Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR1950

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
07.660015-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontuchtige handelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.660015-11 (P)

Uitspraak: 10 juni 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres, postcode en woonplaats].

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek is aangevangen op de openbare terechtzitting van 28 april 2011, waarbij verdachte is verschenen, bijgestaan door [naam raadsman]

De inhoudelijke behandeling van het openbare onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2011, waarbij verdacht is verschenen, bijgestaan door [naam raadsman]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.E.M. van de Ven en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 01 januari 2008 tot en met 29 augustus 2010 in de gemeente Almere, althans in Nederland, (meermalen) met [naam slachtoffer] (geboren [geboortedatum]), die toen (telkens) de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd (telkens), bestaande uit

- het wrijven over en/of strelen en/of masseren van de (bedekte) benen en/of de (bedekte) billen en/of de (bedekte) rug van die [naam slachtoffer] en/of

- het betasten en/of strelen en/of masseren van de (bedekte) borsten van die [naam slachtoffer] en/of

- het betasten en/of masseren van de (bedekte) vagina van die [naam slachtoffer] en/of

- het laten betasten en/of masseren van de (ontblote) penis van verdachte en/of het laten vasthouden van diens penis en/of (vervolgens) laten maken van heen en weer gaande (aftrekkende) bewegingen (door die [naam slachtoffer]);

2.

hij in de periode van 01 januari 2008 tot en met 29 augustus 2010 in de gemeente Almere, (meermalen) met [naam slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum]), die toen (telkens) de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

- het betasten en/of masseren en/of wrijven over de (bedekte) buik van die [naam slachtoffer 2] en/of

- betasten en/of masseren van de penis van die [naam slachtoffer 2] en/of

- het laten betasten en/of masseren van de (ontblote) penis van verdachte en/of het laten vasthouden van diens penis en/of het (vervolgens) laten maken van heen en weer gaande (aftrekkende) bewegingen (door die [naam slachtoffer 2]).

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 3 september 2010 hebben verbalisanten [namen verbalisanten] een intakegesprek met [naam melder]. [naam melder] meldt dat zijn zoon, te weten verdachte, ontucht heeft gepleegd met zijn halfzusje [naam slachtoffer] en halfbroertje [naam slachtoffer 2]. Op 14 september 2010 doet [naam melder] namens zijn kinderen [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2] aangifte van ontucht.

Naar aanleiding van de aangifte zijn [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2] beiden in een kindvriendelijke studio gehoord. De moeder van [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2], [naam moeder] , is op 22 september 2010 als getuige gehoord.

Nadat verdachte zich op 18 januari 2011, na ontbieding, had gemeld op het politiebureau te Lelystad, werd hij aangehouden.

Uit het resultaat van GBA bevraging blijkt dat [naam slachtoffer] op [geboortedatum] is geboren en dat [naam slachtoffer 2] op [geboortedatum] is geboren .

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaringen van [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2], de verklaring van [naam melder/aangever], de verklaring van [naam moeder] en de bekennende verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het tweemaal betasten van de (bedekte) vagina van [naam slachtoffer] en het éénmaal laten betasten van verdachtes penis door [naam slachtoffer] en het eenmaal betasten van de penis van [naam slachtoffer 2]. De overige ten laste gelegde handelingen kunnen niet wettig en overtuigend worden bewezen, dan wel kunnen niet als ontuchtig worden aangemerkt.

De raadsman heeft bepleit (ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten) de pleegperiode te beperken tot de maand augustus 2010, aangezien voldoende vast staat dat voordien geen ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman een aantal stukken overgelegd met betrekking tot verdachtes optreden als scheidsrechter bij hockeywedstrijden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Feit 1.

[naam slachtoffer] heeft verklaard dat zij tweemaal de piemel van verdachte heeft gemasseerd en dat zij verdachtes penis heeft vastgehouden. Tevens verklaart zij dat verdachte haar heeft gemasseerd over haar benen, billen en rug.

Verdachte heeft tijdens zijn vierde verhoor , alsmede ter terechtzitting van 27 mei 2011 verklaard dat hij de benen, billen, rug en vagina van [naam slachtoffer] heeft gemasseerd. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij zijn penis door [naam slachtoffer] heeft laten vasthouden en haar bewegingen heeft laten maken met verdachtes penis.

Uit de voornoemde verklaringen van [naam slachtoffer] en de verklaring van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de benen, billen, de rug en de vagina van [naam slachtoffer] heeft gemasseerd en verdachte zijn penis heeft laten masseren, laten vasthouden en bewegingen laten maken door [naam slachtoffer].

Voor de overige handelingen is onvoldoende wettig bewijs voorhanden, zodat de rechtbank verdachte (partieel) van deze handelingen vrij zal spreken.

Feit 2.

[naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte zijn buik en piemel heeft gemasseerd.

Verdachte heeft tijdens zijn vierde verhoor, alsmede ter terechtzitting van 27 mei 2011 verklaard dat hij de buik en de penis van [naam slachtoffer 2] heeft gemasseerd.

Uit voornoemde verklaringen van [naam slachtoffer 2] en de verklaring van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte over de buik van [naam slachtoffer 2] heeft gemasseerd en de penis van [naam slachtoffer 2] heeft gemasseerd.

Voor de overige handelingen is onvoldoende wettig bewijs voorhanden, zodat de rechtbank verdachte (partieel) van deze handelingen vrij zal spreken. Blijkens de verklaring van de moeder van [naam slachtoffer 2], [naam moeder] , blijkt dat [naam slachtoffer 2] in eerste instantie enkel heeft verklaard dat verdachte zijn penis heeft gemasseerd en niet dat hij de penis van verdachte heeft gemasseerd. De rechtbank acht de latere verklaring van [naam slachtoffer 2], waaruit afgeleid kan worden dat hij wel de penis van verdachte heeft gemasseerd, derhalve niet geloofwaardig, mede gelet op de ontkennende verklaring van verdachte omtrent het laten masseren van zijn penis door [naam slachtoffer 2].

De rechtbank merkt – wellicht ten overvloede – op dat de onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde handelingen enkel zien op de twee momenten waarop de massages van verdachte leidden tot de ontuchtige handelingen met [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2]. De massages op de overige momenten in de bewezen verklaarde periode zijn niet van dien aard dat de rechtbank deze als ontuchtig aanmerkt.

Uit verklaringen van [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2] kan de rechtbank niet afleiden in welke periode de ontucht heeft plaatsgevonden. Verdachte zelf heeft verklaard dat de ontuchtige handelingen medio augustus of september 2010 hebben plaatsgevonden. Uit de door de raadsman overgelegde stukken met betrekking tot verdachtes optreden als scheidsrechter kan de rechtbank niets afleiden omtrent de datum van de ontuchtige handelingen, behalve dat verdachte vanaf 2009 werkzaamheden verrichtte als scheidsrechter in de omgeving van Almere. Gelet op het tijdstip van het intakegesprek d.d. 3 september 2010 en de verklaringen van [naam melder/aangever] en [naam moeder] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de ontuchtige handelingen in ieder geval hebben plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2009 tot 29 augustus 2010. De rechtbank zal derhalve de periode voor beide bewezenverklaarde feiten verkorten.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 01 januari 2009 tot 29 augustus 2010 in de gemeente Almere, meermalen met [naam slachtoffer] (geboren [geboortedatum]), die toen telkens de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, telkens een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het masseren van de benen en de billen en de rug van die [naam slachtoffer] en

- het masseren van de vagina van die [naam slachtoffer] en

- het laten masseren van de ontblote penis van verdachte en het laten vasthouden van diens penis en (vervolgens) laten maken van bewegingen (door die [naam slachtoffer]).

2.

hij in de periode van 01 januari 2009 tot 29 augustus 2010 in de gemeente Almere, met [naam slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het masseren over de buik van die [naam slachtoffer 2] en

- masseren van de penis van die [naam slachtoffer 2].

Van het onder 1 en onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit uitsluiten.

7. DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Feit 2:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

8. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

9. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag of een andere, soortgelijke instelling en het verbod op coachende werkzaamheden met minderjarige kinderen zolang de reclassering dit nodig acht, alsmede een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit bij de strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, het matige herhalingsgevaar en de motivatie van verdachte om behandeling te ondergaan. De raadsman heeft bepleit te volstaan met een vrijheidsstraf die het reeds door verdachte ondergane voorarrest niet te boven gaat met een aanvullende voorwaardelijke straf. Daar er geen indicaties zijn dat De Waag verdachte gedurende vijf jaren wenst te behandelen, acht de raadsman een proeftijd korter dan vijf jaren passend.

Voorts heeft de raadsman bepleit een taakstraf achterwege te laten, dan wel in omvang te beperken.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft ontuchtige handelingen verricht met zijn minderjarige halfzus [naam slachtoffer] en halfbroer [naam slachtoffer 2]. Verdachte heeft onder meer de vagina van [naam slachtoffer] gemasseerd en de penis van [naam slachtoffer 2] gemasseerd.

Dergelijk misbruik kan langdurige gevolgen hebben voor de slachtoffers, omdat er sprake is van ernstige schending van de integriteit van het lichaam van de slachtoffers. Bovendien is er kans op een scheefgroei in de psycho-seksuele ontwikkeling van de slachtoffers. Door het handelen van verdachte kan het vertrouwen in de medemens bij zijn halfzus en halfbroer ernstig verstoord raken. De ervaring leert dat dit vaak het gevolg is van feiten als door verdachte begaan.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het uittreksel van de justitiële documentatie d.d. 12 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens een soortelijk delict.

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het psychiatrische rapport d.d. 8 april 2011, uitgebracht door dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater.

Dit onderzoek houdt als conclusie onder meer in dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van parafilie en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van de persoonlijkheidstrekken borderline en narcisme. Bij verdachte is sprake van psychoseksuele en relationele problemen. Verdachte zou gefixeerd zijn op bloot. Ook ten tijde van het ten laste gelegde was hiervan sprake. Volgens de psychiater kan verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor de delicten waarvan hij verdacht wordt. De kans op herhaling is matig, maar niet afwezig.

De psychiater heeft geadviseerd verdachte een verplichte behandeling op te leggen onder toezicht van de reclassering.

Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met het psychologische rapport d.d. 15 april 2011, uitgebracht door drs. J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog/psychotherapeut.

Dit onderzoek houdt als conclusie onder meer in dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de zin van parafilie en een pervasieve ontwikkelingsstoornis nao. Ook ten tijde van het ten laste gelegde was hiervan sprake. De psycholoog concludeert evenals de psychiater dr. Kaiser dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd voor de delicten waarvan hij verdacht wordt. De kans op herhaling wordt groot geacht. Het recidiverisico kan afnemen door behandeling. De psycholoog heeft geadviseerd verdachte een verplichte behandeling op te leggen onder toezicht van de reclassering.

De rechtbank neemt de in voornoemd psychiatrisch rapport en psychologisch rapport vervatte conclusie betreffende de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte op de daarvoor in dat rapport bijeengebrachte gronden over.

De rechtbank sluit zich aan bij het door de psychiater en psycholoog gegeven advies, in die zin dat een behandeling vereist is onder toezicht van de reclassering.

Gelet op de conclusie van de psycholoog drs. Van der Leeuw omtrent de hoge recidivekans acht de rechtbank termen aanwezig om een proeftijd op te leggen voor de duur van drie jaren. Dit om behandeling mogelijk te maken en behandeling volgens de psychiater dr. Kaiser enkele jaren in beslag zal nemen.

De rechtbank sluit zich tevens aan bij het standpunt van de officier van justitie omtrent het verbod op het uitvoeren van coachende werkzaamheden door verdachte met minderjarigen. De rechtbank acht dit van belang voor de bescherming van minderjarigen .

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een enkele vrijheidsstraf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte en derhalve kan worden volstaan met oplegging van een (deels)voorwaardelijke gevangenisstraf met de hierna te noemen bijzondere voorwaarde. De rechtbank zal verdachte derhalve geen taakstraf opleggen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend adviesrapport d.d. 16 mei 2011 uitgebracht door M. van Buul, reclasseringswerker van de Reclassering Nederland;

- een de verdachte betreffend (beknopt) adviesrapport d.d. 28 januari 2011 uitgebracht door A. de Haan, reclasseringswerker van de Reclassering Nederland.

10. DE BENADEELDE PARTIJEN

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen respectievelijk [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2] tot een bedrag van telkens € 1.000,00, alsmede oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van dit slachtoffer tot voornoemd bedrag. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de benadeelde partijen [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2] (telkens) voor het meerdere niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vorderingen van de benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk te verklaren. Er is sprake van medeschuld van een derde, te weten [naam melder/aangever]. Subsidiair afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van beide vorderingen, aangezien niet vastgesteld is dan wel kan worden of er sprake is van immateriële schade bij [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2].

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat bij toekenning van schadevergoeding dit op zodanige wijze te doen dat [naam melder/aangever] niet het beheer krijgt over het geld.

Het oordeel van de rechtbank

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2] – daartoe telkens vertegenwoordigd door [naam melder/aangever] – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op een bedrag van telkens € 2.200,00.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is het een feit van algemene bekendheid dat misbruik zoals hiervoor bewezen verklaard langdurige gevolgen heeft voor slachtoffers, omdat er sprake is van ernstige schending van de integriteit van het lichaam van slachtoffers. Bovendien is er kans op een scheefgroei in de psycho-seksuele ontwikkeling van de slachtoffers. Ook kan het vertrouwen in de medemens ernstig verstoord raken. De ervaring leert dat dit vaak het gevolg is van feiten als door verdachte begaan.

De rechtbank acht een eventueel causaal verband tussen het optreden van [naam melder/aangever] in het verleden, te weten het niet laten behandelen van verdachte na ontucht, van een te ver verwijderd verband om te spreken van medeschuld van [naam melder/aangever] voor de schade aan zijn kinderen [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2] door de ontuchtige handelingen van verdachte.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partijen [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2] rechtstreeks schade hebben geleden ten gevolge van de onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde feiten.

De hoogte van die schade is telkens genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van telkens € 1.000,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vorderingen van de benadeelde partijen, die in die vorderingen ontvankelijk zijn, zijn in dier voege toewijsbaar.

De vorderingen van de benadeelde partijen leveren naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partijen in hun vorderingen voor dat deel niet-ontvankelijk zijn en dat hun vorderingen ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van telkens

€ 1.000,00 ten behoeve van de slachtoffers [naam slachtoffer] en [naam slachtoffer 2].

11. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van het ten laste gelegde

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en onder 2 laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 80 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt een behandeling bij De Waag en een verbod op het coachen dan wel optreden als scheidsrechter bij wedstrijd van minderjarigen, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis;

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

[naam slachtoffer]

veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer], wonende te Almere, van een bedrag van € 1.000,00 (zegge duizend euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 1 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 29 augustus 2010, tot die van de voldoening;

veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 1.000,00, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer], bij gebreke van betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en adersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat de benadeelde partij [naam slachtoffer] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[naam slachtoffer 2]

veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2], wonende te Almere, van een bedrag van € 1.000,00 (zegge duizend euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 2 bewezen verklaard feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 29 augustus 2010, tot die van de voldoening;

veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 1.000,00, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 2], bij gebreke van betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en adersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. G. Blomsma, voorzitter, mr. L.G. Wijma en mr. A.J. van Dijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2011.