Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR2440

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
07.660206-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de in de tenlastelegging genoemde uiting "als zij de politie zou bellen, ze zou zien wat er zou gebeuren" niet van dien aard dat bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat zij slachtoffer zou worden van een levensdelict althans zware mishandeling. Geen sprake van bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.660206-10 (P)

Uitspraak: 4 juli 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [woonplaats].

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 20 juni 2011, waarbij verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.N. Holtrop, advocaat te Ens.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E.J.P. Oosterwegel, en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 juli 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] (zijnde zijn levensgezel), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- (met kracht) een tas uit de hand(en) heeft getrokken/gerukt en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) bij de keel heeft gepakt en/of (vervolgens) de keel heeft dichtgeknepen en/of haar heeft geduwd ten gevolge waarvan zij (van een stoel) op de grond is gevallen en/of

- (met kracht) een telefoon uit haar hand heeft getrokken/gerukt en/of (daarbij) de vingers van haar hand heeft verdraaid en/of met zijn vinger in haar oog heeft geprikt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 juli 2010 in de gemeente [plaats] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer],

- (met kracht) een tas uit de hand(en) heeft getrokken/gerukt en/of

- (met kracht) bij de keel heeft gepakt en/of (vervolgens) de keel heeft dichtgeknepen en/of haar heeft geduwd ten gevolge waarvan zij (van een stoel) op de grond is gevallen en/of

- (met kracht) een telefoon uit haar hand heeft getrokken/gerukt en/of (daarbij) de vingers van haar hand heeft verdraaid en/of met zijn vinger in haar oog heeft geprikt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 16 juli 2010 in de gemeente [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegenover voornoemde [slachtoffer] gestaan en/of deze (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd :"Als je het geld nu niet terug stort, dan maak ik je af" en/of dat als ze (die [slachtoffer]) de politie zou bellen ze zou zien wat er ging gebeuren en/of dat als ze thuis zou blijven hij haar af zou maken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op vrijdag 16 juli 2010 omstreeks 17.54 uur vernamen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat zich op de [adres] [nummer] te [plaats] een mishandeling en bedreiging had voorgedaan. Ter plaatse deed [slachtoffer] aangifte van mishandeling en bedreiging begaan door verdachte. Op basis van het door [slachtoffer] opgegeven signalement van verdachte werd verdachte diezelfde dag om 18.06 uur door collega-verbalisanten staande gehouden, waarna verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verdachte om 18.08 uur aanhielden.

Nadien zijn een drietal personen, te weten [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], als getuigen gehoord.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Feit 1.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde, aangezien door het enkele vastpakken van de keel geen aanmerkelijke kans ontstaat op zwaar lichamelijk letsel.

De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen (met uitzondering van het verdraaien van vingers en het in het oog prikken), gelet op de verklaring van aangeefster, het door de politie waargenomen letsel, de getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte.

Feit 2.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaring van aangeefster, de verklaring van de getuige [getuige 3] en de verklaring van verdachte dat hij boos was.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het bij de keel pakken en dichtknijpen. Hoewel getuigen verklaren dat verdachte aangeefster bij de keel heeft gepakt, verklaart verdachte dat hij aangeefster bij haar keel heeft geduwd, waardoor zij van een stoel is gevallen. Het letsel van aangeefster sluit aan bij de verklaring van verdachte.

De raadsvrouw heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het bij de keel pakken en dichtknijpen.

Feit 2.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Verdachte bekent de woorden “dat aangeefster zou zien wat er ging gebeuren” te hebben gebezigd. Deze woorden zijn niet van dien aard en zijn niet onder zodanige omstandigheden gebezigd dat bij aangeefster redelijkerwijs vrees kon ontstaan dat zij het leven zou laten of zwaar mishandeld zou worden.

Voor de overige in de tenlastelegging gebruikte woorden is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte deze heeft gebezigd, omdat de verklaring van aangeefster geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar tas uit haar handen heeft getrokken en later een telefoon uit haar handen heeft getrokken. Verdachte heeft dit bekend.

Voorts heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar bij de keel pakte waardoor zij van de stoel op de grond viel. Verdachte kneep zo hard in haar keel dat zij geen adem kon halen.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte aan de tas van aangeefster trok. Later heeft verdachte aangeefster bij haar keel gepakt. Verdachte drukte tegen aangeefster aan waardoor zij van de stoel viel. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte aangeefster bij de keel heeft gegrepen en aangeefster heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen. De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte aangeefster ter hoogte van haar keel vastpakte waardoor aangeefster van de stoel viel.

Gezien het eenduidige karakter van de verklaring van voornoemde getuigen en het aantal getuigen is niet aannemelijk geworden dat deze getuigen hun verklaringen in strijd met de waarheid hebben afgelegd. De rechtbank acht dan ook de verklaringen, in onderlinge samenhang gelezen, betrouwbaar.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, niet aannemelijk geworden dat het bij aangeefster geconstateerde letsel op een andere wijze dan door het bij de keel pakken van aangeefster door verdachte is veroorzaakt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster bij haar keel heeft gepakt en aangeefster daarna heeft geduwd waardoor zij van een stoel op de grond is gevallen.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte een tas uit de handen van aangeefster heeft getrokken, aangeefster bij de keel heeft gepakt, haar heeft geduwd ten gevolge waarvan zij (van een stoel) op de grond is gevallen en een telefoon uit haar hand heeft getrokken.

Het zwaartepunt van deze handelingen is het (kortstondig) bij aangeefsters keel pakken. Deze handeling levert geen poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op, aangezien niet kan worden gesteld dat door aldus te handelen verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en dat hij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. De rechtbank acht voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel derhalve niet bewezen.

De rechtbank zal verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt echter genoegzaam dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten de mishandeling, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 2.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat “als zij de politie zou bellen ze zou zien wat er ging gebeuren”. Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 20 juni 2011 bekend deze woorden te hebben gebezigd.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling ex artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat die het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

De rechtbank is van oordeel dat deze woorden – dat aangeefster zou zien wat er ging gebeuren – niet van dien aard zijn en niet onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het risico liep in de toekomst slachtoffer te worden van een levensdelict althans van zware mishandeling.

Aangeefster heeft tevens verklaard dat verdachte heeft gezegd dat als ze het geld nu niet terug zou storten dat verdachte haar zou afmaken. Ten slotte zou verdachte hebben gezegd dat als aangeefster thuis zou blijven verdachte haar zou afmaken. Verdachte ontkent deze woorden te hebben gebezigd.

Het belastend bewijsmateriaal voor deze woorden bestaat louter uit de verklaring van aangeefster en vindt verder geen steun in de overige inhoud van het procesdossier. Derhalve acht de rechtbank onvoldoende wettig bewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde zinnen.

Gelet op het voorgaande ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte derhalve van dit feit vrijspreken.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1. (subsidiair)

hij op 16 juli 2010 in de gemeente [plaats] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer],

- (met kracht) een tas uit de handen heeft getrokken en

- (met kracht) bij de keel heeft gepakt en haar heeft geduwd ten gevolge waarvan zij (van een stoel) op de grond is gevallen en

- (met kracht) een telefoon uit haar hand heeft getrokken,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Van het onder 1 subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit uitsluiten.

7. DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1. (subsidiair)

Mishandeling begaan jegens zijn levensgezel.

8. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

9. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voor¬waarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag voor zolang de Reclassering dit nodig acht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De raadsvrouw heeft bepleit een (voorwaardelijke) taakstraf op te leggen waarbij de proeftijd korter dient te zijn dan twee jaar, aangezien verdachte reeds gedurende een lange periode zijn vakantiedagen heeft moeten inzetten voor zijn behandeling bij de Waag.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zijn (inmiddels ex-) levensgezel mishandeld. De rechtbank tilt zwaar aan geweld binnen de relationele sfeer. In huis en bij zijn partner behoort men zich veilig te kunnen voelen. Het handelen van verdachte vormt dan ook een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten hebben in het algemeen een grote impact op (het leven van) een slachtoffer, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid.

Op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht brengt de rechtbank bij het opleggen van na te melden straf in rekening de straf die de verdachte bij strafbeschikking d.d. 28 april 2011 is opgelegd.

Uit de rapporten van de Reclassering Nederland blijkt dat verdachte zich reeds gedurende een lange periode heeft ingezet bij de reclassering en voor het ondergaan van een behandeling bij De Waag. In verband met verdachtes werkzaamheden heeft hij hiervoor zijn verlofdagen moeten gebruiken. Met deze omstandigheid zal de rechtbank rekening houden bij de op te leggen straf.

De rechtbank zal een geheel voorwaardelijke taakstraf opleggen om zo verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen en om het opleggen van een bijzondere voorwaarde mogelijk te maken om aldus de ingezette behandelingen te continueren. De rechtbank acht het ondergaan van behandeling voor verdachte van groter belang dan het daarbij uitvoeren van een taakstraf, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 26 mei 2011;

- een de verdachte betreffend adviesrapport d.d. 18 oktober 2010 uitgebracht door M. Broere, reclasseringswerker van de Reclassering Nederland;

- een de verdachte betreffend voortgangsverslag opdrachtgever d.d. 17 juni 2011 uitgebracht door M. van Loenen, reclasseringswerker van de Reclassering Nederland.

10. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 60 uren;

beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf;

bepaalt dat de tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

bepaalt dat de taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mr. F.H. Schormans, voorzitter, mr. G. Blomsma en mr. L.P. de Haas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2011.