Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR2001

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
07/440179-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

art 6 WVW 1994, zwaar lichamelijk letsel, bewijs- en strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.440179-09 (P)

Uitspraak: 21 maart 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte) ,

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer.

Als officier van justitie was aanwezig mr. M. Zwartjes.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 december 2008 in de gemeente Deventer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Henri Dunantlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een snelheid van ongeveer 61 km/u, althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan de aldaar geldende maximum snelheid van 30 km/u, een in zijn richting rood

licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of (vervolgens) een in die Henri Dunantlaan gelegen oversteekplaats is opgereden en/of (vervolgens) tegen een op die oversteekplaats rijdende fietser is gebotst/gereden, waardoor een ander (genaamd (naam 1)) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 december 2008 in de gemeente Deventer als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Henri Dunantlaan, met een snelheid van ongeveer 61 km/u, althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan de aldaar geldende maximum snelheid van 30 km/u, een in zijn richting rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of (vervolgens) een in die Henri Dunantlaan gelegen oversteekplaats is opgereden en/of (vervolgens) tegen een op die oversteekplaats rijdende fietser is

gebotst/gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 04 december 2008 in de gemeente Deventer als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Renault, kenteken (KENTEKEN)) heeft gereden op de weg, Henri Dunantlaan, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Vaststaande feiten

Op 4 december 2008 heeft op de tijdelijk aangelegde oversteekplaats: Henri Dunantlaan

met de Gooierstraat/Ramelestraat in de gemeente Deventer een verkeersongeval

plaatsgevonden . Bij dit ongeval waren een motorvoertuig, merk Renault met kenteken (kenteken) en een fiets merk Sparta betrokken . Verdachte reed als bestuurder van de Renault over de Henri Dunantlaan komende uit de richting van de Van Oldenielstraat. Verdachte was op dat moment niet in het bezit van een geldig rijbewijs . Hij naderde de tijdelijk, dwars over de rijbaan van de Henri Dunantlaan aangelegde oversteekplaats voor fietsers en voetgangers . Verdachte negeerde het voor de oversteekplaats geplaatste rode verkeerslicht en is vervolgens op de oversteekplaats in botsing gekomen met de, gezien vanuit zijn rijrichting, van rechts komende fiets . Verdachte reed daarbij met een snelheid van minimaal 61 km/h en maximaal 64 kilometer per uur . De bestuurster van de fiets heeft

ten gevolge van de aanrijding een gebroken arm opgelopen .

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van het primair ten laste gelegde, te weten letsel door schuld. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat er geen letselverklaring van het slachtoffer in het dossier aanwezig is en dat het gestelde letsel, te weten een gebroken arm, bovendien niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kan worden aangemerkt. Volgens de officier van justitie heeft verdachte zich wel schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde, te weten gevaarzetting. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat verdachte zonder rijbewijs, met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 30 kilometer per uur, namelijk met een snelheid hoger dan 60 kilometer per uur, in een personenauto heeft gereden en daarbij in ieder geval één keer een rood stoplicht heeft genegeerd en vervolgens tegen een overstekende fietser is gereden. Gelet hierop acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door zijn gedrag een gevaar op de weg heeft veroorzaakt alsmede zonder een geldig rijbewijs in een personenauto heeft gereden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat op de plaats waar de aanrijding heeft plaatsgevonden een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gold aangezien het bord met de snelheidsbeperking van 30 kilometer per uur na de T-kruising van de Henri Dunantlaan met de Nico Bolkensteinlaan niet is herhaald. Gelet hierop dient de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken, en resteert slechts een geringe snelheidsovertreding, zo stelt de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de verweren/standpunten:

Het verweer: maximum snelheid niet 30 km/u maar 50 km/u:

Uit de verkeersongevalsanalyse blijkt dat er op de T-kruising van de Henri Dunantlaan met de Nico Bolkensteinlaan wegwerkzaamheden plaatsvonden, dat de wegbeheerder in verband hiermee een snelheidsbeperking had ingesteld van 30 kilometer per uur en dat er op ongeveer 150 á 200 meter voor deze kruising een aantal waarschuwingsborden, waaronder het bord A1 met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, waren geplaatst .

De rechtbank constateert dat verdachte na de betreffende T kruising niet opnieuw met een bord A1 aangevende een maximumsnelheid van 30 km/u is geconfronteerd.

De vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) inzake verkeerstekens (Besluit van 10 december 1997, Stcrt. 1997, 239) houden ten aanzien van bord A1 in Hoofdstuk II par. 4, Bord A1 Maximumsnelheid, onder 2 voor zover hier van belang het volgende in:

Geen andere dan de volgende maximumsnelheden worden vastgesteld:

(...)

a. binnen de bebouwde kom:

- op wegvakken: 70, 30 km/h

Het begrip wegvak is in artikel 1 onder b van het BABW gedefinieerd als:

"gedeelte van een weg tussen twee zijwegen of - indien geen zijweg aanwezig is - tussen twee punten waarop een verkeersmaatregel betrekking heeft".

De nota van toelichting op eerdergenoemde uitvoeringsvoorschriften houdt in: "De wijze waarop herhalingsbord en wegvak zijn gedefinieerd houdt verband met de beperkte werking van verkeerstekens. De werking van verkeerstekens in de lengterichting van de weg is immers niet onbegrensd. Een verkeersteken op een bord is alleen van kracht voor het wegvak waarlangs het geplaatst is. Bij een volgend wegvak dient het verkeersteken dus opnieuw te worden geplaatst. Van een herhalingsbord in de zin van deze regeling kan dan ook slechts sprake zijn, indien dit betrekking heeft op een reeds aan het begin van één en hetzelfde wegvak aanwezig verkeersteken".

Uit het voorgaande volgt dat het bord A1 met een snelheidsbeperking van 30 km/h in onderhavig geval alleen van kracht was op het wegvak, gezien vanuit de rijrichting van verdachte, gelegen voor de T-kruising van de Henri Dunantlaan met de Nico Bolkensteinlaan. Nu het bord A1 op het volgend wegvak niet opnieuw was geplaatst, gold na de T kruising automatisch de binnen de bebouwde kom van toepassing zijnde maximumsnelheid van 50 kilometer per uur (artikel 20 aanhef en onder 1 van het Reglement Verkeersregels en verkeertekens 1990 (RVV90).

Het verweer slaagt daarom. De rechtbank acht niet bewezen dat op de plaats van het ongeval een maximum snelheid van 30 km/u gold. De rechtbank spreekt de verdachte van dit onderdeel van de ten laste legging vrij. Dit laat echter onverlet dat verdachte nog steeds minimaal 11 kilometer per uur harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur.

Zwaar lichamelijk letsel:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is geweest van “zwaar lichamelijk letsel”.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar standpunt en overweegt hiertoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van (naam 1) ; alsmede het proces-verbaal van bevindingen alsmede het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het relaas van verbalisant Zonneberg blijkt dat het slachtoffer een gebroken bovenarm heeft opgelopen.

Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke breuk dermate ingrijpend, dat dit naar gewoon spraakgebruik kan worden aangeduid als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het slachtoffer heeft verklaard dat zij ten gevolge van het letsel enige tijd niet meer kon paardrijden en naar school kon gaan.

Beoordeling:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde dient vervolgens de vraag beantwoord te worden of aan verdachte verweten kan worden, dat hij roekeloos danwel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, hetgeen oplevert schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

De rechtbank is van oordeel, dat verdachte niet alleen geen rijbewijs had en een onervaren bestuurder was, maar bovendien met een te hoge snelheid, hoger dan ter plaatste toegestaan, twee maal door rood licht is gereden. Door deze zeer onvoorzichtige gedragingen heeft verdachte, gegeven de aard van de weg waarop hij reed, namelijk een weg waar werkzaamheden plaatsvonden en waar middels het bord model J37 werd gewaarschuwd voor een gevaarlijke situatie in verband met overstekende fietsers en voetgangers, een ongeval veroorzaakt. Hij heeft het slachtoffer op de oversteekplaats aangereden terwijl het verkeerslicht voor haar op groen stond.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen, dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, hetgeen oplevert schuld

in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet.

Er is ten aanzien van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feitelijkheden – met uitzondering van de hiervoor reeds voldoende besproken aspecten van de maximum snelheid en de aard van het letsel - sprake van een bekennende verdachte , zodat de rechtbank zal volstaan met de navolgende aanvullende opgave van bewijsmiddelen:

• Het proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van (naam 3) ;

• Het proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van (naam 2) ;

• Het proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van (naam 4) ;

• Het proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van (naam 5) ;

• Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van (naam 1) ;

• Het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse ;

• Een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het relaas van verbalisant

• De bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 7 maart 2011 ;

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

hij op 4 december 2008 in de gemeente Deventer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Henri Dunantlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en/of onoplettend, met een snelheid van ongeveer 61 km/u, althans een hogere snelheid dan de aldaar geldende maximum snelheid, een in zijn richting rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en (vervolgens) een in die Henri Dunantlaan gelegen oversteekplaats is opgereden en (vervolgens) tegen een op die oversteekplaats rijdende fietser is gebotst/gereden, waardoor een ander (genaamd (naam 1)) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm werd toegebracht.

2.

hij op 4 december 2008 in de gemeente Deventer als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Renault, kenteken (KENTEKEN)) heeft gereden op de weg, Henri Dunantlaan, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Van het 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht,

strafbaar gesteld bij artikel 175, van de wegenverkeerswet 1994.

Feit 2:

Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994,

de overtreding is strafbaar gesteld bij artikel 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit tot een werkstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 3 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie een geldboete van € 220,- subsidiair 4 dagen hechtenis gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij de strafoplegging in het voordeel van de verdachte zou moeten werken dat hij ter terechtzitting opnieuw een bekennende verklaring heeft afgelegd terwijl zijn eerdere bij de politie afgelegde verklaring niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld om voorafgaand aan het politieverhoor met een advocaat te overleggen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zonder rijbewijs en met te hoge snelheid door rood licht is gereden welk gedrag een ernstig ongeluk heeft veroorzaakt waarbij iemand zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Gelet op de ernst en de gevolgen van onderhavig feit en de verwijtbare omstandigheden waaronder het feit plaatsvond, is een straf gerechtvaardigd.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg van Voorzitters van Strafsectoren). Als uitgangspunt voor een overtreding van artikel 6 WVW 1994 waarbij een grove verkeersfout is gemaakt en zwaar lichamelijk letsel is ontstaan wordt daarin een gevangenisstraf van 2 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorruituigen voor de tijd 1 jaar gehanteerd

De rechtbank houdt er echter ten voordele van verdachte rekening mee dat er een ruim tijdsverloop heeft plaatsgevonden tussen het strafbare feit en het wijzen van onderhavig vonnis. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de schuldbewuste houding van verdachte ter zitting.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging voorts rekening met het feit dat uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 december 2010 niet blijkt dat verdachte zich vaker schuldig heeft gemaakt aan risicovol verkeersgedrag.

De rechtbank ziet in deze omstandigheden aanleiding te volstaan met het opleggen van een werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Aangezien, in tegenstelling tot de officier van justitie, tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde wordt geoordeeld is deze straf hoger dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank ziet in het lange tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de strafoplegging voorts aanleiding om ter zake van het rijden zonder rijbewijs, een geldboete op te leggen zoals door de officier van justitie geëist, maar dan in voorwaardelijke vorm.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 80 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De rechtbank ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 1 jaar.

De ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 220, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen.

De geldboete zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. F. Koster, voorzitter, mrs. J.N. Bartels en R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2011.

Mr. R.M. van Vuure voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.