Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR2430

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
07.790001-11 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bancaire fraude - veroordeling medeplegen oplichting.

Het gebruik van het tot het dossier behorende fotoboek is door de rechtbank beoordeeld als zijnde een opsporingsconfrontatie, zodat een eventuele herkenning slechts als steunbewijs gebruikt kan worden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een hecht samenwerkingsverband waarvan sprake was vóór, tijdens en na het delict. Verdachte heeft papieren aangeleverd, rekeningnummers verstrekt en meegedeeld in de buit. Het feit dat hij in de auto bleef wachten doet daar niet aan af.

Rabobank Nederland kan in haar vordering tot schadevergoeding worden ontvangen nu er sprake is van een zodanig nauw verband dat zij rechtreekse schade heeft geleden. De rechtbank verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad gepubliceerd onder LJN BF5074.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.790001-11 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek is aangevangen ter openbare terechtzitting van 4 maart 2011 te Lelystad, waarbij verdachte niet is verschenen. De raadsman mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder is evenmin verschenen.

De inhoudelijke behandeling heeft op 16, 20 en 25 mei 2011 te Rotterdam plaatsgevonden. Verdachte is verschenen op 16 mei 2011, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Berbee. Ter terechtzitting van 20 en 25 mei 2011 is mr. Berbee verschenen, die verklaarde uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. Op 26 mei 2011 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten te Lelystad. Verdachte en zijn raadsman waren daarbij niet aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Vriezen-Buist en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 07 november 2008 tot en met 12 juni 2009 in diverse plaatsen in Nederland, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) andere(n) (waaronder (telkens) [katvanger 1] en/of [katvanger 2], (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) een medewerker van diverse banken te weten (onder meer)

a) een medewerker van de Rabobank [vestiging 1], te Voorthuizen, gemeente Barneveld, (zaaksdossier 4) en/of

b) een medewerker van de ING Bank te Zevenaar (zaaksdossier 184) en/of

c) een medewerker van Rabobank [vestiging 2] (zaaksdossier 116)

heeft bewogen tot de afgifte en/of overboeking van een geldbedrag, in elk geval van enig goed,

immers heeft verdachte (onder meer)

a)(zaaksdossier 4)

tezamen en in vereniging met [katvanger 1] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 7 november 2008 te Voorthuizen, in de gemeente Barneveld, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 1] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van Rabobank [vestiging 1] als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 1], zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 1] en/of

- (daarbij) tegen die medewerker gezegd dat hij een contante opname van 5.000 euro wilde doen van genoemde (bedrijfs)rekening en/of

- gezegd dat hij een spoedbetaling van 21.000 euro wilde regelen van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en een spoedbetaling van 24.950 euro van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

- (vervolgens) die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 1] met daarop een foto van hem, [katvanger 1], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

b)(zaaksdossier184)

tezamen en in vereniging met [katvanger 1] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 20 april 2009 te Zevenaar, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 1] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van ING bank [vestiging 1] als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 2], bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 2] en/of

- (daarbij) tegen die medewerker gezegd dat hij een contante opname van 5.000 euro wilde doen van genoemde (bedrijfs)rekening en/of

- (vervolgens) die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 2], met daarop een foto van hem, [katvanger 1], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

c)(zaaksdossier 116)

tezamen en in vereniging met [katvanger 2] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 12 juni 2009 te Losser, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 2] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van Rabobank [vestiging 2] als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 3], bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3] en/of

- (daarbij) tegen die medewerker gezegd dat hij een spoedbetaling van 11.500 euro wilde regelen van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

- (vervolgens) die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 3], met daarop een foto van hem, [katvanger 2], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

waardoor (telkens) voornoemde bankmedewerker(s) werd(en) bewogen tot voornoemde spoedbetalingen en/of overboekingen en/of afgiftes;

2.

hij in of omstreeks de periode van 16 december 2008 tot en met 3 april 2009 in diverse plaatsen in Nederland, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (waaronder (telkens) [katvanger 1] en/of [katvanger 3], althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf/misdrijven om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) een medewerker van diverse banken, te weten (onder meer)

a)een medewerker van Rabobank [vestiging 3] te Volendam (zaaksdossier 113) en/of

b)een medewerker van ING [vestiging 2] (zaaksdossier 185) en/of

c)een medewerker van Rabobank [vestiging 4] (zaaksdossier 54) en/of

d)een medewerker van ING [vestiging 3] (zaaksdossier 56)

te bewegen tot afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte (onder meer),

a)(zaaksdossier 113)

tezamen en in vereniging met [katvanger 1] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 18 november 2008 te Volendam, met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 1] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van Rabobank [vestiging 3] te Volendam, als de heer [bevoegde rekening] zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bevoegde rekening] en/of

- (daarbij) gezegd dat hij een contante opname van 5.000 euro dan wel van 4.000 euro van genoemde rekening wilde verrichten en/of

- (vervolgens) die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde rekening] met daarop een foto van hem, [katvanger 1], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

b) (zaaksdossier 185)

tezamen en in vereniging met [katvanger 1] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 22 april 2009 te Epe, met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 1] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van ING bank [vestiging 2], als de heer [bevoegde bedrijf 4] zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 4] en/of

- (daarbij) gezegd dat hij een contante opname van 4.500 euro van genoemde rekening wilde verrichten en/of

- gezegd dat hij een (spoed)betaling van 9.800 euro wilde regelen van genoemde rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

- (vervolgens) die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 4], met daarop een foto van hem, [katvanger 1], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

c)(zaaksdossier 54)

tezamen en in vereniging met [katvanger 3] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 16 december 2008 te Zetten, met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 3] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van Rabobank [vestiging 4], als de heer [bevoegde bedrijf 5] zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 5] en/of

- (daarbij) gezegd dat hij (een) spoedoverboeking(en) van de desbetreffende bankrekening wilde laten verrichten en/of

- (vervolgens) die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 5], met daarop een foto van hem, [katvanger 3], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

d)(zaaksdossier 56)

tezamen en in vereniging met [katvanger 3] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 3 april 2009 te Maarssen, met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 3] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van ING bank [vestiging 3], als de heer [bevoegde bedrijf 6] zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 6] en/of

- (daarbij) gezegd dat hij een spoedoverboeking van 9.000 euro van genoemde bankrekening wilde laten verrichten naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of een spoedoverboeking van 85.000 euro van genoemde bankrekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

- (vervolgens) die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 6], met daarop een foto van hem, [katvanger 3], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

terwijl (telkens) de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is/zijn voltooid;

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

Door diverse banken in Nederland werd aangifte gedaan van (bancaire) fraude.

In de aangiften werd een gelijkluidende werkwijze omschreven die erop neerkwam dat door onbekende personen met valse legitimatiebewijzen, meestal een Nederlands rijbewijs, oud model, ten name van de rekeninghouder of gemachtigde van een (zakelijke) betaalrekening kasopnames werden gedaan dan wel (spoed)overboekingen werden geregeld.

Deze vorm van fraude is door de politie onderzocht. Hieruit bleek dat er zich in de periode van 1 januari 2008 tot 8 februari 2010 veelvuldig frauduleuze bancaire kasopnamen en overboekingen plaatsvonden.

Gelet op het vorenstaande werd op 21 september 2009 door de Bovenregionale Recherche Midden Nederland een onderzoek gestart naar deze bancaire fraude onder de naam 25Bieslook.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Zaaksdossier 4

Op 20 november 2009 wordt er namens Rabobank Nederland aangifte gedaan van diverse oplichtingen dan wel pogingen daartoe. Eén van deze oplichtingen zou hebben plaatsgevonden op 7 november 2008 in Voorthuizen. Een man meldt zich op voornoemde datum bij de Rabobank [vestiging 1] in Voorthuizen en neemt ten laste van rekening [bedrijf 1] een bedrag van 5.000 euro op. Hij legitimeerde zich met een vals rijbewijs ten name van de heer [naam aangever], voorzien van een foto van hemzelf.

Tevens laat de man twee spoedoverboekingen uitvoeren. Een bedrag van 21.000 euro wordt overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en een bedrag van 24.950 euro naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder].

Bij de aangifte bevinden zich de camerabeelden van de bank van 7 november 2008, waarop de betreffende man te zien is. Op 10 november 2008 wordt door de heer [naam aangever], directeur eigenaar van het bedrijf [bedrijf 1], aangifte gedaan.

Op 27 april 2009 wordt medeverdachte [katvanger 1] aangehouden op verdenking van oplichting van meerdere banken. Zijn foto is in relatie met een eerdere oplichting geplaatst in het Recherche Informatiebulletin en een vergelijking van die foto met de camerabeelden van de Rabobank in Voorthuizen van 7 november 2008, levert de identificatie van medeverdachte [katvanger 1] op.

Verdachte wordt op 26 mei 2010 aangehouden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard mensen geronseld te hebben om geld wit te wassen. Uit het tot het onderzoek behorende fotoboek herkent verdachte medeverdachte [katvanger 1] als de [bijnaam katvanger 1] die hij geronseld heeft.

Zaaksdossier 184

Op 9 december 2009 wordt er namens de ING Bank N.V. aangifte gedaan van meerdere oplichtingen dan wel pogingen daartoe. Eén van deze oplichtingen zou hebben plaatsgevonden op 20 april 2009 in Zevenaar. Een man meldt zich op voornoemde datum aan de kasbalie van het ING kantoor in Zevenaar. De man stelt zichzelf voor en geeft zich uit voor de heer [bevoegde bedrijf 2], bevoegd voor de rekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 2]. De man gaf aan dat hij een bedrag van 5.000 euro wilde opnemen, welk bedrag aan hem is uitbetaald. Hij legitimeerde zich met een rijbewijs op naam van [bevoegde bedrijf 2].

Bij de aangifte bevinden zich een kopie van het getoonde rijbewijs en een kopie van de kastransactie.

Op 6 juli 2010 legt medeverdachte [katvanger 1] een bekennende verklaring af.

Verdachte wordt op 26 mei 2010 aangehouden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard mensen geronseld te hebben om geld wit te wassen. Uit het tot het onderzoek behorende fotoboek herkent verdachte medeverdachte [katvanger 1] als de [bijnaam katvanger 1] die hij geronseld heeft.

Zaaksdossier 116

Op 16 juni 2009 wordt er aangifte gedaan door de heer [bevoegde bedrijf 3] ter zake van oplichting gepleegd op 12 juni 2009 bij de Rabobank te Losser. Op genoemde datum verscheen er een man aan de balie bij de Rabobank en deed een spoedbetaling van 11.500 euro ten laste van de zakelijke rekening van [bedrijf 3] [rekeningnummer] naar rekening [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder]. De man legitimeerde zich met een rijbewijs op naam van de heer [bevoegde bedrijf 3], voorzien van een foto van hemzelf. Bij de aangifte zijn rekeningafschriften gevoegd. De Rabobank heeft camerabeelden beschikbaar gesteld.

Op 7 september 2009 wordt medeverdachte [katvanger 2] aan de hand van een foto op het Recherche Informatiebulletin, herkend door verbalisant [naam verbalisant]. De geplaatste foto is een print van de camerabeelden van de Rabobank in Losser. Zodoende wordt [katvanger 2] geïdentificeerd als zijnde de persoon die op 12 juni 2009 in Losser de Rabobank heeft opgelicht.

Verdachte wordt op 26 mei 2010 aangehouden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard mensen geronseld te hebben om geld wit te wassen. De heer [katvanger 2] was daar één van.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

Zaaksdossier 113

Op 20 november 2009 wordt er namens Rabobank Nederland aangifte gedaan van oplichtingen dan wel pogingen daartoe vermoedelijk gepleegd door [katvanger 1]. Eén van deze pogingen tot oplichting vond plaats op 18 november 2008 te Volendam. Een man meldt zich aan de balie van de Rabobank [vestiging 3] en wil aanvankelijk 5.000 euro opnemen ten laste van rekening [rekeningnummer] ten name van [bevoegde rekening]. Wegens onvoldoende saldo wordt dit bedrag gewijzigd in 4.000 euro. Deze man legitimeert zich met een rijbewijs op naam van [bevoegde rekening], voorzien van een foto van hemzelf. De bankmedewerkster vertrouwt het niet en loopt weg bij de balie. Hierop verlaat de man de bank. Bij de aangifte worden camerabeelden en een kopie van het gebruikte rijbewijs overlegd.

Op 19 december 2009 legt medeverdachte [katvanger 1] een bekennende verklaring af.

Verdachte wordt op 26 mei 2010 aangehouden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard mensen geronseld te hebben om geld wit te wassen. Uit het tot het onderzoek behorende fotoboek herkent verdachte medeverdachte [katvanger 1] als de [bijnaam katvanger 1] die hij geronseld heeft.

Zaaksdossier 185

Op 9 december 2009 wordt er namens ING Bank N.V. aangifte gedaan van oplichtingen dan wel pogingen daartoe. Eén van deze pogingen tot oplichting werd gepleegd op 22 april 2009 bij de ING bank in Epe. Een man verscheen aan de balie en deed zich voor als [bevoegde bedrijf 4], gemachtigde van de zakelijke rekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 4] Deze man legitimeerde zich met een rijbewijs op naam van [bevoegde bedrijf 4], voorzien van een foto van hemzelf. Ten laste van voornoemde zakelijke rekening wilde hij een contante opname van 4.500 euro doen. Daarnaast wilde hij een spoedbetaling van 9.800 euro naar rekening [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] regelen. Omdat de geplaatste handtekening op het rijbewijs afweek van de handtekening van de werkelijk bevoegde zoals deze bekend is bij de ING bank werd de overboeking niet uitgevoerd en het bedrag niet uitbetaald. Bij de aangifte is een kopie van het gebruikte rijbewijs overlegd.

Op 6 juli 2010 legt medeverdachte [katvanger 1] een bekennende verklaring af.

Verdachte wordt op 26 mei 2010 aangehouden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard mensen geronseld te hebben om geld wit te wassen. Uit het tot het onderzoek behorende fotoboek herkent verdachte medeverdachte [katvanger 1] als de [bijnaam katvanger 1] die hij geronseld heeft.

Zaaksdossier 54

Op 5 februari 2009 wordt er namens de Rabobank [vestiging ] aangifte gedaan van een poging tot oplichting gepleegd op 16 december 2008 bij de Rabobank te Zetten. Een man legitimeerde zich als de heer [bevoegde] en wil een telefonische overboeking doen. Uit een EVA/VIS toets bleek de legitimatie onjuist te zijn. De baliemedewerkster wilde een chef raadplegen, waarop de man vervolgens vertrok.

Medeverdachte [katvanger 3] heeft een bekennende verklaring afgelegd.

Op 3 april 2009 wordt er namens ING Nederland aangifte gedaan van een poging tot oplichting gepleegd op 3 april 2009 bij de ING bank te Maarssen. Een man legitimeerde zich als de heer [bevoegde bedrijf 6] en wilde van de zakelijke rekening van [bedrijf 6] twee overboekingen doen. De spoedoverboekingen moesten gedaan worden naar rekening [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] tot een bedrag van 9.000 euro en een bedrag van 85.000 euro naar rekening [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder]. Het rijbewijs van de heer [bevoegde bedrijf 6] stond als gestolen geregistreerd. De politie werd gebeld en de man -zijnde katvanger [katvanger 3]- werd aangehouden.

Medeverdachte [katvanger 3] heeft een bekennende verklaring afgelegd.

Verdachte wordt op 26 mei 2010 aangehouden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard mensen geronseld te hebben om geld wit te wassen. De heer [katvanger 3] was daar één van.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van al hetgeen ten laste is gelegd zal worden veroordeeld.

Zij heeft daartoe –zoals vervat is in het op schrift gesteld requisitoir- voor het onder 1.a, b, 2.a en b ten laste gelegde gewezen op de aangifte van de banken, de verklaring van medeverdachte [katvanger 1], de verklaring van getuige [getuige 1] en het feit dat verdachte samen met [katvanger 1] in een auto is gecontroleerd op 15 januari 2009. Daarnaast heeft zij voor schakelbewijs gewezen op de verklaring van katvanger [katvanger 3].

Ter zake van het onder 1.c heeft de officier van justitie onder meer verwezen naar de aangifte van de Rabobank, de verklaring van katvanger [katvanger 2], de herkenning van verdachte als “[bijnaam verdachte]” en het telefoonnummer van verdachte.

Het bewijs voor het onder 2.c en d ten laste gelegde is gelegen in de aangiften van de banken, de verklaring van katvanger [katvanger 3], de herkenning van verdachte, het mobiele telefoonnummer van verdachte, de verklaring van katvanger [katvanger 1] en het TOMTOM-navigatiesysteem wat aangetroffen is in een VW Golf met daarin het adres van de Rabobank [vestiging].

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe - zoals vervat in de pleitnota - kort weergegeven het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft erkend betrokken te zijn geweest bij een aantal pogingen en voltooide delicten, maar heeft slechts een ondersteunende rol gehad door medeverdachten te vervoeren. Uit de verklaringen van de katvangers [katvanger 1], [katvanger 2] en [katvanger 3] blijkt niet dat de rol van verdachte dusdanig was dat er gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking. Er zijn geen afspraken en er is geen duidelijke taakverdeling. Het enkele vervoeren en een beperkte vergoeding voor dit vervoeren is geen medeplegen maar hooguit medeplichtigheid. Nu dit niet ten laste is gelegd dient er vrijspraak te volgen.

Bovendien moet er rekening gehouden worden met het feit dat de katvangers elkaar kennen en hun verklaringen mogelijk op elkaar zijn afgestemd.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

a. zaaksdossier 4

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 7 november 2008 in Voorthuizen tezamen en in vereniging de Rabobank [vestiging 1] heeft opgelicht.

In het dossier is naast de aangifte van de Rabobank Nederland de verklaring van katvanger [katvanger 1] bruikbaar voor het bewijs.

Medeverdachte [katvanger 1] verklaart dat verdachte hem in contact heeft gebracht met ‘de organisatie’. [katvanger 1] moest met een vals rijbewijs geld opnemen of overschrijven naar andere rekeningen. Verdachte maakte deel uit van deze ‘organisatie’. Hij ging altijd mee als ze naar banken gingen. Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 mei 2011 verklaard dat hij [katvanger 1] herkent als één van de mensen die hij geronseld heeft voor de organisatie.

Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende blijkt dat verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij de oplichting van de Rabobank te Voorthuizen op 7 november 2008. Medeverdachte [katvanger 1] verklaart niet specifiek over de aanwezigheid van verdachte bij voornoemde bank. Het enkele verklaren dat verdachte altijd aanwezig was, acht de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1.a ten laste gelegde.

b. zaaksdossier 184

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 20 april 2009 te Zevenaar tezamen en in vereniging de ING bank heeft opgelicht.

In het dossier is naast de aangifte van de ING bank de verklaring van katvanger [katvanger 1] bruikbaar voor het bewijs.

Medeverdachte [katvanger 1] verklaart dat ‘[bijnaam verdachte]’ hem in contact heeft gebracht met ‘de organisatie’. [katvanger 1] moest met een vals rijbewijs geld opnemen of overschrijven naar andere rekeningen. Verdachte maakte deel uit van deze ‘organisatie’. In het fotoboek wijst [katvanger 1] verdachte aan als zijnde de ‘[bijnaam verdachte]’ waarover hij verklaart.

De rechtbank is van oordeel dat de herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 1] aangemerkt moet worden als een opsporingsconfrontatie. [katvanger 1] heeft immers verdachte bij zijn bijnaam dan wel zijn voornaam genoemd en verklaarde daarnaast dat verdachte altijd aanwezig was bij de oplichtingen, hij kende hem derhalve. Aldus is van een bewijsconfrontatie geen sprake. Nu sprake is van een opsporingsconfrontatie kan de herkenning door [katvanger 1] enkel en alleen ter ondersteuning van mogelijk overige bewijsmiddelen dienen.

Met betrekking tot de oplichting van de ING bank in Zevenaar verklaart [katvanger 1] dat hij samen met [bijnaam ch[bijnaam katvanger 1]] en verdachte naar deze bank ging. Hij werd thuis opgehaald door verdachte. Vervolgens werden hij en verdachte in Almere opgehaald door [bijnaam ch[bijnaam katvanger 1]]. Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 mei 2011 verklaard dat hij [katvanger 1] herkent als één van de mensen die hij geronseld heeft voor de organisatie.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichting van de ING bank in Zevenaar op 20 april 2009.

Opzet

Medeverdachte [katvanger 1] heeft voorts verklaard dat verdachte bij de oplichtingen dubbelspel speelde. Als [katvanger 1] alleen met verdachte bij een bank was, kreeg [katvanger 1] de opdracht van verdachte eerst geld over te maken naar de rekeningnummers die verdachte verstrekte en daarna naar de rekeningnummers van ‘de organisatie’. Zo heeft medeverdachte [katvanger 1] eens 5000 euro opgenomen en overhandigd aan verdachte. [katvanger 1] verklaart ook dat verdachte hem papieren verstrekte. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van katvanger [katvanger 2]. Hij verklaart eveneens dat verdachte hem gegevens voor de oplichtingen verstrekte en dat [katvanger 2] een boeking voor verdachte zelf moest doen.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaringen van katvangers [katvanger 1] en [katvanger 2] tezamen met de verklaring van verdachte dat hij wist dat het ronselen verkeerd en crimineel was maar een buitenkansje was om geld te verdienen op zijn minst voorwaardelijk opzet op de oplichting impliceert.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de verklaring van [katvanger 1] als [katvanger 2] gebezigd kunnen worden voor het bewijs. Er is niet gebleken dat er enige afstemming tussen beide katvangers zou hebben plaatsgevonden. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Nauwe en bewuste samenwerking

De rechtbank overweegt dat er om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde medeplegen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Fysieke aanwezigheid bij de uitvoering van het delict en het zelf verrichten van uitvoeringshandelingen is niet noodzakelijk.

In casu is er sprake van deelneming van verdachte aan de ten laste gelegde oplichting die gekwalificeerd kan worden als medeplegen. Verdachte heeft immers katvangers geronseld en vervoerd. Daarnaast heeft verdachte papieren ten behoeve van de oplichtingen geleverd aan [katvanger 1], gaf hij rekeningnummers en bedragen door aan hem en deelde hij in de buit. De rechtbank is zodoende van oordeel dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een hecht samenwerkingsverband waarvan sprake was vóór, tijdens en na het delict. Het feit dat verdachte in de auto bleef wachten terwijl de katvanger de bank oplichtte doet daar niet aan af, temeer nu verdachte zich niet gedistantieerd heeft.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [katvanger 1] de ING bank in Zevenaar op 20 april 2009 heeft opgelicht.

c. zaaksdossier 116

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 12 juni 2009 te Losser tezamen en in vereniging de Rabobank heeft opgelicht.

In het dossier is naast de aangifte van de heer [bevoegde bedrijf 3] de verklaring van katvanger [katvanger 2] bruikbaar voor het bewijs.

Medeverdachte [katvanger 2] verklaart dat hij benaderd werd om geld te verdienen. Vervolgens heeft hij ‘[bijnaam verdachte]’ ontmoet. ‘[bijnaam verdachte]’ vervoerde [katvanger 2] naar Almere waar hij een rijbewijs kreeg met zijn foto erop. ‘[bijnaam verdachte]’ legde uit dat [katvanger 2] een bank in moest en daar geld moest opnemen en geldoverboekingen gaan regelen. [katvanger 2] kon‘[bijnaam verdachte]’ bereiken op het nummer [mobiele telefoonnummer]. Medeverdachte [katvanger 2] heeft in het fotoboek verdachte aangewezen als zijnde de ‘[bijnaam verdachte]’ waar hij over verklaart.

De rechtbank stelt vast dat [katvanger 2] verdachte voor 90% zeker herkent. De herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 2] moet worden aangemerkt als een opsporingsconfrontatie. [katvanger 2] heeft immers verdachte bij zijn bijnaam genoemd en verklaarde daarnaast dat verdachte altijd aanwezig was bij de oplichtingen, hij kende hem derhalve. Aldus is van een bewijsconfrontatie geen sprake. Nu sprake is van een opsporingsconfrontatie kan de herkenning door [katvanger 2] enkel en alleen ter ondersteuning van mogelijk overige bewijsmiddelen dienen.

Met betrekking tot de oplichting van de Rabobank in Losser verklaart [katvanger 2] dat hij samen met ‘[bijnaam onbekend gebleven persoon]’ en verdachte naar deze bank ging. Hij werd in Almere opgepikt bij een station door verdachte. Vervolgens reden ze met zijn drieën eerst naar Rijssen en daarna naar Losser. De gegevens van de persoon waar [katvanger 2] zich voor uitgaf, kreeg hij van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 mei 2011 verklaard dat hij [katvanger 2] herkent als één van de mensen die hij geronseld heeft voor de organisatie. Aldus wordt hiermee de verklaring van [katvanger 2] ondersteund.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichting van de Rabobank in Losser op 12 juni 2009.

Opzet

Medeverdachte [katvanger 2] heeft ondermeer verklaard dat hij van verdachte een agenda kreeg waar hij de details van de oplichtingen kon opschrijven. Verdachte overhandigde hem de gegevens voor de oplichtingen. Hetzij in de vorm van een uitdraai van de Kamer van Koophandel hetzij op een notitieblaadje. [katvanger 2] kreeg vervolgens van verdachte de opdracht een spoedoverboeking te doen en daarnaast geld op te nemen van het rekeningnummer dat ‘[bijnaam onbekend gebleven persoon]’ verstrekte. In de auto moest [katvanger 2] een sigaret opsteken als de spoedoverboeking gelukt was. Zo wist ‘[bijnaam verdachte]’ dat de overboeking gelukt was. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van katvanger [katvanger 1]. Hij verklaart ook dat verdachte hem gegevens verstrekte en dat [katvanger 1] een overboeking voor verdachte moest doen.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaringen van katvangers [katvanger 2] en [katvanger 1] tezamen met de verklaring van verdachte dat hij wist dat het ronselen verkeerd en crimineel was maar een buitenkansje was om geld te verdienen , op zijn minst voorwaardelijk opzet op de oplichting impliceert.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de verklaring van [katvanger 2] als [katvanger 1] gebezigd kunnen worden voor het bewijs. Er is niet gebleken dat er enige afstemming tussen beide katvangers zou hebben plaatsgevonden. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Nauwe en bewuste samenwerking

De rechtbank overweegt dat er om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde medeplegen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Fysieke aanwezigheid bij de uitvoering van het delict en het zelf verrichten van uitvoeringshandelingen is niet noodzakelijk.

In casu is er sprake van deelneming van verdachte aan de ten laste gelegde oplichting die gekwalificeerd kan worden als medeplegen. Verdachte heeft immers katvangers geronseld en vervoerd. Daarnaast heeft verdachte papieren ten behoeve van de oplichtingen geleverd aan [katvanger 2], gaf hij rekeningnummers en gegevens van bedrijven door aan hem. De rechtbank is zodoende van oordeel dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een hecht samenwerkingsverband waarvan sprake was vóór, tijdens en na het delict. Het feit dat verdachte in de auto bleef wachten terwijl de katvanger de bank oplichtte doet daar niet aan af, temeer nu verdachte zich niet gedistantieerd heeft.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [katvanger 2] de Rabobank in Losser op 12 juni 2009 heeft opgelicht.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

a. zaaksdossier 113

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 18 november 2008 in Volendam tezamen en in vereniging gepoogd heeft de Rabobank [vestiging 3] op te lichten.

In het dossier is naast de aangifte van de Rabobank Nederland de verklaring van katvanger [katvanger 1] bruikbaar voor het bewijs.

Medeverdachte [katvanger 1] verklaart dat verdachte hem in contact heeft gebracht met ‘de organisatie’. [katvanger 1] moest met een vals rijbewijs geld opnemen of overschrijven naar andere rekeningen. Verdachte maakte deel uit van deze ‘organisatie’. Hij ging altijd mee als we naar banken gingen. Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 mei 2011 verklaard dat hij [katvanger 1] herkent als één van de mensen die hij geronseld heeft voor de organisatie.

Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende blijkt dat verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij de oplichting van de Rabobank te Volendam op 18 november 2008. Medeverdachte [katvanger 1] verklaart niet specifiek over de aanwezigheid van verdachte bij voornoemde bank. Het enkele verklaren dat verdachte altijd aanwezig was, acht de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2.a ten laste gelegde.

b. zaaksdossier 185

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 22 april 2009 te Epe tezamen en in vereniging gepoogd heeft de ING bank op te lichten.

In het dossier is naast de aangifte van de ING bank de verklaring van katvanger [katvanger 1] bruikbaar voor het bewijs.

Medeverdachte [katvanger 1] verklaart dat ‘[bijnaam verdachte]’ hem in contact heeft gebracht met ‘de organisatie’. [katvanger 1] moest met een vals rijbewijs geld opnemen of overschrijven naar andere rekeningen. Verdachte maakte deel uit van deze ‘organisatie’. In het fotoboek wijst [katvanger 1] verdachte aan als zijnde de ‘[bijnaam verdachte]’ waarover hij verklaart.

De rechtbank is van oordeel dat de herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 1] aangemerkt moet worden als een opsporingsconfrontatie. [katvanger 1] heeft immers verdachte bij zijn bijnaam dan wel zijn voornaam genoemd en verklaarde daarnaast dat verdachte altijd aanwezig was bij de oplichtingen, hij kende hem derhalve. Aldus is van een bewijsconfrontatie is geen sprake. Nu sprake is van een opsporingsconfrontatie kan de herkenning door [katvanger 1] kan enkel en alleen ter ondersteuning van mogelijk overige bewijsmiddelen dienen.

Met betrekking tot de oplichting van de ING bank in Epe verklaart [katvanger 1] dat hij samen met [bijnaam chauffeur] en verdachte naar deze bank ging. Hij werd thuis opgehaald door verdachte. Vervolgens werden hij en verdachte in Almere opgehaald door [bijnaam chauffeur]. Nadat de opname mislukt was, ging [katvanger 1] terug naar de auto en gaf hij de papieren aan [bijnaam ch[bijnaam katvanger 1]]. Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 mei 2011 verklaard dat hij [katvanger 1] herkent als één van de mensen die hij geronseld heeft voor de organisatie.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte betrokken is geweest bij de poging tot oplichting van de ING bank in Epe op 22 april 2009.

Opzet

Medeverdachte [katvanger 1] heeft voorts verklaard dat verdachte bij de oplichtingen dubbelspel speelde. Als [katvanger 1] alleen met verdachte bij een bank was, kreeg [katvanger 1] de opdracht van verdachte eerst geld over te maken naar de rekeningnummers die verdachte verstrekte en daarna naar de rekeningnummers van ‘de organisatie’. Zo heeft medeverdachte [katvanger 1] eens 5000 euro opgenomen en overhandigd aan verdachte. [katvanger 1] verklaart ook dat verdachte hem papieren verstrekte. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van katvanger [katvanger 2]. Hij verklaart eveneens dat verdachte hem gegevens voor de oplichtingen verstrekte en dat [katvanger 2] een boeking voor verdachte zelf moest doen.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaringen van katvangers [katvanger 1] en [katvanger 2] tezamen met de verklaring van verdachte dat hij wist dat het ronselen verkeerd en crimineel was maar een buitenkansje was om geld te verdienen , op zijn minst voorwaardelijk opzet op de oplichting impliceert.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de verklaring van [katvanger 1] als [katvanger 2] gebezigd kunnen worden voor het bewijs. Er is niet gebleken dat er enige afstemming tussen beide katvangers zou hebben plaatsgevonden. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Nauwe en bewuste samenwerking

De rechtbank overweegt dat er om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde medeplegen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Fysieke aanwezigheid bij de uitvoering van het delict en het zelf verrichten van uitvoeringshandelingen is niet noodzakelijk.

In casu is er sprake van deelneming van verdachte aan de ten laste gelegde poging tot oplichting die gekwalificeerd kan worden als medeplegen. Verdachte heeft immers katvangers geronseld en vervoerd. Daarnaast heeft verdachte papieren ten behoeve van de oplichtingen geleverd aan [katvanger 1], gaf hij rekeningnummers en bedragen door aan hem en deelde hij in de buit. De rechtbank is zodoende van oordeel dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een hecht samenwerkingsverband waarvan sprake was vóór, tijdens en na het delict. Het feit dat verdachte in de auto bleef wachten terwijl de katvanger de bank oplichtte doet daar niet aan af, temeer nu verdachte zich niet gedistantieerd heeft.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [katvanger 1] gepoogd heeft de ING bank in Epe op 22 april 2009 op te lichten.

c.en d. zaaksdossier 54

Rabobank te Zetten

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 16 december 2008 tezamen en in vereniging gepoogd heeft de Rabobank te Zetten op te lichten.

In het dossier is naast de aangifte van de Rabobank Nederland de verklaring van katvanger [katvanger 3] bruikbaar voor het bewijs.

Medeverdachte [katvanger 3] verklaart dat ene ‘[bijnaam verdachte]’ uit [woonplaats verdachte] hem in contact heeft gebracht met ‘de organisatie’. [katvanger 3] moest met een vals rijbewijs geld opnemen of overschrijven naar andere rekeningen. ‘[bijnaam verdachte]’ was de chauffeur. Hij haalde [katvanger 3] telkens op en verstrekte hem gegevens. Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 mei 2011 verklaard dat hij [katvanger 3] herkent als één van de mensen die hij geronseld heeft voor de organisatie.

Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende blijkt dat verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij de poging tot oplichting van de Rabobank te Zetten op 16 december 2008. Medeverdachte [katvanger 3] verklaart niet specifiek over de aanwezigheid van verdachte bij voornoemde banken. Het enkele verklaren dat verdachte altijd aanwezig was, acht de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2.c ten laste gelegde.

ING bank te Maarssen

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 3 april 2009 te Maarssen tezamen en in vereniging gepoogd heeft de ING bank op te lichten.

In het dossier is naast de aangifte van de ING bank de verklaring van katvanger [katvanger 3] bruikbaar voor het bewijs.

Medeverdachte [katvanger 3] verklaart dat ene ‘[bijnaam verdachte]’ uit [woonplaats verdachte] hem in contact heeft gebracht met ‘de organisatie’. [katvanger 3] moest met een vals rijbewijs geld opnemen of overschrijven naar andere rekeningen. “[bijnaam verdachte]’ was de chauffeur. Hij haalde [katvanger 3] telkens op en verschafte hem gegevens voor de oplichting. [katvanger 3] geeft een signalement van ‘[bijnaam verdachte]’ en verklaart dat hij in [woonplaats verdachte] woont aan de [adres]. Vervolgens wijst [katvanger 3] in het fotoboek verdachte aan als zijnde ‘[bijnaam verdachte]’ waar hij over verklaart.

De rechtbank is van oordeel dat de herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 1] aangemerkt moet worden als een opsporingsconfrontatie. [katvanger 1] heeft immers verdachte bij zijn bijnaam dan wel zijn voornaam genoemd en verklaarde daarnaast dat verdachte altijd aanwezig was bij de oplichtingen, hij kende hem derhalve. Aldus is van een bewijsconfrontatie is geen sprake. Nu sprake is van een opsporingsconfronatie kan de herkenning door [katvanger 1] kan enkel en alleen ter ondersteuning van mogelijk overige bewijsmiddelen dienen.

Met betrekking tot de oplichting van de ING bank in Maarssen verklaart [katvanger 3] dat er met twee auto’s naar Maarssen werd gereden. Hij zat in de auto bij verdachte. In Maarsen werd hem de bank aangewezen. Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 mei 2011 verklaard dat hij [katvanger 3] herkent als één van de mensen die hij geronseld heeft voor de organisatie.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte betrokken is geweest bij de poging tot oplichting van de ING bank in Maarssen op 3 april 2009.

Opzet

Medeverdachte [katvanger 3] heeft ondermeer verklaard dat verdachte de persoon was die hem vertelde wat de bedoeling was. Hij verschafte hem gegevens van de Kamer van Koophandel en gaf instructies hoe [katvanger 3] moest handelen in de banken. De gegevens moest hij uit zijn hoofd leren en kreeg hij de avond of de ochtend voor de (poging tot ) oplichting. [katvanger 1] verklaart ook dat verdachte hem papieren verstrekte. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van katvangers [katvanger 2] en [katvanger 1]. Zij verklaren eveneens dat verdachte hen gegevens voor de oplichtingen verstrekte.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaringen van katvangers [katvanger 1] en [katvanger 2] tezamen met de verklaring van [katvanger 3] en de verklaring van verdachte dat hij wist dat het ronselen verkeerd en crimineel was maar een buitenkansje was om geld te verdienen , op zijn minst voorwaardelijk opzet op de oplichting impliceert.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de verklaringen van [katvanger 1] en [katvanger 3] als van [katvanger 2] gebezigd kunnen worden voor het bewijs. Er is niet gebleken dat er enige afstemming tussen beide katvangers zou hebben plaatsgevonden. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Nauwe en bewuste samenwerking

De rechtbank overweegt dat er om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde medeplegen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Fysieke aanwezigheid bij de uitvoering van het delict en het zelf verrichten van uitvoeringshandelingen is niet noodzakelijk.

In casu is er sprake van deelneming van verdachte aan de ten laste gelegde poging tot oplichting die gekwalificeerd kan worden als medeplegen. Verdachte heeft immers katvangers geronseld en vervoerd. Daarnaast heeft verdachte papieren ten behoeve van de oplichtingen geleverd aan [katvanger 3] en gaf hij rekeningnummers en bedragen door aan hem. De rechtbank is zodoende van oordeel dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een hecht samenwerkingsverband waarvan sprake was vóór, tijdens en na het delict. Het feit dat verdachte in de auto bleef wachten terwijl de katvanger de bank oplichtte doet daar niet aan af. Temeer nu verdachte zich niet gedistantieerd heeft.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [katvanger 3] gepoogd heeft de ING bank in Maarssen op 3 april 2009 op te lichten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 07 november 2008 tot en met 12 juni 2009 in diverse plaatsen in Nederland, op verschillende tijdstippen, tezamen en in vereniging met anderen waaronder [katvanger 1] en/of [katvan[katvanger 2], telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid telkens een medewerker van diverse banken te weten

b) een medewerker van de ING Bank te Zevenaar (zaaksdossier 184) en

c) een medewerker van Rabobank [vestiging 2] (zaaksdossier 116) en

heeft bewogen tot de afgifte en/of overboeking van een geldbedrag,

immers heeft verdachte

b)(zaaksdossier184)

tezamen en in vereniging met [katvanger 1] op 20 april 2009 te Zevenaar, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 1] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van ING bank [vestiging 1] als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 2], bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 2] en

- daarbij tegen die medewerker gezegd dat hij een contante opname van 5.000 euro wilde doen van genoemde bedrijfsrekening en

- vervolgens die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 2], met daarop een foto van hem, [katvanger 1], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

c)(zaaksdossier 116)

tezamen en in vereniging met [katvanger 2] op 12 juni 2009 te Losser, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 2] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van Rabobank [vestiging 2] als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 3], bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3] en

- daarbij tegen die medewerker gezegd dat hij een spoedbetaling van 11.500 euro wilde regelen van genoemde bedrijfsrekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en

- vervolgens die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond op naam van [bevoegde bedrijf 3], met daarop een foto van hem, [katvanger 2], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

waardoor telkens voornoemde bankmedewerkers werden bewogen tot voornoemde spoedbetalingen en/of afgiftes;

2.

in de periode van 16 december 2008 tot en met 3 april 2009 in diverse plaatsen in Nederland, op verschillende tijdstippen, tezamen en in vereniging met [katvanger 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid een medewerker van diverse banken, te weten

b)een medewerker van ING [vestiging 2] (zaaksdossier 185) en

d)een medewerker van ING [vestiging 3] (zaaksdossier 54),

te bewegen tot afgifte van een geldbedrag,

hebbende verdachte,

b) (zaaksdossier 185)

tezamen en in vereniging met [katvanger 1] op 22 april 2009 te Epe, met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 1] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van ING bank [vestiging 2], als de heer [bevoegde bedrijf 4] zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 4] en

- daarbij gezegd dat hij een contante opname van 4.500 euro van genoemde rekening wilde verrichten en

- gezegd dat hij een spoedbetaling van 9.800 euro wilde regelen van genoemde rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en

- vervolgens die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 4], met daarop een foto van hem, [katvanger 1], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en

d)(zaaksdossier 56)

tezamen en in vereniging met [katv[katvanger 3] op 3 april 2009 te Maarssen, met vorenomschreven oogmerk zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

- [katvanger 3] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerker van ING bank [vestiging 3], als de heer [bevoegde bedrijf 6] zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 6] en

- daarbij gezegd dat hij een spoedoverboeking van 9.000 euro van genoemde bankrekening wilde laten verrichten naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en een spoedoverboeking van 85.000 euro van genoemde bankrekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en

- vervolgens die medewerker, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 6], met daarop een foto van hem, [katvanger 3], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

terwijl telkens de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet is voltooid.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Onder 1.b en c, telkens:

Medeplegen van oplichting, strafbaar gesteld bij artikel 326 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Onder 2.b en d, telkens:

Medeplegen van poging tot oplichting, strafbaar gesteld bij artikel 326 juncto de artikelen 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot 15 (vijftien) maanden gevangenisstraf.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf primair opgemerkt dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn gelet op het feit dat het oudste ten laste gelegde feit dateert van ruim twee en half jaar geleden. Voorts heeft de raadsman betoogd dat verdachte een First Offender is. Gezien zijn persoonlijke omstandigheden zou als strafmodaliteit een taakstraf passend zijn.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

In het bijzonder overweegt de rechtbank het navolgende.

Verdachte heeft met zijn medeverdachten door het aannemen van een valse naam en hoedanigheid banken bewogen tot afgifte van geld dan wel gepoogd banken tot afgifte van geld te bewegen.

Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan ernstige en overlastgevende feiten. Niet alleen veroorzaken dergelijke vermogensmisdrijven schade voor financiële instellingen, ook het vertrouwen van de gebruikers van het bancaire systeem wordt door dit type misdrijven ondermijnd. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij kennelijk enkel uit winstbejag is gekomen tot het plegen van genoemde misdrijven. De rechtbank overweegt dat het eventueel verkeren in een financieel minder rooskleurige positie geen excuus oplevert voor het plegen van dergelijke misdrijven.

Voor de feiten als hier bewezen zijn verklaard zijn geen oriëntatiepunten straftoemeting vastgesteld. De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In uitspraken die zijn gedaan in vergelijkbare zaken zijn (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in beginsel op strafbare feiten zoals door verdachte begaan, moet worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt echter ten voordele van verdachte rekening met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 19 april 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Gelet hierop zal de rechtbank aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf maar een forse werkstraf opleggen. De rechtbank zal wel, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde zaken veelal ‘oudere’ zaken betreft. De termijn waarop deze zaken ter beoordeling zijn voorgelegd is onwenselijk maar niet onredelijk lang gelet op de ingewikkeldheid van de zaak (m.n. het tijdrovende onderzoek wat daarmee gepaard is gegaan) en het procesverloop. De rechtbank acht het dan ook niet noodzakelijk dat aan de overschrijding van de redelijke termijn een rechtsgevolg wordt verbonden.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft Rabobank Nederland zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 83.443,33.

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de bank rechtstreeks schade heeft geleden, aangezien de banken direct zijn opgelicht. De medewerkers van de banken zijn de personen geweest bij wie de oplichtinghandelingen zijn verricht. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 9 december 2008 (LJN: BF5074).

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de Rabobank toe te wijzen voor zover deze ziet op zaaksdossier 150 en de benadeelde partij voor het overige niet -ontvankelijk te verklaren in de vordering.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de Rabobank niet-ontvankelijk te verklaringen gelet op de door hem betoogde vrijspraak. Subsidiair heeft hij eveneens niet-ontvankelijk verklaring van de Rabobank Nederland in haar vordering betoogd vanwege het ontbreken van de gegevens van de Kamer van Koophandel en onduidelijk is of de persoon die de vordering heeft ingediend ook daadwerkelijk gemachtigd was.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 51a en artikel 361, tweede lid onder b van het Wetboek van Strafvordering kunnen benadeelde partijen een vordering tot schadevergoeding indienen mits er sprake is van schade die rechtstreeks aan hen is toegebracht door (het) bewezen verklaarde feit(en). Aan deze voorwaarde is voldaan als in de tenlastelegging de gedraging is omschreven die de schade heeft veroorzaakt. Immers op basis van de tenlastelegging dient de vordering te worden onderzocht. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 9 december 2008 (LJN BF5074) met betrekking tot banken geoordeeld dat zij zich als benadeelde partij kunnen stellen als de geleden schade in zodanig nauw verband staat met de i.c. bewezen verklaarde oplichtingen dat deze schade als rechtstreeks toegebracht kan worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu sprake van een zodanig nauw verband zodat de bank in beginsel in haar vordering kan worden ontvangen.

Rabobank Nederland

De rechtbank overweegt dat de door Rabobank Nederland ingediende vordering niet is onderbouwd. De vordering is slechts vergezeld van een korte brief waarin wordt aangegeven dat per verdachte een formulier is ingevuld, wordt verwezen naar het ontnemingsrapport en waarin wordt aangegeven dat de onderzoekskosten kosten betreffen die zijn gemaakt om 1 tot 2 analisten gedurende langere tijd vrij te maken voor het onderzoek.

Op grond van de door Rabobank Nederland overgelegde stukken kan de rechtbank voorts niet beoordelen of sprake is van een rechtsgeldige machtiging en of de vordering aldus is ingediend door een daartoe bevoegde persoon.

Het thans alsnog laten onderzoeken van het voorgaande levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

De rechtbank:

Vrijspraak

- Verklaart niet bewezen hetgeen onder 1.a, 2.a en c aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1.b, c, 2.b en d ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1.b, c, 2.b en d meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden geheel voorwaardelijk.

- bepaalt dat als de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt de rechter alsnog de tenuitvoerlegging van die straf kan gelasten;

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren.

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf.

- bepaalt dat de tijd, die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag.

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij Rabobank Nederland in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en

M. Iedema, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. J.E. Doornwaard en N. van Olst-van Esch, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2011.