders daartoe gegeven in het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank is daarbij wel van oordeel dat die herkenning alsdan steun moet vinden in ander bewijsmateriaal ter toetsing van de betrouwbaarheid van die herkenning.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank tevens van oordeel dat de ingezette bob-middelen, die onder meer zijn ingezet naar aanleiding van de gehouden fotoconfrontaties, niet per definitie van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

a. Zaaksdossier 4

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier de aangifte bevindt van de Rabobank en de verklaring van medeverdachte [katvanger 1]. Medeverdachte [katvanger 1] heeft kort gezegd bekend dat hij op 7 november 2008 de Rabobank in Voorthuizen heeft opgelicht .

Hij heeft verklaard dat een kleine man met dodemansogen de baas speelde en dat deze de orders onderweg gaf. Hij zei ook hoe medeverdachte [katvanger 1] zich moest gedragen en gaf aan hem de papieren die hij nodig had voor de oplichting. Hij deelde ook het geld uit na de oplichting en hij keek de formulieren na om te checken of medeverdachte [katvanger 1] alles correct had gedaan. Medeverdachte [katvanger 1] heeft voorts verklaard dat hij van die man altijd de valse rijbewijzen kreeg .

Medeverdachte [katvanger 1] is geconfronteerd met twee fotoboeken welke door het onderzoeksteam 25Bieslook zijn samengesteld en bij het bekijken van de foto’s verklaarde medeverdachte [katvanger 1]: foto 2: “Dat is die kleine waar ik het over had. Hij is de baas. Hij regelt alles. Hij heeft echt van die dodemansogen” . De rechtbank stelt vast dat sprake is van een 100% herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 1]. Echter in dit geval is sprake van een opsporingsconfrontatie, zodat de herkenning steun moet vinden in ander bewijsmateriaal ter toetsing van de betrouwbaarheid van die herkenning.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat zich in het dossier geen steunbewijs bevindt, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de onder 1a ten laste gelegde oplichting. Verdachte zal dan ook van het onder 1a ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

b. Zaaksdossier 184

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier de aangifte bevindt van de ING Bank en de verklaring van medeverdachte [katvanger 1]. Medeverdachte [katvanger 1] heeft kort gezegd bekend dat hij op 20 april 2009 de ING Bank in Zevenaar heeft opgelicht . De rechtbank overweegt dat medeverdachte [katvanger 1] heeft verklaard dat hij met die [bijnaam medeverdachte 3] en met [bijnaam medeverdachte] naar deze bank is gegaan . Voor wat betreft hetgeen medeverdachte [katvanger 1] heeft verklaard ten aanzien van de kleine man met dodemansogen (de kleine), verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover heeft opgenomen bij zaaksdossier 4 (zie hierboven).

Ook hier geldt ten aanzien van de herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 1] dat deze steun moet vinden in ander bewijsmateriaal ter toetsing van de betrouwbaarheid van die herkenning, aangezien sprake is van een opsporingsconfrontatie. De rechtbank overweegt dat voornoemde bewijsmateriaal in het dossier ontbreekt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte betrokken is geweest bij het onder 1b ten laste gelegde feit, zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken.

c. Zaaksdossier 151

De rechtbank overweegt dat onder 1c het medeplegen van een voltooide oplichting ten laste is gelegd. Om tot een bewezenverklaring van dat feit te kunnen komen is vereist dat de bedrogene door een oplichtingsmiddel daadwerkelijk wordt bewogen tot de afgifte van een geldbedrag. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Op 8 februari 2010 liepen diverse taps en observaties en uit de tapgesprekken bleek dat een vermoedelijke katvanger met een bestuurder van een auto naar de plaats Leersum zou rijden, alwaar een filiaal van de Rabobank is gevestigd, vermoedelijk volgens de verbalisanten om bancaire fraude te plegen. Na overleg door de teamleiding van de Bovenregionale Recherche Midden Nederland met officier van justitie mr., werd besloten om de bancaire fraude te laten plaatsvinden onder de restrictie dat door het bankpersoneel weliswaar zou worden gehandeld alsof er overboekingen plaats zouden vinden maar de daadwerkelijk overboekingen naar rekeningen van begunstigden achterwege zouden blijven. Dit is vervolgens kortgesloten met het betreffende bankfiliaal en aldus werd gehandeld. Door de bankmedewerker werd naast het uitvoeren van fictieve overboekingshandelingen ook een bedrag contant afgegeven. Nu echter het bankpersoneel vooraf op de hoogte gesteld was van de op handen zijnde oplichting en hieromtrent afspraken waren gemaakt kan niet in redelijkheid worden gesteld dat de bank door een oplichtingsmiddel tot de afgifte van het geldbedrag werd bewogen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een voltooid delict, zodat verdachte reeds op die grond van het onder 1c ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

d. Zaaksdossier 148

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier de aangifte bevindt van de Rabobank en de verklaring van medeverdachte [katvanger 3]. Medeverdachte [katvanger 3] heeft kort gezegd bekend dat hij op 6 januari 2010 de Rabobank in Blaricum heeft opgelicht .

Hij heeft verklaard dat hij via Blacka in contact is gekomen met onder meer rastaman. Hij heeft verklaard dat hij deze rastaman in een bar heeft gezien, een keer toen hij spullen kreeg voor zijn eerste oplichting en daarna nog een keer voordat hij een oplichting ging plegen en toen kreeg hij spullen van de rastaman. De rastaman heeft ook een keer kleding voor hem gehaald . Verder heeft hij over de rastaman verklaard dat het op hem over kwam dat hij alles regelde en dat hij de leiding had. Dat hij de valse papieren regelde en aan de gegevens van de banken kwam. Rastaman is volgens medeverdachte [katvanger 3] nooit met hem meegegaan .

Medeverdachte [katvanger 3] is geconfronteerd met twee fotoboeken welke door het onderzoeksteam 25Bieslook zijn samengesteld en bij het bekijken van de foto’s verklaarde medeverdachte [katvanger 3]: foto 2 en foto 2a: “Ik twijfel of dat die rastaman uit Almere is. Alleen zijn haar was meer in vlechtjes dan op foto 2a. Ik durf geen ja en ik durf geen nee te zeggen. Maar hij lijkt er echt heel veel op.”

De rechtbank stelt vast dat niet kan worden gesproken over een 100% herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 3].

Voorts stelt de rechtbank vast dat medeverdachte [katvanger 3] ook niet specifiek over de onder 1d ten laste gelegde oplichting over de rol van de rastaman heeft verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat er bovendien ten onrechte een opsporingsconfrontatie is gehouden, nu medeverdachte [katvanger 3] de persoon die verdachte (‘Rastaman’) zou moeten zijn slechts tweemaal heeft gezien. Dientengevolge had er voor een bewijsconfrontatie gekozen moeten worden.

Aan [naam getuige 2] (degene op wiens rekening het geld werd overgemaakt) is het fotoboek getoond en bij foto nummer 2 (foto van verdachte) heeft hij onder meer verklaard: “Volgens mij ken ik deze jongen wel. Hij houdt zich bezig met die fraude. Ik zag hem een keer met [naam] pasjes verzamelen. Deze jongen verzamelde niet de pasjes zelf maar wilde de rekeningnummers en namen weten. Deze jongen zou er dan voor zorgen dat het geld op de rekeningen gestort zou gaan worden ”.

De rechtbank is van oordeel dat ook deze verklaring geen bewijs op kan leveren voor betrokkenheid van verdachte bij de onder 1d ten laste gelegde oplichting, reeds vanwege het feit dat [naam getuige 2] niet specifiek ten aanzien van deze ten laste gelegde oplichting verklaart.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de onder 1d ten laste gelegde oplichting. Verdachte zal dan ook van het onder 1d ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

e. Zaaksdossier 80

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier de aangifte bevindt van de SNS Bank en de verklaring van medeverdachte [katvanger 4]. Medeverdachte [katvanger 4] heeft kort gezegd bekend dat hij op 11 augustus 2009 de SNS Bank in Brunssum heeft opgelicht .

De rechtbank overweegt dat medeverdachte [katvanger 4] heeft verklaard dat ze na deze oplichting meteen naar Rotterdam naar de Autorent reden en dat [bijnaam verdachte] daar ook was en dat het geld daar meteen werd verdeeld. Hij heeft verklaard dat hij denkt dat [bijnaam verdachte] verantwoordelijk was voor de papierhandel en dat hij [bijnaam verdachte] maar twee keer heeft gezien. Hij herkent van een foto verdachte als de [bijnaam verdachte] waarover hij verklaart .

Ook hier overweegt de rechtbank dat er een opsporingsconfrontatie is gehouden, terwijl voor een bewijsconfrontatie had moeten worden gekozen, aangezien medeverdachte [katvanger 4] [bijnaam verdachte] slechts tweemaal heeft gezien.

De rechtbank overweegt dat bij de fouillering van verdachte een sleutel is aangetroffen van de woning aan de [adres] in Almere. Op voornoemd adres heeft een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij onder meer pasfoto’s van verschillende personen zijn aangetroffen, waaronder die van medeverdachte [katvanger 4]. De pasfoto was identiek aan de pasfoto die op het vervalste rijbewijs op naam van [bevoegde bedrijf 6] en gebruikt bij de onderhavige oplichting is aangetroffen .

[getuige 3] heeft verklaard dat verdachte gebruik maakte van de woning en de huur betaalde, echter hij heeft tevens verklaard dat er meerdere personen gebruik maakten van deze woning . De rechtbank overweegt dat aldus niet valt uit te sluiten dat de aangetroffen voorwerpen aan een ander toebehoorden dan aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte betrokken is geweest bij het onder 1e ten laste gelegde feit, zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

a. Zaaksdossier 144

de rechtbank overweegt dat zich in het dossier de aangifte bevindt van de Rabobank en de verklaring van medeverdachte [katvanger 3]. Medeverdachte [katvanger 3] heeft kort gezegd bekend dat hij op 31 december 2009 de Rabobank in Loon op Zand heeft geprobeerd op te lichten.

Medeverdachte [katvanger 3] heeft kort gezegd verklaard dat ‘Rastaman’ betrokken was bij het oplichten van banken (zie overwegingen ten aanzien van zaaksdossier 148). Deze ‘Rastaman’ heeft verdachte tweemaal gezien. Medeverdachte [katvanger 3] is geconfronteerd met twee fotoboeken welke door het onderzoeksteam 25Bieslook zijn samengesteld en bij het bekijken van de foto’s verklaarde medeverdachte [katvanger 3]: foto 2 en foto 2a: “Ik twijfel of dat die rastaman uit Almere is. Alleen zijn haar was meer in vlechtjes dan op foto 2a. Ik durf geen ja en ik durf geen nee te zeggen. Maar hij lijkt er echt heel veel op” .

De rechtbank stelt vast dat niet kan worden gesproken over een 100% herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 3].

De rechtbank is van oordeel dat er ten onrechte een opsporingsconfrontatie is gehouden, nu medeverdachte [katvanger 3] de persoon die verdachte (‘Rastaman’) zou moeten zijn slechts tweemaal heeft gezien. Dientengevolge had er voor een bewijsconfrontatie gekozen moeten worden. Gelet op deze vaststelling dient de fotoconfrontatie te voldoen aan een aantal belangrijke voorschriften van het Besluit Toepassing Maatregelen in het belang van het onderzoek. Vast staat dat in ieder geval aan een aantal van deze voorschriften niet is voldaan.

Naar aanleiding van de aanhouding van verdachte is de woning aan de [adres] in Almere doorzocht; dit betreft het adres waar verdachte woonachtig was. Tijdens deze doorzoeking is een map in beslag genomen waarin meerdere uittreksels van de Kamer van Koophandel zaten. Eén van deze uittreksels betrof het bedrijf [bedrijf 5] te Waspik met als zakelijk rekeningnummer [rekeningnummer]. Dit rekeningnummer betreft hetzelfde rekeningnummer waarvan gepoogd werd een bedrag over te boeken.

De rechtbank is van oordeel dat, nu vorenstaande de enige mogelijke link is voor betrokkenheid van verdachte bij dit feit, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een veroordeling te kunnen komen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2a ten laste gelegde.

b. Zaaksdossier 72

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier de aangifte bevindt van de ING Bank en de verklaring van medeverdachte [katvanger 4]. Medeverdachte [katvanger 4] heeft kort gezegd bekend dat hij op 23 juli 2009 de ING Bank in Bergen op Zoom heeft opgelicht .

Medeverdachte [katvanger 4] heeft verklaard dat hij denkt dat [bijnaam verdachte] verantwoordelijk was voor de papierhandel en dat [bijnaam verdachte] met [naam medeverdachte 5] samen de regisseur was. Hij heeft verder verklaard dat hij [bijnaam verdachte] maar twee keer heeft gezien. Hij herkent van een foto verdachte als de [bijnaam verdachte] waarover hij verklaart .

De rechtbank stelt vast dat medeverdachte [katvanger 4] niet specifiek over de onder 2b ten laste gelegde oplichting over de rol van [bijnaam verdachte] heeft verklaard.

Voorts overweegt de rechtbank ook hier dat er een opsporingsconfrontatie is gehouden, terwijl voor een bewijsconfrontatie had moeten worden gekozen, aangezien medeverdachte [katvanger 4] [bijnaam verdachte] slechts tweemaal heeft gezien. Gelet op deze vaststelling dient de fotoconfrontatie te voldoen aan een aantal belangrijke voorschriften van het Besluit Toepassing Maatregelen in het belang van het onderzoek. Vast staat dat in ieder geval aan een aantal van deze voorschriften niet is voldaan.

De rechtbank overweegt dat bij de fouillering van verdachte een sleutel is aangetroffen van de woning aan de [adres] in Almere. Op voornoemd adres heeft een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij onder meer pasfoto’s van verschillende personen zijn aangetroffen, waaronder die van medeverdachte [katvanger 4]. De pasfoto was identiek aan de pasfoto die op het vervalste rijbewijs op naam van [bevoegde bedrijf 6] en gebruikt bij de onderhavige oplichting is aangetroffen .

[getuige 3] heeft verklaard dat verdachte gebruik maakte van de woning en de huur betaalde, echter hij heeft tevens verklaard dat er meerdere personen gebruik maakten van deze woning . De rechtbank overweegt dat aldus niet valt uit te sluiten dat de aangetroffen voorwerpen aan een ander toebehoorden dan aan verdachte.

Naar aanleiding van de aanhouding van verdachte is de woning aan de [adres] in Almere doorzocht; dit betreft het adres waar verdachte woonachtig was. Tijdens deze doorzoeking is een computer in beslag genomen. Naar de inhoud van de computer is nader onderzoek gedaan en is een tekstbestand aangetroffen met de personalia van [bevoegde bedrijf 6]. Dit zijn de personalia die gebruikt zijn op het vervalste rijbewijs in bezit van medeverdachte [katvanger 4] en gebruikt bij de onderhavige poging tot oplichting.

De rechtbank is van oordeel dat, nu vorenstaande de enige mogelijke link is voor betrokkenheid van verdachte bij dit feit, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een veroordeling te kunnen komen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2b ten laste gelegde.

c. Zaaksdossier 160

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier de aangifte bevindt van de Rabobank (zie inleiding) en de verklaring van [katvanger 5]. [katvanger 5] heeft kort gezegd een bekennende verklaring afgelegd . Hij herkent niemand uit de hem getoonde fotoboeken.

Voorts bevindt zich in het dossier de verklaring van één van de begunstigde rekeninghouders, mevrouw [rekeninghouder]. Zij heeft verklaard dat zij haar bankpas en bijbehorende pincode aan een jongen had gegeven omdat hij een manier wist om aan geld te komen van bedrijven. Vier dagen later werd zij door die jongen gebeld en moest zij een bedrag van € 4.500,00 van haar rekening opnemen en daarvan zou zij een deel krijgen. Zij is meerdere malen bij de bank geweest, maar het saldo bleek niet toereikend .

Aan [rekeninghouder] zijn de fotoboeken getoond, maar zij heeft daaruit niemand herkend.

De rechtbank overweegt dat in de fouillering van verdachte op 8 februari 2010 een bankpasje op naam van [rekeninghouder] en één op naam van [rekeninghouder] werd aangetroffen .

De rechtbank stelt vast dat dit beiden pasjes betreffen van de in de onderhavige zaak begunstigde rekeninghouders.

Naar aanleiding van de aanhouding van verdachte is de woning aan de [adres] in Almere doorzocht; dit betreft het adres waar verdachte woonachtig was. Tijdens deze doorzoeking werd een pasfoto aangetroffen die gelijk was aan de pasfoto die op het vervalste rijbewijs zat dat werd gebruikt bij de onderhavige poging tot oplichting.

Verdachte heeft verklaard: “Ik zeg ook niet dat ik er helemaal niets mee te maken heb. Met de dingen waar jullie me mee aangehouden hebben kan het toch niet zo zijn dat ik er niets mee te maken heb. Dat weten jullie ook.”

De rechtbank stelt vast dat door verdachte geen verklaring is gegeven voor de bij hem en in de woning aangetroffen voorwerpen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de onder 1c ten laste gelegde poging tot oplichting.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Aangever [naam aangever] verklaart op 31 oktober 2008 dat hij die dag op straat liep, dat er een auto naast hem stopte waar drie mannen in zaten, dat de bijrijder uitstapte en dat hij dan ziet dat deze een vuurwapen in zijn hand heeft. Aangever wordt dan gedwongen in de auto te gaan zitten en verklaart in de auto klappen te hebben gekregen. Uiteindelijk gaan ze naar de woning van aangever, waar hij nette kleding aan moet trekken. Ze gaan vervolgens eerst naar een parkeerterrein bij een supermarkt waar hij een rijbewijs krijgt, die hij van een handtekening moet voorzien. Hij ziet dat er op het rijbewijs geen pasfoto zit en dat de naam die erop stond leek op Abraham. Aangever verklaart vervolgens dat hij te horen kreeg dat hij naar een bank moest gaan om een spoedoverboeking te doen. Ze gaan naar het centraal station van Almere, waar hij pasfoto’s moet laten maken. Op enig moment vraagt aangever in de auto of hij shag mag kopen bij een tankstation en daartoe krijgt hij de gelegenheid.

Bij dat tankstation vraagt hij aan een medewerker het kenteken van de auto met de drie donkere jongens te noteren. Eén van de inzittenden van de auto’s is na aangever ook het tankstation binnen gelopen. Teruggekomen in de auto vraagt deze persoon aan aangever waarom hij het kenteken heeft laten opschrijven. De mannen in de auto worden dan boos en de bijrijder richt een wapen op het hoofd van aangever. Kort daarna wordt aangever uit de auto gezet, zo verklaart hij. Aangever heeft voorts verklaard dat hij tijdens de rit meermalen is geslagen en met een vuurwapen is bedreigd. Nadat hij de auto uit is gezet, heeft hij de medewerkster van het tankstation gebeld en is vervolgens naar het tankstation toe gelopen en heeft hij de medewerkster gevraagd of zij de politie wilde bellen .

Uit het fotoboek herkent aangever [naam aangever] op 17 december 2009 de persoon op foto 2 als degene die een pistool in handen had en dit op hem heeft gericht. Foto 2 betreft de foto van verdachte .

De rechtbank overweegt ten aanzien van de door [naam aangever] afgelegde verklaring dat hij een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd. De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de geloofwaardigheid en de juistheid van deze verklaring. De rechtbank overweegt echter dat de verklaring en herkenning door aangever [naam aangever] ten aanzien van verdachte, geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel.

Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de bedreiging van [naam aangever], zodat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Zaaksdossier 188

Naar vaste rechtspraak is een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een zekere organisatiegraad. Daarvan is sprake als binnen dit samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan.

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie is het voldoende dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

Aan deelneming worden twee algemene eisen gesteld. In de eerste plaats moet een verdachte behoren tot de organisatie. In de tweede plaats moet een verdachte een aandeel hebben in dan wel ondersteunen gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een gemeenschappelijke doelstelling, te weten het oplichten van banken op diverse plaatsen in Nederland door middel van het gebruikmaken van valse identiteitsbewijzen.

Ten aanzien van verdachte bevinden zich in het dossier onder meer de navolgende verklaringen.

Medeverdachte [katvanger 1] heeft bekend bancaire fraudes te hebben gepleegd en heeft onder meer verklaard dat verdachte de baas was die alles regelde. Hij heeft verklaard dat verdachte orders gaf, papieren regelde die nodig waren voor de oplichtingen en het geld verdeelde na een geslaagde oplichting. Medeverdachte [medeverdachte 3] kreeg, aldus medeverdachte [katvanger 1], vaak op zijn kop van verdachte als hij iets niet goed had gedaan.

Medeverdachte [katvanger 4] heeft verklaard (bij de rechter-commissaris) dat hij door [bijnaam medeverdacht[naam medeverdachte 5] (medeverdachte [medeverd[medeverdachte 5]) was benaderd en dat dat degene was die hem aanstuurde. Hij heeft verklaard heel vaak bij banken te zijn geweest. Als het niet lukte moest hij van [bijnaam medeverdacht[naam medeverdachte 5] naar een ander adres en daarover was dan eerst contact met verdachte ([naam]). Die naam heeft hij uit het dossier en hij heeft op de foto’s [bijnaam verdachte] (verdachte) herkend. Verdachte was degene die de papieren regelde en hij heeft verklaard er 4 à 5 keer bij geweest te zijn dat [bijnaam medeverdacht[naam medeverdachte 5] van [bijnaam verdachte] (verdachte) de documenten kreeg.

Medeverdachte [naam] heeft verklaard dat hij in contact is gekomen met [naam verdachte]. Hem wordt het fotoboek getoond en als hem de foto van verdachte wordt getoond zegt hij dat dit [naam verdachte] is. Hij verklaarde dat hij in opdracht van [naam verdachte] 4 of 5 keer naar [naam] is geweest in Den Haag om rijbewijzen te laten maken. Voor deze vervalsingen moest € 350,00 worden aanbetaald en als ze goed waren volgde de rest.

De rechtbank overweegt voorts dat bij de doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres] te Almere een USB stick werd aangetroffen met tekstbestanden met uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

De rechtbank overweegt voorts dat tijdens de doorzoeking aan de [adres] te Almere (waarvan verdachte een sleutel in bezit had bij zijn fouillering) diverse pasfoto’s en vervalste rijbewijzen werden aangetroffen, onder meer een pasfoto van medeverdachte [katvanger 4] (pagina 163 van zaaksdossier 80).

Voorts zijn in de fouillering van verdachte diverse bankpassen aangetroffen waaronder een bankpas op naam van [rekeninghouder] en een bankpas op naam van [rekeninghouder] (zie hierboven).

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de hiervoor aangehaalde verklaringen en deze in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Dat verdachte gedurende een gedeelte van de ten laste gelegde periode gedetineerd heeft gezeten, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook dan is het immers feitelijk mogelijk deel te nemen aan een criminele organisatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

hij in de periode van 14 juli 2009 tot en met 8 februari 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, (waaronder [katvanger 5]), ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid,

c) een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 5], te Haelen, gemeente Leudal (zaaksdossier 160)

te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, heeft verdachte

c) (zaaksdossier 160)

tezamen en in vereniging met [katvanger 5] en een ander op 8 februari 2010 te Haelen, gemeente Leudal, met voremomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 5] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 5] te Haelen, als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 7] zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 7] en

-(daarbij) gezegd dat hij een contante opname van 3.500 euro van genoemde (bedrijfs)rekening wilde doen en

-gezegd dat hij een spoedbetaling van 13.500 euro wilde regelen van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en een spoedbetaling van 29.600 euro van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 7] met daarop een foto van hem, [katvanger 5], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 februari 2010 in diverse plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen, aan een organisatie, die gevormd werd door verdachte en andere personen, onder andere: [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder andere valsheid in geschrifte en het gebruikmaken van valse documenten en bedreiging en oplichting, zulks terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld.

Van het onder 2c en 4 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 2c:

Medeplegen van poging tot oplichting, strafbaar gesteld bij de artikelen 47 juncto 45 juncto 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf opgemerkt dat geen geweldhandeling bewezen kan worden verklaard en dat mogelijk anderen geweld zouden hebben gebruikt, doet niet ter zake.

Voorts heeft hij betoogd dat het verschil tussen de strafeis tegen verdachte (en de beweerdelijke leden van de criminele organisatie) ten opzichte van de strafeis tegen de katvangers te hoog is.

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte gedurende lange tijd in beperkingen heeft gezeten.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de op te leggen straf in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een organisatie die zich op grote schaal en gedurende een aanzienlijke periode heeft bezig gehouden met criminele activiteiten, met name bancaire fraude, waarvan verdachte, tezamen met een aantal medeverdachten, de kern vormde.

Kort gezegd heeft verdachte tezamen en in vereniging met anderen door gebruik te maken van valse rijbewijzen en valse overboekingformulieren grote bedragen laten overboeken dan wel contant opgenomen. De overgeboekte bedragen werden vervolgens weggesluisd of direct contant opgenomen; uiteindelijk waren verdachte en/of zijn mededaders veelal de facto steeds de begunstigden.

Doordat verdachten voor het daadwerkelijk naar binnen gaan bij de banken om de overboekingen dan wel de contante opnamen te doen gebruik maakten van katvangers, werd bovendien het opsporen van hen bemoeilijkt en hebben zij er bovendien door aldus te handelen voor gezorgd dat anderen dan zijzelf verantwoordelijk werden gehouden en zij zelf buiten schot bleven.

Een en ander heeft ertoe geleid dat een aantal banken forse schade heeft geleden, nu zij de ten onrechte geïnde bedragen veelal niet kon 'storneren' en de benadeelde derden uit eigen middelen schadeloos heeft gesteld.

Verdachte heeft door zijn handelen de integriteit van het economische en financiële verkeer ernstig geschaad en verschillende banken financieel benadeeld. Voorts wordt door dit soort strafbare feiten het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in schriftelijke vormen van betalingsverkeer en in gegevens, ondermijnd. Verdachte heeft louter uit winstbejag gehandeld, zonder zich rekenschap te geven van de maatschappelijke gevolgen van zijn handelwijze.

Bij de keuze tot oplegging van een vrijheidbenemende straf en de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder mee laten wegen dat verdachte gedurende een langere periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich op grote schaal bezighoudt met onder meer oplichting. Verdachte vervulde hierbij een leidende rol. Verdachte heeft met zijn handelen eraan bijgedragen dat de banken alsmede de maatschappij in ernstige mate zijn benadeeld. Hij heeft bovendien, door op deze wijze aan de oplichtingen mee te werken, zichzelf bevoordeeld.

Voor de feiten als hier bewezen zijn verklaard zijn geen oriëntatiepunten straftoemeting vastgesteld. De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In uitspraken die zijn gedaan in vergelijkbare zaken zijn (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd.

Gelet op het voorgaande alsmede gelet op de lange duur waarin verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt daarbij ten nadele van de verdachte rekening met een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 21 april 2011, waaruit volgt dat verdachte reeds meerdere malen is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder ook voor vermogensdelicten en deelname aan een criminele organisatie. Gelet op voornoemde documentatie, houdt de rechtbank tevens rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

9 BESLAG

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 21 april 2011 onder 26 tot en met 28 vermelde voorwerpen (een drietal geheugenkaarten) te onttrekken aan het verkeer.

Ten aanzien van de overige op voornoemde lijst vermelde voorwerpen heeft zij gevorderd te bepalen dat deze aan de verdachte worden teruggegeven.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft opgemerkt dat de onder 24 en 25 op voornoemde lijst vermelde computers reeds aan de verdachte zijn teruggegeven. Hij heeft voorts verzocht de fotocamera, oud geld en diverse papieren aan de verdachte te retourneren.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 26 tot en met 28 vermelde voorwerpen (een drietal geheugenkaarten) dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De rechtbank overweegt daartoe dat de feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan.

De rechtbank is van oordeel dat de overige op voornoemde lijst vermelde voorwerpen aan verdachte dienen te worden teruggegeven.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [benadeelde partij 1]i, [benadeelde partij 2], Rabobank Nederland en de SNS Bank zich als benadeelde partijen in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op bedragen van respectievelijk € 20.000,00, € 5.455,00, € 98.384,83 en € 75.375,52.

10.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de bank rechtstreeks schade heeft geleden, aangezien de banken direct zijn opgelicht. De medewerkers van de banken zijn de personen geweest bij wie de oplichtinghandelingen zijn verricht. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 9 december 2008 (LJN: BF5074).

De officier van justitie heeft gevorderd:

-de vordering van de Rabobank toe te wijzen voor zover deze ziet op de zaaksdossier 4 en 148 en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk te verklaren in de vordering, aangezien deze zaaksdossiers op de tenlastelegging niet zijn uitgeschreven. Ten aanzien van de gestelde onderzoekskosten heeft de officier van justitie opgemerkt dat deze zijn toegelicht door de Rabobank;

-de vordering van de SNS Bank toe te wijzen voor zover deze ziet op zaaksdossier 80 en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk te verklaren in de vordering;

-de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, aangezien deze vordering ziet op zaaksdossier 112 en deze zaak niet aan verdachte ten laste is gelegd;

-de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe te wijzen, hoofdelijk en met toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht:

-de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, vanwege het ontbreken van een rechtstreeks verband;

-de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, vanwege de bepleite vrijspraak;

-de benadeelde partij Rabobank voor zover deze ziet op de zaaksdossiers 49 en 51 niet ontvankelijk te verklaren, aangezien deze zaaksdossiers niet op de tenlastelegging staan;

-de benadeelde partij Rabobank voor het overige eveneens niet ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak;

-de benadeelde partij SNS Bank niet ontvankelijk te verklaren voor zover deze ziet op de zaaksdossiers 13 en 15, aangezien deze niet op de tenlastelegging staan;

-de benadeelde partij SNS Bank voor het overige eveneens niet ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak.

10.3 Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 51a en artikel 361, tweede lid onder b van het Wetboek van Strafvordering kunnen benadeelde partijen een vordering tot schadevergoeding indienen mits er sprake is van schade die rechtstreeks aan hen is toegebracht door (het) bewezen verklaarde feit(en). Aan deze voorwaarde is voldaan als in de tenlastelegging de gedraging is omschreven die de schade heeft veroorzaakt. Immers op basis van de tenlastelegging dient de vordering te worden onderzocht. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 9 december 2008 (LJN BF5074) met betrekking tot banken geoordeeld dat zij zich als benadeelde partij kunnen stellen als de geleden schade in zodanig nauw verband staat met de i.c. bewezen verklaarde oplichtingen dat deze schade als rechtstreeks toegebracht kan worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu sprake van een zodanig nauw verband zodat de bank in beginsel in haar vordering kan worden ontvangen.

Rabobank Nederland

De rechtbank overweegt dat de door Rabobank Nederland ingediende vordering niet is onderbouwd. De vordering is slechts vergezeld van een korte brief waarin wordt aangegeven dat per verdachte een formulier is ingevuld, waarin verder wordt verwezen naar het ontnemingsrapport en waarin wordt aangegeven dat de onderzoekskosten kosten betreffen die zijn gemaakt om 1 tot 2 analisten gedurende langere tijd vrij te maken voor het onderzoek.

Op grond van de door Rabobank Nederland overgelegde stukken kan de rechtbank voorts niet beoordelen of sprake is van een rechtsgeldige machtiging en of de vordering aldus is ingediend door een daartoe bevoegde persoon.

Het thans alsnog laten onderzoeken van het voorgaande levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

SNS Bank

De rechtbank overweegt dat de zaaksdossiers 13 en 15 niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd, zodat de rechtbank de benadeelde partij voor zover haar vordering op deze zaaksdossiers ziet niet ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

Voor zover de vordering ziet op zaaksdossier 80 overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij eveneens niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu de rechtbank verdachte van dit feit zal vrijspreken.

[benadeelde partij 2]

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering, nu zij verdachte zal vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] dient in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank overweegt daartoe dat de vordering van de benadeelde partij ziet op zaaksdossier 112, welk zaaksdossier niet aan verdachte is ten laste gelegd. Aldus kan niet worden gesteld dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden ten gevolge van een aan verdachte ten laste gelegd feit.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 45, 47, 57, 63, 140 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- Verklaart niet bewezen hetgeen onder 1, 2a, 2b en 3 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2c en 4 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 2c en 4 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 21 april 2011 onder 26 tot en met 28 vermelde voorwerpen, te weten een memorystick en een tweetal usb-sticks;

- gelast de teruggave aan de verdachte van de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 21 april 2011 onder 1 tot en met 25 en 29 tot en met 32 vermelde voorwerpen, te weten: 22 mobiele telefoons (nummers 1 tot en met 17 en 19 tot en met 23), 1 telefoontoestel (nummer 18), 2 computers (nummers 24 en 25) en 4 simkaarten (nummers 29 tot en met 32);

Benadeelde partij Rabobank Nederland

- bepaalt dat de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Benadeelde partij SNS Bank

- bepaalt dat de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

- bepaalt dat de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]i

- bepaalt dat de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Iedema, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. J.E. Doornwaard en N. van Olst-van Esch, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2011.

Mr. Meijer, voornoemd, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.