Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR2349

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
07.790006-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bancaire fraude - veroordeling. Vrijspraak van criminele organisatie.

Het gebruik van het tot het dossier behorende fotoboek is door de rechtbank beoordeeld als zijnde een opsporingsconfrontatie, zodat een eventuele herkenning slechts als steunbewijs gebruikt kan worden.

Gelet op het feit dat het bankpersoneel bij de onder 1d ten laste gelegde oplichting vooraf op de hoogte was gesteld van de op handen zijnde oplichting kan niet in redelijkheid gesteld worden dat de bank door een oplichtingsmiddel tot afgifte van het geldbedrag werd bedrogen. Geen sprake van een voltooide oplichting.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het dossier blijkt dat er sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een gemeenschappelijke doelstelling (te weten het oplichten van banken door Nederland met behulp van valse identiteitsbewijzen). Er kan echter niet bewezen worden dat verdachte hiervan deel uitmaakte.

Rabobank Nederland kan in haar vordering tot schadevergoeding worden ontvangen nu er sprake is van een zodanig nauw verband dat zij rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad gepubliceerd onder LJN BF5074.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.790006-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 20 mei 2010, 11 augustus 2010, 28 oktober 2010 en 4 januari 2011 te Lelystad, waarbij de verdachte telkens is verschenen. Verdachte werd op 20 mei 2010, 11 augustus 2010 en op 4 januari 2011 bijgestaan door mr. T. den Haan, advocaat te Amsterdam en op 28 oktober 2010 door mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.

De inhoudelijke behandeling heeft op 17, 19, 20 en 24 mei 2011 in Rotterdam plaatsgevonden. Het onderzoek ter terechtzitting is op 26 mei 2011 in Lelystad gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Vriezen-Buist en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 07 november 2008 tot en met 8 februari 2010 in diverse plaatsen in Nederland, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) andere(n) (waaronder (telkens) [katvanger 1] en/of [katvanger 2] en/of [katvanger 3]), (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) een medewerk(st)er van diverse banken te weten (onder meer)

a) een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 1] te Baarle-Nassau (zaaksdossier 140) en/of

b) een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 2] te Geesteren, gemeente Tubbergen (zaaksdossier 150) en/of

c) een medewerk(st)er van de ING Bank te Nunspeet (zaaksdossier 175) en/of

d) een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 3] te Leersum (zaaksdossier 151)

heeft bewogen tot afgifte en/of overboeking van een geldbedrag, in elk geval van enig goed,

immers heeft verdachte (onder meer)

a) (zaaksdossier 140)

tezamen en in vereniging met [katvanger 1] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 6 november 2009 te Baarle-Nassau, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 1] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van Rabobank [vestiging 1] als zijnde bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 1] en/of

-(daarbij) tegen die medewerk(st)er gezegd dat hij een spoedbetaling van 44.979,62 euro wilde regelen van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 1] met daarop een foto van hem, [katvanger 1], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

b) (zaaksdossier 150)

tezamen en in verenging met [katvanger 2] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 20 januari 2010 te Geesteren, gemeente Tubbergen, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 2] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 2] als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 2] bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 2] en/of

-(daarbij) tegen die medewerk(st)er gezegd dat hij een contante opname van 2.000 euro wilde doen van genoemde (bedrijfs)rekening en/of

-een spoedbetaling van 14.370 euro wilde regelen van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 2] met daarop een foto van hem, [katvanger 2], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

c) (zaaksdossier 175)

tezamen en in vereniging met [katvanger 2] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 04 september 2009 te Nunspeet, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 2] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van de ING bank te Nunspeet als zijnde [bevoegde bedrijf 3] bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3] en/of

-(daarbij) tegen die medewerk(st)er gezegd dat hij een contante opname van 4.650 euro wilde doen van genoemde (bedrijfs)rekening en/of

-gezegd dat hij een spoedbetaling wilde verrichten van 21.000 euro van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en van 59.000 euro van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs heeft getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 3] met daarop een foto van hem, [katvanger 2], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

en/of

d) (zaaksdossier 151)

tezamen en in vereniging met [katvanger 3] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 08 februari 2010 te Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 3] heeft zich voorgedaan bij een bankmedewerk(st)er van Rabobank [vestiging 3] als zijnde de heer [bevoegde bedrijf 4], bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 4] en/of

-(daarbij) tegen die medewerk(st)er gezegd dat hij een spoedbetaling van 36.000 euro wilde regelen van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of een spoedbetaling van 12.050 euro van genoemde (bedrijfs)rekening naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijf 4] met daarop een foto van hem, [katvanger 3], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

waardoor (telkens) de bankmedewerk(st)er(s) werd(en) bewogen tot voornoemde spoedbetalingen en/of overboekingen en/of afgiftes;

2.

hij op of omstreeks 27 januari 2010 te Dongen, gemeente Dongen, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 4] te bewegen tot de afgifte en/of overboeking van (in totaal) 8.000,- euro, in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met [katvanger 4] en/of (een) ander(en) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 4] heeft zich voorgedaan bij voornoemde bankmedewerk(st)er als de heer [bevoegde bedrijfsrekening] en/of

-gezegd dat hij geld wenste over te boeken van een (bedrijfs)rekening en/of

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijfsrekening], met daarop een foto van hem, [katvanger 4], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 februari 2010 in diverse plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen, aan een organisatie, die gevormd werd door verdachte en/of één of meer andere personen, onder andere [namen verdachten criminele organisatie] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder andere valsheid in geschrifte en/of het gebruikmaken van valse documenten en/of mishandeling en/of bedreiging en/of oplichting.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

Door diverse banken in Nederland werd aangifte gedaan van (bancaire) fraude.

In de aangiften werd een gelijkluidende werkwijze omschreven die erop neerkwam dat door onbekende personen met valse legitimatiebewijzen, meestal een Nederlands rijbewijs, oud model, ten name van de rekeninghouder of gemachtigde van een (zakelijke) betaalrekening kasopnames werden gedaan dan wel (spoed)overboekingen werden geregeld.

Deze vorm van fraude is door de politie nader onderzocht. Hieruit bleek dat er zich in de periode van 1 januari 2008 tot 8 februari 2010 veelvuldig frauduleuze bancaire kasopnamen en overboekingen plaatsvonden.

Gelet op het vorenstaande werd op 21 september 2009 door de Bovenregionale Recherche Midden Nederland een onderzoek gestart naar deze bancaire fraude onder de naam 25Bieslook.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

a. Zaaksdossier 140

Op 28 januari 2010 wordt er namens Rabobank Nederland aangifte gedaan van meerdere (pogingen tot) oplichtingen. Eén van deze oplichtingen zou hebben plaatsgevonden op 6 november 2009 in Baarle Nassau. Een onbekende man meldt zich aan de balie van de Rabobank de [vestiging 1] in Baarle Nassau en laat een spoedoverboeking uitvoeren ten laste van rekeningnummer [rekeningnummer] (op naam van [bedrijf 1]) naar rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [rekeninghouder] .

Bij de aangifte bevinden zich de camerabeelden van de bank van 6 november 2009, waarop de betreffende man te zien is.

Op 1 februari 2010 werd vastgesteld wie de persoon, zichtbaar op de afdrukken van de beveiligingsbeelden welke bij de aangifte waren gevoegd, betrof. Het bleek te gaan om medeverdachte [katvanger 1] . Op 4 maart 2010 is medeverdachte [katvanger 1] aangehouden.

Verdachte is op 8 februari 2010 aangehouden.

b. Zaaksdossier 150

Op 4 februari 2010 wordt er namens Rabobank Nederland aangifte gedaan van meerdere (pogingen tot) oplichtingen. Eén van deze oplichtingen zou hebben plaatsgevonden op 20 januari 2010 in Geesteren. Een onbekende man meldt zich aan de balie van de Rabobank [vestiging 2] en wil een spoedoverboeking doen. Het formulier daarvoor wordt ingevuld. Hij wil € 14.370,00 overmaken naar rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [rekeninghouder]. Voorts wil hij € 2.000,00 opnemen .

Bij de aangifte bevinden zich een kopie van het getoonde rijbewijs, een kopie van het opnamedocument, een kopie van de spoedoverboeking en de camerabeelden van de bank van 20 januari 2010, waarop de betreffende man te zien is.

Op 30 maart 2010 worden de voornoemde camerabeelden getoond in het programma Opsporing Verzocht en naar aanleiding daarvan worden verbalisanten op 31 maart 2010 op straat aangesproken door een persoon die aangaf dat de man die op de beelden te zien was, woonachtig is op het adres [adres] . De verbalisanten bellen aan bij voornoemd adres en daar blijkt medeverdachte [katvanger 2] te wonen. Medeverdachte [katvanger 2] wordt uiteindelijk op 6 april 2010 aangehouden.

Verdachte is op 8 februari 2010 aangehouden.

c. Zaaksdossier 175

Op 22 april 2010 wordt er namens de ING Bank aangifte gedaan van oplichting.

Op 4 september 2009 verscheen een man aan de kasbalie van het ING kantoor in Nunspeet die zichzelf voorstelde als en zich uitgaf voor de heer [bevoegde], bevoegd voor de ING betaalrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 3] De man legitimeerde zich door middel van een rijbewijs op naam van [bevoegde bedrijf 3], voorzien van een goed gelijkende pasfoto van de man die voor de balie stond. De man wilde twee bedragen overboeken door middel van een spoedbetaling. Er zou een bedrag van € 21.000,00 overgemaakt moeten worden op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en een bedrag van € 59.000,00 op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder]. Voorts wilde de man nog een opname doen van € 4.650,00 . Bij de aangifte bevinden zich onder meer het bij de bank getoonde rijbewijs en kopieën van de spoedbetalingen en van de contante opname.

Ook namens[bedrijf 3] is aangifte gedaan.

Op 6 april 2010 is medeverdachte [katvanger 2] aangehouden (zie hiervoor bij zaaksdossier 150) en op 8 februari 2010 is verdachte aangehouden.

d. Zaaksdossier 151

Op 9 februari 2010 wordt er namens Rabobank Nederland aangifte gedaan van meerdere (pogingen tot) oplichtingen. Eén van deze oplichtingen zou hebben plaatsgevonden op 8 februari 2010 in Leersum. De man die de oplichting pleegde deed zich voor als [bevoegde bedrijf 4], bevoegde of gemachtigde voor bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 4] De man legitimeerde zich door middel van een rijbewijs op naam van [bevoegde bedrijf 4], met daarop een foto van hemzelf. Er zou een bedrag van € 36.000,00 overgemaakt moeten worden op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] en een bedrag van € 12.050,00 op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] . Bij de aangifte bevinden zich de camerabeelden van de bank van 8 februari 2010, waarop de betreffende man te zien is.

Het bij de bank getoonde rijbewijs wordt uiteindelijk aangetroffen in de Fiat Bravo, die op naam staat van de vriendin van verdachte .

Op 16 februari 2010 is medeverdachte [katvanger 3] aangehouden. Hij verklaart onder meer dat hij de persoon is op het bij de bank getoonde rijbewijs en dat hij op 8 februari 2010 bij de betreffende bank in Leersum is geweest en aldaar een tweetal spoedoverboekingen moest doen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Zaaksdossier 163

Op 27 januari 2010 wordt er namens de Rabobank aangifte gedaan van een poging tot oplichting. Op voornoemde datum stuurt een baliemedewerkster van het filiaal van de Rabobank in Dongen een mail dat zij bezig is met een klant en het niet vertrouwt. Aangever [naam aangever] rijdt vervolgens direct richting dat filiaal en ziet de betreffende man achter de balie staan. De politie is op dat moment al in kennis gesteld. Aangever krijgt te horen dat de man zich legitimeerde met een vals rijbewijs op naam van [bevoegde bedrijfsrekening] en dat hij geld wilde overboeken . Bij de aangifte bevinden zich de camerabeelden van de bank van 27 januari 2010, waarop de betreffende man te zien is.

De man is de bank uitgelopen, is buiten de bank aangehouden en bleek te zijn medeverdachte [katvanger 4] . Verdachte is op 8 februari 2010 aangehouden en in de auto waarin hij reed werd een Tomtom navigatiesysteem aangetroffen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Zaaksdossier 188

Onderzoek Bieslook is een onderzoek naar bancaire fraude. Uit voornoemd onderzoek blijkt volgens de verbalisanten dat sprake was van een criminele organisatie waaraan de in het relaas proces-verbaal van onderzoek genoemde verdachten zouden hebben deelgenomen. In het relaas proces-verbaal van onderzoek wordt omschreven wat volgens de verbalisanten het oogmerk van de organisatie was en wordt de rolverdeling omschreven. Voorts worden de factoren omschreven waarin volgens de verbalisanten het uitgangspunt om de groep als organisatie te definiëren ligt besloten. Ten slotte worden de feiten omschreven waaruit de structuur van de organisatie blijkt en vindt een nadere uitwerking (per verdachte) plaats.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 1a ten laste gelegde heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van medeverdachte [katvanger 1] en dat deze heeft verklaard dat hij bij de betreffende bank is geweest en zich herkende bij het zien van de camerabeelden. De officier van justitie heeft aangegeven dat medeverdachte [katvanger 1] medeverdachte [naam medeverdachte 1] herkent als [bijnaam medeverdachte 1] en medeverdachte [naam medeverdachte 2] als [naam medeverdachte 2]. Medeverdachte [katvanger 1] heeft verklaard dat de chauffeur die dag in een zwarte VW Polo reed en dat het idee om naar Baarle Nassau te gaan van de chauffeur kwam. Uit BlueView en uit gegevens van het CJIB blijkt dat verdachte in de periode van april 2009 tot en met januari 2010 de beschikking heeft gehad over twee VW Polo’s, beide blauw van kleur. Door medeverdachte [katvanger 2] is verklaard dat [bijnaam verdachte], waarmee hij verdachte zou bedoelen, in een VW Polo, kleur zwart/donkergrijs, reed.

Ten aanzien van het onder 1b en 1c ten laste gelegde heeft de officier van justitie in de eerste plaats gewezen op de verklaring van medeverdachte [katvanger 2] en heeft delen van deze verklaring aangestipt. Voorts heeft zij gewezen op het feit dat in de telefoon van verdachte onder “[naam]” het telefoonnummer van medeverdachte [katvanger 2] staat opgeslagen en dat deze laatste bij de politie heeft verklaard dat [bijnaam verdachte], waarmee hij verdachte zou bedoelen, hem [bijnamen] noemde. Uit onderzoek blijkt dat het telefoonnummer van medeverdachte [katvanger 2] in de periode van 7 januari 2010 tot en met 21 januari 2010 22 keer contact heeft gehad met het telefoonnummer van verdachte. Specifiek heeft de officier van justitie daarbij gewezen op een contact op 20 januari 2010.

Voor wat betreft het onder 1d ten laste gelegde heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van medeverdachte [katvanger 3]. Voorts heeft zij gewezen op de onderzoeken telecommunicatie en op de observatie van 8 februari 2010. Bij de fouillering van verdachte worden onder meer een bankpas aangetroffen op naam van [rekeninghouder], zijnde het slachtoffer in deze zaak, en een A4 papier met daarop een verzoek tot overboeking van € 12.050,00, met naam [rekeninghouder]. In de auto die verdachte bestuurde zijn een vervalst rijbewijs op naam van [rekeninghouder] met daarop een foto van medeverdachte [katvanger 3], een incassocontract op naam van [rekeninghouder], een offerte van de Rabobank te Almere op naam van [rekeninghouder] en een formulier met bankgegevens van [rekeninghouder] aangetroffen. In de Tomtom in voornoemde auto stonden acht adressen waar Rabobanken gevestigd zijn. Ten slotte heeft de officier van justitie gewezen op de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van medeverdachte [katvanger 4] en op het feit dat [katvanger 4] verdachte uit het fotoboek voor 100% herkent als de jongen die hem naar Dongen heeft gereden vanaf de parkeerplaats ergens in midden Nederland. Voorts stond het adres van de Rabobank in Dongen in de Tomtom die in de auto die verdachte bestuurde is aangetroffen.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat als schakelbewijs voor alle ten laste gelegde feiten geldt dat de katvangers ([katvanger 2], [katvanger 3] en [katvanger 4]) verklaren dat verdachte als chauffeur optrad.

Voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie als definitie van een criminele organisatie gegeven: een samenwerkingsverband, met enige duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één ander persoon, waarbij niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie, noch dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest.

De officier van justitie heeft een drietal voorwaarden onderscheiden voor de deelname aan een criminele organisatie. In de eerste plaats dient er sprake te zijn van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. In de tweede plaats moet betrokkene behoren tot die organisatie en in zijn algemeenheid wetenschap hebben van het criminele oogmerk. In de derde plaats moet betrokkene een aandeel in de gedragingen hebben dan wel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Ten aanzien van de eerste voorwaarde heeft zij aangegeven dat de georganiseerdheid blijkt uit: het ronselen van personen (met financiële- of verslavingsproblemen) die gebruikt werden als katvangers, het (laten) vervalsen van rijbewijzen en legitimatiebewijzen, de gebruikte werkwijze die elke keer nagenoeg gelijk is, de wijze waarop het geld over de bankrekeningen verspreid werd en opgenomen werd, het gebruikmaken van geweld tegen de katvangers en het gebruikmaken van versluierd taalgebruik over de telefoon. Verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] vormen met elkaar, in wisselende samenstelling deze organisatie, welke tot doel heeft en op niets anders gericht is dan het verkrijgen van geld door middel van oplichting van banken. Uit het dossier Bieslook is ook een interne structuur af te leiden van leiders, chauffeurs, facilitators, katvangers I (die de banken bezochten) en II (die het geld op hun rekening gestort kregen).

Ten aanzien van de tweede voorwaarde heeft de officier van justitie gesteld dat verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de leiders zijn geweest van de criminele organisatie. Verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zijn bezig geweest met dezelfde strafbare feiten en hadden hier een aanzienlijke rol in. Zij kennen elkaar en werken met elkaar samen. Alle verdachten hadden in zijn algemeenheid wetenschap van het oogmerk van de organisatie, immers de handelingen die zij verrichtten, strekten nu juist rechtstreeks tot verwezenlijking van dat oogmerk.

Ten aanzien van de derde voorwaarde heeft de officier van justitie gesteld dat alle verdachten een aandeel hadden in de gedragingen (dan wel hebben zij deze minimaal ondersteund) die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, namelijk het oplichten van banken.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat aan alle voornoemde voorwaarden is voldaan, zodat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het onder 1a, 1b, 1c, 2 en 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en zij heeft zich ten aanzien van het onder 1d ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft daartoe - zoals vervat in de pleitnota - kort weergegeven het volgende aangevoerd.

In een woord vooraf heeft de raadsvrouw enkele opmerkingen gemaakt over het fotoboek. Door de foto’s in de vorm van een samengesteld fotoboek te presenteren op de manier waarop dat is gebeurd in dit onderzoek, heeft de politie het risico genomen dat de resultaten van eventuele herkenningen onbruikbaar zijn om als bewijs te dienen.

Ten aanzien van het onder 1a ten laste gelegde heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de herkenning door medeverdachte [katvanger 1] geen herkenning kan worden genoemd en geen voor bewijs bruikbare verklaring oplevert, te meer nu de persoon op de getoonde foto 94 niet verdachte is. De “herkenning” is onbetrouwbaar en dient te worden uitgesloten van het bewijs. Medeverdachte [katvanger 1] heeft verklaard dat de chauffeur in een zwarte VW Polo reed, terwijl uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte de beschikking heeft gehad over een zwarte VW Polo.

Voor wat betreft het onder 1b ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangegeven dat de medeverdachte [katvanger 2] heeft verklaard dat de chauffeur, genaamd [bijnaam verdachte] een zwarte huidskleur had, terwijl de huidskleur van verdachte niet is te omschrijven als zwart. Er is geen sprake van een herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 2].

Van het telefoonnummer dat aan verdachte wordt gelinkt zijn geen zendmast gegevens van 20 januari 2010 bekend, zodat dit niet kan aantonen dat verdachte die betreffende dag in Geesteren is geweest. Het feit dat het telefoonnummer van medeverdachte [katvanger 2] in de telefoon van verdachte stond opgeslagen onder de naam “[naam]” wil nog niet zeggen dat verdachte daarmee dus de [bijnaam verdachte] is waar medeverdachte [katvanger 2] over verklaart.

Ten aanzien van het onder 1c ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zich in het dossier slechts de verklaring van medeverdachte [katvanger 2] bevindt, die gemakshalve stelt dat [bijnaam verdachte] telkens de chauffeur was.

De raadsvrouw heeft aangegeven dat het dossier voor wat betreft het onder 1d ten laste gelegde aanknopingspunten biedt die aannemelijk maken dat verdachte bij dit incident betrokken is geweest als chauffeur.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is aangevoerd dat de opmerkingen die zijn gemaakt betreffende het fotoboek van toepassing zijn en dat om die reden vraagtekens moeten worden geplaatst bij de herkenning door medeverdachte [katvanger 4]. Voorts is niet gebleken van telefonische contacten tussen één van de nummers die aan verdachte wordt gelinkt en het telefoonnummer van [katvanger 4].

De raadsvrouw heeft voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde aangegeven dat het dossier niet duidelijk maakt wat de groep verdachten binnen het onderzoek tot een criminele organisatie zou maken. De keuze van het OM om medeverdachte [medeverdachte 7] niet en verdachte wel in te delen onder de noemer “criminele organisatie” is een raadselachtige. Nog los van de rol die verdachte al dan niet zou hebben gespeeld, zijn er in zijn algemeenheid in het onderzoek typische kenmerken van een criminele organisatie die niet terug te vinden zijn (regels waar de leden van de organisatie zich aan dienen te confirmeren en maatregelen die genomen zouden kunnen worden om ervoor te zorgen dat de deelnemers zich daadwerkelijk aan de regels zouden houden).

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Door diverse raadslieden, waaronder de raadsvrouw van verdachte, zijn opmerkingen gemaakt ten aanzien van het verloop van het onderzoek.

De rechtbank overweegt hierover dat niet is gebleken van onrechtmatigheden bij de start, dan wel bij het verdere verloop van het onderzoek.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

a. Zaaksdossier 140

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier de aangifte bevindt van de Rabobank en de verklaring van medeverdachte [katvanger 1]. Medeverdachte [katvanger 1] heeft kort gezegd bekend dat hij op 6 november 2009 de Rabobank in Baarle Nassau heeft opgelicht. Hij heeft verklaard dat hij van de chauffeur hoorde dat ze naar Baarle Nassau zouden gaan .

Aan medeverdachte [katvanger 1] is foto 94 van het fotoboek getoond en dan verklaart hij dat hij, als hij de foto ziet, hem herkent. Vervolgens verklaart hij dat als hij aan Baarle Nassau denkt, de haardracht niet overeenkomt. Aan medeverdachte [katvanger 1] wordt vervolgens foto 94a van het fotoboek getoond en dan verklaart hij dat dit dezelfde persoon is als op foto 94, maar nu met kort haar, dat hij durft te zeggen dat die persoon hem een keer heeft gereden en dat hij vermoedt dat dit in Baarle Nassau is geweest .

De rechtbank stelt vast dat aldus niet kan worden gesproken over een 100% herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 1]. Naar het oordeel van de rechtbank is de persoon op foto 94 ook niet dezelfde persoon als op foto 94a. Voorts is in dit geval sprake van een opsporingsconfrontatie, zodat een eventuele herkenning slechts als steunbewijs kan worden gebezigd.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de persoon die medeverdachte [katvanger 1] noemt als de chauffeur die op 6 november 2009 heeft gereden naar de bank in Baarle Nassau, verdachte is geweest, zodat verdachte van het onder 1a ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

b. Zaaksdossier 150

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier de aangifte bevindt van de Rabobank en de verklaring van medeverdachte [katvanger 2]. Medeverdachte [katvanger 2] heeft kort gezegd bekend dat hij op 20 januari 2010 de Rabobank in Geesteren heeft opgelicht. Hij heeft verklaard dat [bijnaam verdachte] hem altijd reed en hij van deze [bijnaam verdachte] alle gegevens kreeg en aan hem de opdrachten gaf .

Aan medeverdachte [katvanger 2] is een tweetal fotomappen getoond met daarin diverse politiefoto’s van verdachten binnen het onderzoek Bieslook. In totaal zijn aan medeverdachte [katvanger 2] 100 foto’s van personen getoond. Bij het zien van foto 94a verklaart medeverdachte [katvanger 2] dat dit [bijnaam verdachte] zou kunnen zijn, maar dat hij vindt dat de lippen van de persoon op de foto veel te dik zijn, maar dat hij er verder wel op lijkt .

De rechtbank stelt vast dat aldus niet kan worden gesproken over een 100% herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 2]. Voorts is in dit geval sprake van een opsporingsconfrontatie, zodat een eventuele herkenning slechts als steunbewijs kan worden gebezigd.

Op 20 januari 2010 is er telefonisch contact geweest tussen het telefoonnummer van medeverdachte [katvanger 2] en het mobiele telefoonnummer van de telefoon die bij verdachte in beslag is genomen, echter niet bekend is op welke zendmast de telefoon die bij verdachte in beslag is genomen op dat moment aanstraalt. Ook dit kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs opleveren voor betrokkenheid van verdachte bij het onder 1b ten laste gelegd feit.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de persoon die medeverdachte [katvanger 2] noemt als de chauffeur die op 20 januari 2010 heeft gereden naar de bank in Geesteren, verdachte is geweest, zodat verdachte van het onder 1b ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

c. Zaaksdossier 175

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier de aangifte bevindt van de ING Bank en de verklaring van medeverdachte [katvanger 2]. Medeverdachte [katvanger 2] heeft verklaard dat de eerste bank waar hij is geweest een ING bank ergens in Gelderland of Overijssel was, dat hij toen € 80.000,00 moest laten overboeken over twee rekeningen en dat hij € 5.000,00 cash heeft opgenomen. Hij heeft verklaard dat hij zich moest voordoen als iemand van het bedrijf [bedrijf 3], welk bedrijf in Amsterdam Zuidoost gevestigd was . Hij heeft voorts verklaard dat [bijnaam verdachte] hem altijd reed en hij van deze [bijnaam verdachte] alle gegevens kreeg en aan hem de opdrachten gaf .

Aan medeverdachte [katvanger 2] is een tweetal fotomappen getoond met daarin diverse politiefoto’s van verdachten binnen het onderzoek Bieslook. In totaal zijn aan medeverdachte [katvanger 2] 100 foto’s van personen getoond. Bij het zien van foto 94a verklaart medeverdachte [katvanger 2] dat dit [bijnaam verdachte] zou kunnen zijn, maar dat hij vindt dat de lippen van de persoon op de foto veel te dik zijn, maar dat hij er verder wel op lijkt .

De rechtbank stelt vast dat aldus niet kan worden gesproken over een 100% herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 2]. Voorts is in dit geval sprake van een opsporingsconfrontatie, zodat een eventuele herkenning slechts als steunbewijs kan worden gebezigd.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de persoon die medeverdachte [katvanger 2] noemt als de chauffeur die op 4 september 2009 zou hebben gereden naar de bank in Nunspeet, verdachte is geweest, zodat verdachte van het onder 1c ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

d. Zaaksdossier 151

De rechtbank overweegt dat onder 1a het medeplegen van een voltooide oplichting ten laste is gelegd. Om tot een bewezenverklaring van dat feit te kunnen komen is vereist dat de bedrogene door een oplichtingsmiddel daadwerkelijk wordt bewogen tot de afgifte van een geldbedrag. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Op 8 februari 2010 liepen diverse taps en observaties en uit de tapgesprekken bleek dat een vermoedelijke katvanger met een bestuurder van een auto naar de plaats Leersum zou rijden, alwaar een filiaal van de Rabobank is gevestigd, vermoedelijk volgens de verbalisanten om bancaire fraude te plegen. Na overleg door de teamleiding van de Bovenregionale Recherche Midden Nederland met officier van justitie mr. , werd besloten om de bancaire fraude te laten plaatsvinden onder de restrictie dat door het bankpersoneel weliswaar zou worden gehandeld alsof er overboekingen plaats zouden vinden maar de daadwerkelijk overboekingen naar rekeningen van begunstigden achterwege zouden blijven. Dit is vervolgens kortgesloten met het betreffende bankfiliaal en aldus werd gehandeld. Door de bankmedewerker werd naast het uitvoeren van fictieve overboekingshandelingen ook een bedrag contant afgegeven. Nu echter het bankpersoneel vooraf op de hoogte gesteld was van de op handen zijnde oplichting en hieromtrent afspraken waren gemaakt kan niet in redelijkheid worden gesteld dat de bank door een oplichtingsmiddel tot de afgifte van het geldbedrag werd bewogen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een voltooid delict, zodat verdachte van het onder 1a ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Zaaksdossier 163

Onder verwijzing naar hetgeen over dit zaaksdossier is opgenomen bij de inleiding, overweegt de rechtbank dat op 27 januari 2010 een man heeft geprobeerd de Rabobank in Dongen op te lichten. De man wordt buiten de bank aangehouden en dit blijkt medeverdachte [katvanger 4] te zijn. Medeverdachte [katvanger 4] heeft een bekennende verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij gisteren (op 27 januari 2010) werd opgehaald door een jongen en dat ze naar een parkeerplaats in Muiden zijn gereden. Daar was een Surinaamse jongen die hen een pakketje gaf. Hij kreeg een rijbewijs overhandigd, met daarop een pasfoto van hemzelf. Hij moest van de jongen die hem had opgehaald een rekeningnummer uit zijn hoofd leren en de opdracht was dat hij een overschrijving moest doen naar iemands rekening . Een medeverdachte [katvanger 4] is een tweetal fotomappen getoond behorende bij het onderzoek Bieslook. Bij het zien van foto 94A verklaart medeverdachte [katvanger 4]: “fotonummer 94A herken ik voor 100% als degene die mij naar Dongen heeft gereden vanaf een parkeerplaats ergens midden in Nederland”. Fotonummer 94A betreft een politiefoto van verdachte . De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een 100% herkenning, maar zij stelt tevens vast dat in dit geval sprake is van een opsporingsconfrontatie, zodat de herkenning slechts als steunbewijs kan worden gebezigd.

Op 8 februari 2010 wordt verdachte aangehouden. Verdachte reed op dat moment als bestuurder in een Fiat Bravo, kleur blauw, en voorzien van kenteken [kentekennummer]. In voornoemde auto werd een Tomtom navigatiesysteem aangetroffen.

Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat achter het menu recente bestemmingen onder meer het adres [adres] te Dongen stond. Dit betreft het vestigingsadres van de Rabobank in Dongen .

De rechtbank overweegt dat de verklaring van medeverdachte [katvanger 4] en de herkenning van verdachte door medeverdachte [katvanger 4] mitsdien door het voorgaande wordt ondersteund.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde poging tot oplichting van de Rabobank in Dongen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Naar vaste rechtspraak is een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een zekere organisatiegraad. Daarvan is sprake als binnen dit samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan.

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie is het voldoende dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

Aan deelneming worden twee algemene eisen gesteld. In de eerste plaats moet een verdachte behoren tot de organisatie. In de tweede plaats moet een verdachte een aandeel hebben in dan wel ondersteunende gedragingen verrichten die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een gemeenschappelijke doelstelling, te weten het oplichten van banken op diverse plaatsen in Nederland door middel van het gebruikmaken van valse identiteitsbewijzen.

Ten aanzien van verdachte bevinden zich in het dossier slechts de verklaringen van medeverdachten [katvanger 3] (zie feit 1d, zaaksdossier 151) en [katvanger 2] (zie feiten 1b en 1c, zaaksdossier 150 en 175). De rechtbank is van oordeel dat, nu zij de enigen zijn die verklaren over de vermeende rol van verdachte in de criminele organisatie en medeverdachte [katvanger 2] verdachte bovendien niet voor 100% herkent van de hem getoonde foto’s, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde. Verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

hij op of omstreeks 27 januari 2010 te Dongen, gemeente Dongen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid, een medewerk(st)er van de Rabobank [vestiging 4] te bewegen tot de afgifte en/of overboeking van (in totaal) 8.000,- euro,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met [katva[katvanger 4] met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid de navolgende handelingen verricht:

-[katvanger 4] heeft zich voorgedaan bij voornoemde bankmedewerk(st)er als de heer [bevoegde bedrijfsrekening] en

-gezegd dat hij geld wenste over te boeken van een (bedrijfs)rekening en

-(vervolgens) die medewerk(st)er, ter legitimatie, een rijbewijs getoond en/of overhandigd op naam van [bevoegde bedrijfsrekening], met daarop een foto van hem, [katvanger 4], als ware hij de persoon zoals genoemd op het rijbewijs,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Van het onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 2:

Medeplegen van poging tot oplichting, strafbaar gesteld bij de artikelen 45 juncto 47 juncto 326 van het Wetboek van Strafrecht.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf opgemerkt dat zij de strafeis te fors acht. Zij heeft gewezen naar soortgelijke zaken waarin verschillende rechtbanken tot aanmerkelijk lagere straffen zijn gekomen dan de straf die door de officier van justitie is geëist. Door de raadsvrouw is voorts aangevoerd dat de officier van justitie in haar strafeis heeft meegenomen dat een aantal katvangers heeft verklaard dat er geweld tegen hen is gebruikt. De raadsvrouw heeft met betrekking tot de zaak van verdachte benadrukt dat er geen enkele katvanger is geweest die heeft gesteld bedreigd dan wel gewelddadig te zijn bejegend door de persoon in wie enkelen van hen menen verdachte te herkennen.

Ten aanzien van de justitiële documentatie van de verdachte heeft de raadsvrouw gewezen op het feit dat in een aantal zaken een herzieningsverzoek is ingediend, welk verzoek in de zaak met parketnummer 15/003424-04 door de Hoge Raad is toegewezen. De herzieningsverzoeken in de zaken met de parketnummers 13/411016-06 en 13/528208-05 zijn nog in behandeling. Verdachte ontkent zich in de voornoemde zaken schuldig te hebben gemaakt aan enig strafbaar feit. De raadsvrouw heeft verzocht met het voorgaande rekening te houden.

Ten slotte heeft de raadsvrouw opgemerkt dat, voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat een aanvullende straf passend en geboden is, deze op te leggen in de vorm van een werkstraf.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

In het bijzonder overweegt de rechtbank het navolgende.

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte door het aannemen van een valse naam en hoedanigheid gepoogd een bank tot afgifte van geld te bewegen.

Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een ernstig en overlastgevend feit. Niet alleen veroorzaken dergelijke vermogensmisdrijven schade voor financiële instellingen, ook het vertrouwen van de gebruikers van het bancaire systeem wordt door dit type misdrijven ondermijnd. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij kennelijk enkel uit winstbejag is gekomen tot het plegen van genoemd misdrijf.

Voor het feit als hier bewezen is verklaard zijn geen oriëntatiepunten straftoemeting vastgesteld. De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van het bewezen verklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In uitspraken die zijn gedaan in vergelijkbare zaken zijn (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in beginsel op het strafbare feit zoals door verdachte begaan, moet worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt rekening met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie. De rechtbank overweegt dat op de justitie documentatie meerdere veroordelingen vermeld staan. Door de raadsvrouw is opgemerkt dat ten aanzien van drie veroordelingen herzieningsverzoeken zijn ingediend bij de Hoge Raad, waarvan er reeds één gegrond is verklaard. De rechtbank gaat uit van de juistheid van hetgeen door de raadsvrouw dienaangaande is aangevoerd en overweegt aldus dat verdachte eenmaal eerder ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 19 oktober 2010. Door de reclassering worden geen bijzondere voorwaarden geadviseerd.

Gelet op het feit dat de rechtbank de verdachte van een groot aantal van de ten laste gelegde feiten zal vrijspreken, zal zij een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

9 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben Rabobank Nederland en [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op bedragen van respectievelijk € 83.443,33 en € 20.000,00.

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de bank rechtstreeks schade heeft geleden, aangezien de banken direct zijn opgelicht. De medewerkers van de banken zijn de personen geweest bij wie de oplichtinghandelingen zijn verricht. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 9 december 2008 (LJN: BF5074).

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de Rabobank toe te wijzen voor zover deze ziet op zaaksdossier 150 en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk te verklaren in de vordering.

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij [2] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, aangezien deze vordering ziet op zaaksdossier 112 en deze zaak niet aan verdachte ten laste is gelegd.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de Rabobank niet ontvankelijk te verklaringen in de vordering voor zover deze ziet op zaaksdossiers die niet aan verdachte ten laste zijn gelegd. Zij heeft verzocht de vordering af te wijzen voor zover deze ziet op zaaksdossier 150, aangezien zij voor dat feit vrijspraak heeft bepleit.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

Rabobank Nederland

Ingevolge artikel 51a en artikel 361, tweede lid onder b van het Wetboek van Strafvordering kunnen benadeelde partijen een vordering tot schadevergoeding indienen mits er sprake is van schade die rechtstreeks aan hen is toegebracht door (het) bewezen verklaarde feit(en). Aan deze voorwaarde is voldaan als in de tenlastelegging de gedraging is omschreven die de schade heeft veroorzaakt. Immers op basis van de tenlastelegging dient de vordering te worden onderzocht. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 9 december 2008 (LJN BF5074) met betrekking tot banken geoordeeld dat zij zich als benadeelde partij kunnen stellen als de geleden schade in zodanig nauw verband staat met de i.c. bewezen verklaarde oplichtingen dat deze schade als rechtstreeks toegebracht kan worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu sprake van een zodanig nauw verband zodat de bank in beginsel in haar vordering kan worden ontvangen.

De rechtbank overweegt dat de door Rabobank Nederland ingediende vordering niet is onderbouwd. De vordering is slechts vergezeld van een korte brief waarin wordt aangegeven dat per verdachte een formulier is ingevuld, waarin verder wordt verwezen naar het ontnemingsrapport en waarin wordt aangegeven dat de onderzoekskosten kosten betreffen die zijn gemaakt om 1 tot 2 analisten gedurende langere tijd vrij te maken voor het onderzoek.

Op grond van de door Rabobank Nederland overgelegde stukken kan de rechtbank voorts niet beoordelen of sprake is van een rechtsgeldige machtiging en of de vordering aldus is ingediend door een daartoe bevoegde persoon.

Het thans alsnog laten onderzoeken van het voorgaande levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] dient in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank overweegt daartoe dat de vordering van de benadeelde partij ziet op zaaksdossier 112, welk zaaksdossier niet aan verdachte is ten laste gelegd. Aldus kan niet worden gesteld dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden ten gevolge van een aan verdachte ten laste gelegd feit.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- Verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 en 3 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij Rabobank Nederland

- bepaalt dat de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

- bepaalt dat de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Iedema, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. J.E. Doornwaard en N. van Olst-van Esch, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2011.

Mr. Meijer, voornoemd, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.