Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR2000

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
07/650361-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen, Artikel 2, onder B Opiumwet, Bekennende verdachte, Bewijs- en strafmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.650361-10 (P)

Uitspraak: 12 april 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(Verdachte)

geboren op (geboortejaar)

wonende te (adres)

thans verblijvende in (verblijfplaats)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.J.H.M. van Achten, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. den Haan.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 29 maart 2011 overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd.

De verdachte is ten laste gelegd dat

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 29 november 2010 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan (naam 1) en/of (naam 2) en/of een of meer ander(en), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, dealers- en/of gebruikershoeveelhe(i)d(en), (ongeveer 7 bolletjes bruin poeder), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of dealers- en/of gebruikershoeveelhe(i)d(en), (ongeveer 10 wikkels wit poeder), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank heeft in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten verbeterd. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen ter zake van het ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, maar heeft betoogd dat de ten laste gelegde periode van 1 augustus 2010 tot en met 29 november 2010 niet kan worden bewezen. Het betreft een kortere periode van niet meer dan 3 maanden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het ten laste gelegde sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

• Het proces-verbaal van bevindingen ;

• Het proces-verbaal van verhoor van (naam 3) ;

• Het proces-verbaal van verhoor van (naam 2) ;

• Het proces-verbaal van verhoor van (naam 1) ;

• De bekennende verklaringen van medeverdachte (medeverdachte 1) ;

• De bekennende verklaringen van verdachte ;

• De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 maart 2011.

Door de verdediging is bepleit dat slechts een kortere periode dan ten laste is gelegd kan worden bewezen, aangezien verdachte heeft verklaard dat hij vanaf eind augustus 2010 drugs verhandelde voor (naam 5), welke verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige (naam 2) die op 2 december 2010 heeft verklaard dat hij drie maanden geleden drugs had gekocht bij verdachte.

De rechtbank acht het handelen in drugs in de ten laste gelegde periode bewezen en gaat bij de bepaling van de strafmaat uit van het handelen in drugs gedurende een periode van drieëneenhalve maand, omdat verdachte dit zelf op 9 december 2010 bij de politie heeft verklaard.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 29 november 2010 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan (naam 1) en/of (naam 2) en/of meer ander(en), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, dealers- en/of gebruikershoeveelhe(i)d(en), (ongeveer 7 bolletjes bruin poeder), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of dealers- en/of gebruikershoeveelhe(i)d(en), (ongeveer 10 wikkels wit poeder), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook indien dit inhoudt een opname in Stichting Ontmoeting, het volgen van een behandeling bij Just Tact en het verblijven bij Stichting Ontmoeting.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoon verbeurd te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het van belang is dat verdachte meteen begint met zijn behandeling bij Stichting Ontmoeting, omdat verdachte erg gemotiveerd is en het gevaar van hospitaliseren toeneemt als een langere gevangenisstraf wordt opgelegd. De raadsman verzoekt de rechtbank hiermee rekening te houden en verzoekt tevens om een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie geëist. Daarnaast verzoekt de raadsman de rechtbank een deel voorwaardelijk op te leggen met oplegging van de bijzondere voorwaarden.

De verdediging heeft geen standpunt ten aanzien van de in beslag genomen mobiele telefoon ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts acht geslagen op:

- reclasseringsadviezen van Reclassering Nederland, d.d. 18 februari 2011 en 24 maart 2011, opgemaakt door A. Buiten, reclasseringswerker;

- een brief van Stichting Ontmoeting d.d. 14 maart 2011, opgemaakt door (naam 6) en

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 1 februari 2011.

Verdachte heeft zich gedurende 3,5 maand op grote schaal bezig gehouden met het dealen van cocaïne en heroïne. Verdachtes drijfveer voor het plegen van voornoemde feiten was onder meer het voorzien in de kosten en het vergemakkelijken van zijn eigen drugsgebruik. Verdachte is met het plegen van deze feiten voorbij gegaan aan de gevaren die dergelijke verdovende middelen, naar algemene bekendheid, met zich meebrengen voor de volksgezondheid. Cocaïne en heroïne zijn niet alleen voor de gezondheid schadelijke stoffen, maar ook het gebruik ervan leidt tot velerlei vormen van overlast en verwervingscriminaliteit. Ook de handel zelf gaat gepaard met criminaliteit.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich aan dat alles niets gelegen liet liggen.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten voor straftoemeting van de LOVS uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden bij het verkopen/afleveren/verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs op straat gedurende 3 tot 6 maanden met enige regelmaat, uitgaande van een alleen opererende dader.

De rechtbank heeft het voorgaande als uitgangspunt genomen bij het bepalen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf. De rechtbank heeft vervolgens bij voornoemde uitgangspunten het gegeven dat sprake is van medeplegen als strafverzwarende omstandigheid meegenomen en als strafmatigende omstandigheden laten meewegen dat geen sprake is van recidive en dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven en gemotiveerd is voor een hulpverleningstraject zoals ook door de reclassering wordt geadviseerd.

Over verdachte zijn voorlichtingsrapporten uitgebracht door de Reclassering Nederland. De rechtbank heeft hiervan kennisgenomen. Mede gelet op de inhoud van de rapporten is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf eveneens een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden dient te worden opgelegd. Zo is gebleken dat verdachte is begonnen met het dealen vanwege zijn financiële schulden, om zijn eigen drugsgebruik te kunnen financieren en omdat hij geen structurele en betaalde dagbesteding had. Daarbij is ook gebleken dat verdachte bij problemen niet met een structurele en adequate oplossing komt, omdat hij passief reageert en de neiging heeft anderen zijn problemen op te laten lossen. Verdachte zal aan zijn verslavingsproblematiek moeten werken en voorts op verantwoorde wijze zijn leven weer in moeten richten en heeft aangegeven dit niet alleen te kunnen, zodat hulp daarbij hard nodig is. Met de Reclassering acht de rechtbank een verplicht reclasseringstoezicht dan ook zeker geboden.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 33a, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslag

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, een telefoontoestel Samsung gsm, verbeurd verklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het bewezenverklaarde feit is begaan.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 135 dagen, niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte:

1. zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Reclassering Nederland, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht, ook als dit inhoudt een opname bij een instelling voor begeleid wonen zoals Stichting Ontmoeting;

Tevens moet verdachte respons geven op een uitnodiging van de Reclassering Nederland. Hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden melden zo frequent als de reclassering dit nodig acht.

2. zich verplicht laat behandelen bij JusTact;

3. vanaf de dag van vrijlating verblijft bij Stichting Ontmoeting, of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan het (dag-) programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Beslag

De rechtbank verklaart verbeurd de mobiele telefoon.

Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Aldus gewezen door mr. F.E.J. Goffin, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2011.

Mr. Louter, voornoemd, was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.