Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR1673

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
07.663380-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis

Feiten Wet Wapens en Munitie; geweldsfeiten

bewijs- en strafmaatmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: (P) en 07.460460-09 (vtvv)

Uitspraak: 1 juni 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren (geboorteplaats)

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2011.

De verdachte is niet in persoon verschenen en is ter terechtzitting verdedigd door

mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle, die heeft verklaard daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

Als officier van justitie was aanwezig mr. B.C. van Haren.

TENLASTELEGGING

De verdachte is, overeenkomstig een wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2010 tot en met 29 november 2010 in de gemeente Zwolle een vuurwapen van categorie III, te weten een alarmpistool (merk en kleur vuurwapen) en/of een schietbeker (loop), en/of munitie van categorie III, te weten 4 patronen 9mm en/of 3 knalpatronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(Zaak 1)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

2.

hij op of omstreeks 01 april 2010 in de gemeente Zwolle opzettelijk brand heeft gesticht op/ aan/in een in de Wanningstraat geparkeerd staande personenauto ((merk, type en kenteken auto), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk die auto overgoten met benzine, althans een brandbare vloeistof en/of vervolgens een brandende aansteker nabij/tegen die auto gehouden, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die auto, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die auto, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

(Zaak 2)

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 april 2010 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk, type en kenteken auto) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (benadeelde partij 1), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 april 2010 tot en met 26 april 2010 in de gemeente Zwolle (benadeelde partij 2) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een stoeptegel/steen in zijn hand gehad en/of met die stoeptegel/steen een gooiende beweging gemaakt naar en/of in de richting van de auto (waarin die (benadeelde partij 2) en/of anderen zaten) en/of (voorafgaand en/of daarbij en/of daarna) deze/hen dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, wel een paar vrienden zou bellen die hem zouden helpen om hen te pakken en/of dat hij, verdachte, die (benadeelde partij 2) dood zou maken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(Zaak 3)

en/of

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 april 2010 tot en met 26 april 2010 in de gemeente Zwolle (benadeelde partij 1)heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk aan (benadeelde partij 2) dreigend de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, wel een paar vrienden zou bellen die hem zouden helpen om hen ((benadeelde partij 2) en (benadeelde partij 1)) te pakken en/of dat hij, verdachte, naast (benadeelde partij 2) haar vriend ook dood zou maken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (vervolgens) heeft (benadeelde partij 2) voornoemde bedreigingen aan (benadeelde partij 1)kenbaar gemaakt;

(Zaak 3)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 01 september 2010 te Zwolle opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (benadeelde partij 1)), meermalen, althans éénmaal, (met kracht) (met de vuisten) op/tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(Zaak 4)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 01 september 2010 te Zwolle (benadeelde partij 1)en/of (benadeelde partij 3)heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen en goederen in gevaar is/wordt gebracht en/of met brandstichting, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een honkbalknuppel op die (benadeelde partij 1)afgelopen en/of heeft hij, verdachte, met een honkbalknuppel zwaaiende bewegingen naar en/of in de richting van die

(benadeelde partij 1)en/of (benadeelde partij 3) gemaakt en/of met die honkbalknuppel op/tegen een hek

geslagen en/of (voorafgaand en/of daarbij en/of daarna) deze/hen dreigend de woorden toegevoegd: "Ik steek jullie allemaal dood" en/of "Ik maak je dood, jij en je dochter, ik steek je huis in de fik, ik heb je auto al in de fik gestoken" en/of dat hij, verdachte, een mes zou halen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(Zaak 4)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 14 september 2010 in de gemeente Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto ((merk en kenteken auto), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (benadeelde partij 1)en/of (benadeelde partij 3), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(Zaak 5)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 18 november 2010 in de gemeente Zwolle (benadeelde partij 1)heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte in de richting van die (benadeelde partij 1)gelopen en/of heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes in zijn hand gehad en/of met dat mes stekende bewegingen naar en/of in de richting van die (benadeelde partij 1)gemaakt en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik steek je nu dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(Zaak 6)

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

8.

hij op of omstreeks 29 november 2010 in de gemeente Zwolle (een) mes, zijnde (een) voorwerp(en) als bedoeld in de categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen;

(zaak 6)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 27 lid 1 Wet wapens en munitie

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennis¬neming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- verdachte te veroordelen voor het onder 1, 2, 3 (voor zover het de gestelde bedreiging van (benadeelde partij 2) (hierna: (benadeelde partij 2)) betreft (het eerste onderdeel van het onder 3 ten laste gelegde) en het onder 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde;

- verdachte vrij te spreken van het onder 3 ten laste gelegde, voor zover het de gestelde bedreiging van (benadeelde partij 1)(hierna: (benadeelde partij 1)) betreft (het tweede onderdeel van het onder 3 ten laste gelegde).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich – overeenkomstig de inhoud van de door hem aan de rechtbank overgelegde pleitnota – samengevat op het standpunt gesteld dat met betrekking tot het onder 2, primair, 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van de onder 1, 2, subsidiair, 5 en 8 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman van verdachte zich gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het volgende.

Feit 1

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijs¬middelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen wat verdachte onder 1 ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen van 30 november 2010 ;

- de bekennende verklaring van verdachte van 30 november 2010 ;

- het proces-verbaal van binnentreden woning van 30 november 2010 ;

- het relaas van (vuur)wapenonderzoek van 30 november 2010 ;

- het proces-verbaal van bevindingen van 2 december 2010 ;

- de bekennende verklaring van verdachte van 1 december 2010 ;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige (getuige 1) van 11 december 2010 .

Feit 2

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde dat verdachte heeft bekend de desbetreffende auto in brand te hebben gestoken.

Door de verdediging is echter bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat niet gebleken is dat door de brandstichting ‘gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ in de zin van artikel 157 aanhef, sub 1, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt hierover dat het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat er andere (roerende of onroerende) goederen op een zodanige afstand van de door verdachte in brand gestoken auto hebben gestaan, dat het gemeen gevaar van brandstichting zich uitstrekte tot andere goederen, of dat om een andere reden een gemeen gevaar voor (andere) goederen te duchten was.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde daarom niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom van het primair onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Omdat ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijs¬middelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen wat verdachte onder 2 subsidiair ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van 1 april 2010 ;

- het proces-verbaal van verhoor van (getuige 2) van 23 november 2010 ;

- de bekennende verklaring van verdachte van 8 december 2010 .

Feit 3

1. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van aangifte van 26 april 2010 blijkt dat (benadeelde partij 2) heeft verklaard dat zij verdachte op 24 april 2010 tegen is gekomen bij de woning van haar schoonmoeder en een woorden¬wisseling heeft plaatsgevonden. Over de verdere gang van zaken heeft zij – voor zover relevant – verklaard: “Ondertussen bleef hij op mij schelden en ben ik in de auto gestapt. Ik heb, op het moment dat ik wegreed, gezwaaid in de richting van (verdachte). Ondertussen keek ik constant naar mijn vader. Ik zag op dat moment dat (verdachte) een stoeptegel in zijn hand pakte en een gooiende beweging richting de auto maakt. Daar schrokken wij erg van. Wij waren er eigenlijk van overtuigd dat hij zou gooien. (…) Op dat moment stond (verdachte) nog steeds naast de auto met de steen in de hand.” .

Blijkens het proces-verbaal van het getuigenverhoor van (benadeelde partij 2) door de rechter-commissaris op 24 maart 2011, heeft (benadeelde partij 2) hierover aanvullend verklaard: “Toen (…) ben ik de auto weer ingestapt en zwaaide naar hem. Daar werd hij gek van. Hij maakte toen een beweging alsof hij een steen op ons zou gooien. Hij had toen een stoeptegel vast. (…) (verdachte) heeft met die tegel de auto niet geraakt. Hij stond voor de auto waardoor we niet konden wegrijden. Hij richtte de steen op de voorruit.” .

Op 25 juni 2010 heeft getuige (getuige 2) over dit feit het volgende verklaard: “Ik zag dat (benadeelde partij 2) weer instapte en bleef schelden. (…) (naam 1) reed, haar moeder zat op de passagiersstoel en (benadeelde partij 2) zat achterin. (…) Toen begon (benadeelde partij 2) tegen mij te schelden (…). Kennelijk was dit voor (verdachte) de druppel. Ik zag dat (verdachte) doordraaide. Ik zag namelijk dat hij een grindtegel uit de tuin van Rinus pakte. Ik zag dat hij met deze grindtegel naar de auto liep waar (naam 1), haar moeder, (benadeelde partij 2) en (naam 2) in zaten. Ik zag dat hij de grindtegel omhoog hield terwijl hij naar de auto liep. Ik zag dat hij zijn armen achteruit haalde. (verdachte) heeft uiteindelijk de grindtegel niet naar de auto gegooid. Daarna zijn (naam 1), haar moeder, (benadeelde partij 2) en (naam 2) weggereden.” .

Op 1 december 2010 heeft verdachte met betrekking tot dit feit verklaard dat hij ruzie met (benadeelde partij 2) heeft gekregen en na daartoe door (benadeelde partij 2) te zijn uitgedaagd, een gooiende beweging met een (stuk) stoeptegel heeft gemaakt. Hij heeft verklaard: “Daarop ontstonden er wel woorden en zei (benadeelde partij 2) nog longlijer tegen mijn vader. Mijn vader heeft longemfyseem. Daar werd ik heel boos van, waarop ik een stuk stoeptegel pakte en een gooiende beweging maakte. Ik had absoluut niet de bedoeling om echt te gooien. Ik weet dat er dan schade ontstaat en dan de politie zou komen. ” .

De rechtbank acht gelet op de aangifte en verklaringen van (benadeelde partij 2), (getuige 2) en de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 april 2010 met een (stuk) stoeptegel een gooiende beweging heeft gemaakt in de richting van de auto waarin (benadeelde partij 2) zat.

2. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat hierdoor bij (benadeelde partij 2) de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd, daadwerkelijk zou worden uitgevoerd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de aangifte van (benadeelde partij 2) en de verklaring van (getuige 2) blijkt dat verdachte – in de context van een ruzie – niet op ruime afstand, maar met de stoeptegel naar de auto is toegelopen en toen een gooiende beweging heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is deze bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden gepleegd, dat bij (benadeelde partij 2) en de anderen in de auto de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte de tegel daadwerkelijk door de ruit zou gooien, met alle gevolgen van dien, waaronder ook de mogelijkheid van zwaar lichamelijk letsel.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (benadeelde partij 2) en (benadeelde partij 1)woordelijk heeft bedreigd met de woorden, die de tenlastelegging vermeldt. Daartoe overweegt de rechtbank dat alleen (benadeelde partij 2) heeft verklaard dat verdachte die woorden op 24 april en 26 april 2010 heeft geuit, maar voor deze verklaring kan geen enkele steun in de andere bewijsmiddelen kan worden gevonden, terwijl verdachte het ten laste gelegde heeft ontkend.

(benadeelde partij 1)heeft over niets kunnen verklaren, omdat hij bij de desbetreffende incidenten niet aanwezig was .

Ten aanzien van woordelijke bedreiging met de woorden die verdachte volgens het onder 3 ten laste gelegde in de richting van (benadeelde partij 2) en (benadeelde partij 1)zou hebben geuit, zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

4. Kortom, de rechtbank acht uitsluitend wettig en overtuigend bewezen wat onder 3, primair, ten laste is gelegd, voor zover het de bedreiging met een stoeptegel op 24 april 2010 betreft.

Feit 4

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde hebben (benadeelde partij 1), (benadeelde partij 3) (de moeder van (benadeelde partij 1) en (benadeelde partij 2) verklaard dat verdachte op 1 september 2010 kwam aanrijden op zijn fiets en tijdens het passeren van (benadeelde partij 1)hem een trap op zijn linkerheup heeft gegeven. Daarna zou (benadeelde partij 1)hem van de fiets hebben getrokken, waarna een vechtpartij ontstond.

Verdachte heeft dit ontkend. Volgens verdachte heeft hij (benadeelde partij 1)niet getrapt, maar werd hij plotseling door (benadeelde partij 1)van zijn fiets getrokken, waarna een vechtpartij ontstond.

(benadeelde partij 1)heeft verklaard: “Vandaag, woensdag 1 september 2010, omstreeks 11.30 uur, kwam ik bij mijn moeder aan de (adres). Ik zat in de auto en heb deze geparkeerd voor de woning. Ik was net uitgestapt, toen (verdachte)l vanaf de achterzijde mij benaderde. Ik heb al langer met hem problemen. Hij had nog niets gezegd, ik had hem ook niet aan zien komen. Hij kwam op mij af fietsen en schopte vanaf zijn fiets. Ik voelde dat hij met zijn rechtervoet met kracht een trap gaf in mijn linkerzij. Ik was half omgedraaid en herkende hem direct als (verdachte)l. Ik heb hem toen van de fiets getrokken, waarop hij van zijn fiets viel. Ik zag dat hij vervolgens opstond. Hij begon hierop gelijk te schoppen en te slaan. Hij raakte mij overal. Ik heb hem ook terug kunnen slaan om mij te weren en hem ook een duw daarbij gegeven.” .

(benadeelde partij 3) heeft verklaard: “Op enig moment zag ik dat (verdachte) aan kwam rijden op zijn fiets. Hij reed snel en reed op mijn zoon af. Ik zag dat hij tijdens het passeren van mijn zoon met kracht en kennelijk opzettelijk een trap gaf op zijn linkerheup. Mijn zoon heeft hier een blauwe plek aan over gehouden en doet ook aangifte. Ik zag dat (verdachte) van zijn fiets stapte om verder te vechten met mijn zoon. (…) Ik zag dat er een gevecht ontstond en dat (verdachte) zich op enig moment losmaakte uit het gevecht. Ik zag dat (verdachte) wegrende in de richting van zijn woning.” .

(benadeelde partij 2) heeft verklaard: “(…) Terwijl wij hier liepen, zag ik dat mijn broer (verdachte) de bocht om kwam fietsen. (…) Ik zag dat mijn huidige vriend (naam 3) even verderop uit zijn auto stapte, waarna hij met zijn gezicht richting zijn auto stond te wachten op ons. Terwijl mijn vriend aldaar stond te wachten, zag ik dat mijn broer (verdachte) langs hem fietste. Ik zag dat (verdachte) hierbij met zijn rechterbeen krachtig in de rug van mijn vriend trapte. Ik zag dat mijn vriend hierdoor voorover viel, maar uiteindelijk nog net bleef staan. Gelijk hierop zag ik dat mijn vriend (naam 3) zich omdraaide en (verdachte) best hard van zijn fiets af trok. Hierna zag ik dat er over en weer wat geslagen en geschopt werd. Op een gegeven moment zag ik dat (verdachte) in de richting van onze ouderlijke woning liep.” .

Een foto van het letsel van de trap die verdachte aan (benadeelde partij 1)zou hebben gegeven, is in het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek gevoegd .

Op 24 maart 2011 hebben (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 2) hun op 1 september 2010 afgelegde verklaringen tegenover de rechter-commissaris bevestigd .

De rechtbank acht gelet op de genoemde verklaringen van (benadeelde partij 1), (benadeelde partij 3) en (benadeelde partij 2) en de foto van het letsel, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (benadeelde partij 1)tegen het lichaam heeft getrapt, wardoor hij letsel en pijn heeft ondervonden.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, doet het feit dat (benadeelde partij 1)bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat tijdens het incident (benadeelde partij 3) en (benadeelde partij 2) op 200 meter afstand stonden en hij in een reactie in staat zou zijn geweest om verdachte van zijn fiets te trekken, niets af aan de overtuiging van de rechtbank dat verdachte (benadeelde partij 1)de bedoelde trap heeft gegeven.

Feit 5

Als vervolg op het onder Feit 4 bedoelde incident, zou verdachte in het huis van zijn ouders een honkbalknuppel hebben gehaald, daarmee dreigend zijn gelopen in de richting van (benadeelde partij 1), (benadeelde partij 2) en (benadeelde partij 3) en met de honkbalknuppel onder meer op een hek hebben geslagen, terwijl hij bedreigende woorden uitte.

Omdat ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijs¬middelen die hebben geleid tot de bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen wat verdachte onder 5 ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van (benadeelde partij 3) ;

- het proces-verbaal van aangifte van (benadeelde partij 1)

- het proces-verbaal van verhoor van getuige (benadeelde partij 2) ;

- het proces-verbaal van verhoor van (benadeelde partij 2) ;

- de bekennende verklaring van verdachte van 23 november 2010 .

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat desondanks vrijspraak moet volgen, omdat niet bewezen is dat de door verdachte geuite bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gedaan, dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd, ook gepleegd zou worden. In dat kader heeft hij aangevoed dat (benadeelde partij 1), (benadeelde partij 3) en (benadeelde partij 2) zich niet terugtrokken, maar in de tuin bleven staan en zich bewapenden met stenen, terwijl verdachte hun tuin niet is ingekomen.

De rechtbank volgt het standpunt van de raadsman niet. Naar het oordeel van de rechtbank is niet de reactie van de bedreigden bepalend voor de kwalificatie van de daad van verdachte, maar of de daad volgens objectieve maatstaven is aan te merken als bedreiging. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake.

De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde daarom bewezen.

Feit 6

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 2) hebben verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte de desbetreffende auto heeft bekrast , ook tegenover de rechter-commissaris . Omdat voor hun verklaringen echter geen enkele steun kan worden gevonden in andere bewijsmiddelen, zoals ‘steunverklaringen’, foto’s of een schaderapport, terwijl verdachte heeft ontkend dit feit te hebben gepleegd, en tussen verdachte enerzijds en (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 2) anderzijds sprake is van een conflict, waardoor de betrouwbaarheid van de verklaringen met behoedzaamheid moet worden beoordeeld, is naar het oordeel van de rechtbank niet overtuigend bewezen dat verdachte het onder 6 ten laste gelegde heeft gepleegd.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 6 ten laste gelegde.

Feit 7

Met betrekking tot het onder 7 ten laste gelegde feit heeft (benadeelde partij 1)– samengevat – het volgende verklaard. Hij is op de desbetreffende dag samen met zijn moeder naar het huis gegaan waar verdachte toen verbleef (het huis van zijn tante, aan de (adres)), om verhaal te halen voor een vermeende bedreiging van zijn zusje. Zijn moeder belde aan en is direct weer naar de stoep gelopen. Verdachte deed de voordeur open, (benadeelde partij 1)liep naar hem toe en toen kwam verdachte op hem aflopen met een mes in zijn hand, terwijl hij de woorden uitte, die de tenlastelegging vermeldt. (benadeelde partij 1)heeft verklaard dat verdachte een stekende beweging in zijn richting maakte en hij iets voelde aan de zijkant van zijn lichaam. Hij zag dat hij niet was gestoken. Op dat moment liep verdachte weer naar binnen en deed hij de voordeur dicht .

Verdachte heeft het onder 7 ten laste gelegde ontkend. Met betrekking tot het onderhavige incident heeft hij op 8 december 2010 een geheel andere verklaring afgelegd, gevolgd door een aangifte van bedreiging door (benadeelde partij 1). Volgens verdachte deed hij de deur open en zag hij toen dat (benadeelde partij 1)een boksbeugel met messen in zijn hand had waarmee hij uithaalde naar hem. Hij kon nog net de voordeur dichtgooien. Hij zag en hoorde dat het mes op de voordeurruit afketste. Volgens verdachte is hij in de deuropening blijven staan en kwam (benadeelde partij 1)naar hem toelopen. Naast (benadeelde partij 1)waren – onder meer – ook de moeder van (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 2) aanwezig .

De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de op 11 december 2010 door de tante van verdachte, (getuige 3), afgelegde verklaring. Zij heeft verklaard dat zij (benadeelde partij 1)voor haar huis heen en weer zag lopen van de voordeur naar het raam en dat zij zag dat hij met een mes zwaaide. Zij kon de punt van het mes zien. (getuige 3) zag verdachte naar de voordeur lopen en hoorde dat hij de voordeur kennelijk opende en weer dicht gooide. Zij heeft begrepen dat (benadeelde partij 1)op verdachte heeft ingestoken, maar heeft dit niet zelf gezien. Volgens (getuige 3) had verdachte geen mes toen hij opendeed .

(benadeelde partij 1)heeft de door verdachte geschetste gang van zaken ontkend en heeft zijn eerder afgelegde verklaring herhaald .

De verklaring van (benadeelde partij 1)wordt ondersteund door een verklaring van (benadeelde partij 2), afgelegd op 20 december 2010 . Op 24 maart 2011 hebben (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 2) verklaringen tegenover de rechter-commissaris afgelegd. De door (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 2) afgelegde verklaringen stemmen echter niet geheel met elkaar overeen. Zo heeft (benadeelde partij 2) verklaard dat (benadeelde partij 1)zelf heeft aangebeld, in plaats van zijn moeder, die (pas) 5 minuten later ter plaatse zou zijn gekomen . Verder heeft (benadeelde partij 2) verklaard dat zij wel heeft gezien dat verdachte een stekende beweging maakte, maar heeft zij geen mes gezien .

De rechtbank acht de door (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 2) afgelegde verklaringen – in het licht van de omstandigheden – onvoldoende om het onder 7 ten laste gelegde overtuigend bewezen te oordelen. Daarbij heeft de rechbank meegewogen dat (benadeelde partij 1)naar verdachte is toegegaan ‘om verhaal te halen’ en voor de verklaringen van (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 2), die niet geheel met elkaar overeenstemmen, bovendien geen steun in andere bewijsmiddelen kan worden gevonden, terwijl de geheel andere verklaring van verdachte wordt ondersteund door de overeenstemmende verklaring van zijn tante.

Van het onder 7 ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken.

Feit 8

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde is sprake van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijs¬middelen die hebben geleid tot de bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen wat verdachte onder 8 ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aanhouding ;

- het relaas van (vuur)wapenonderzoek ;

- de bekennende verklaring van verdachte .

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 8 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 01 oktober 2010 tot en met 29 november 2010 in de gemeente Zwolle een vuurwapen van categorie III, te weten een alarmpistool ((merk, type en kleur)) en een schietbeker (loop), en munitie van categorie III, te weten 4 patronen 9mm en/of 3 knalpatronen, voorhanden heeft gehad;

2 subsidiair.

hij op of omstreeks 01 april 2010 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto ((merk, type en kenteken auto)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (benadeelde partij 1), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield ;

3.

hij op 24 april 2010 in de gemeente Zwolle (benadeelde partij 2) (benadeelde partij 2) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een stoeptegel in zijn hand gehad en met die stoeptegel een gooiende beweging gemaakt in de richting van de auto (waarin die (benadeelde partij 2) en anderen zaten);

4.

hij op 01 september 2010 te Zwolle opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (benadeelde partij 1)) tegen het lichaam heeft getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

5.

hij op 01 september 2010 te Zwolle (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 3) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een honkbalknuppel op die (benadeelde partij 1)afgelopen en heeft hij, verdachte, met een honkbalknuppel zwaaiende bewegingen in de richting van die (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 3) gemaakt en met die honkbalknuppel op/tegen een hek geslagen en hen dreigend de woorden toegevoegd: "Ik steek jullie allemaal dood" en "Ik maak je dood, jij en je dochter, ik steek je huis in de fik, ik heb je auto al in de fik gestoken" en dat hij, verdachte, een mes zou halen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

8.

hij op 29 november 2010 in de gemeente Zwolle (een) mes, zijnde (een) voorwerp(en) als bedoeld in de categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen;

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

2 subsidiair

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

3.

Bedreiging met zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

4.

Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

5.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8.

Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 54, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van wat zij bewezen heeft geacht gevorderd:

- aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren onder de bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook indien dit inhoudt meewerken aan een intake bij de Hanzeborg en (indien geïndiceerd) aansluitend het volgen van een behandeling of training en

- een contactverbod met (benadeelde partij 1), (benadeelde partij 2) en (benadeelde partij 3);

- ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde, een bewezenverklaring zonder straf;

- de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 07.460460-09 toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat, mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, bij het opleggen van een straf rekening dient te worden gehouden met het feit dat verdachte uiteraard de verantwoordelijkheid draagt voor de strafbare feiten die hij heeft gepleegd, maar dat zwaar moet worden meegewogen de rol van (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 2), die hem steeds hebben geprovoceerd en ook bedreigd. Volgens de raadsman dient een eventuele gevangenisstraf beperkt te worden tot de duur van de voorlopige hechtenis, mogelijk aangevuld met een werkstraf, en is een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht geïndiceerd.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de hierna te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 22 april 2011 en

- een reclasseringsadvies van het Leger des Heils Zwolle, Jeugdzorg & Reclassering d.d. 29 april 2011, opgemaakt door L. Reumerman, reclasseringsmedewerker.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte de hierboven genoemde ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, waarvoor hij dient te worden gestraft.

De rechtbank houdt er in het nadeel van verdachte rekening mee dat verdachte al eerder voor geweldsmisdrijven is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder meegewogen dat alle strafbare feiten die verdachte heeft gepleegd verband houden met een langslepende ruzie tussen verdachte (en zijn familie) enerzijds en (benadeelde partij 1)en (benadeelde partij 2) (en de familie van (benadeelde partij 1)) anderzijds. Weliswaar ontslaat dit verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om zich te onthouden van het plegen van strafbare feiten, ook niet ingeval van (wederzijdse) provocaties en bedreigingen, zoals de verdediging heeft bepleit, maar de rechtbank beschouwt de strafbare feiten, in deze context, bij het bepalen van de strafmaat, niet als geheel op zichzelf staande incidenten.

Uit het reclasseringsadvies blijkt onder meer dat verdachte geen eigen woning heeft. Hij woont bij zijn (gehandicapte) oom en tante. Hij heeft wel een opleiding (speciaal onderwijs, praktijkschool, stratenmakersvak), maar geen werk en inkomen. Verdachte heeft wel schulden. Hij functioneert op zwakbegaafd niveau en lijkt zich op te houden in criminele kringen. Volgens het reclasseringsadvies heeft verdachte geen goed beeld van zijn problemen, stelt hij geen strafbare feiten te willen plegen, maar uit hij wel allerlei bedreigingen in de richting van zijn zwager, waardoor het lijkt dat hij zijn emoties niet onder controle heeft en agressie als enige oplossingsstrategie gebruikt. In verband met deze omstandigheden wordt het recidiverisico als hoog gemiddeld geschat, met een risico op letselschade voor zijn zwager en zus. Geschat wordt dat een laag gemiddeld risico bestaat op het onttrekken aan voorwaarden. De houding van verdachte ten opzichte van het schorsingstoezicht is positief en hij houdt zich keurig aan de voorwaarden. Hij is enigszins bereid om te veranderen en ziet, na veel uitleg, ook de voordelen van begeleiding.

Gelet op het recidiverisico, de criminogene factoren en de interventies in het verleden, acht de reclassering toezicht met bijzondere voorwaarden geïndiceerd. Geadviseerd is om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met de volgende voorwaarden:

Een meldingsgebod

Verdachte moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de verdachte zich blijven melden zoals nu in het kader van het schorsingstoezicht is afgesproken.

Een behandelverplichting

Verdachte zal moeten meewerken aan een intake bij de Hanzeborg en zal aansluitend (als dat is geïndiceerd) een behandeling of training volgen.

Het accepteren van woonbegeleiding

Verdachte dient woonbegeleiding van MEE te accepteren.

Door de reclassering is in overleg met verdachte een Plan van aanpak opgesteld, dat door verdachte is geaccordeerd.

Tegen deze achtergrond acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van 2 jaren aangewezen. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden, die in het reclasseringsadvies zijn genoemd, en bovendien de voorwaarde dat verdachte op geen enkele wijze contact zal hebben met (benadeelde partij 1)en zijn familie noch met (benadeelde partij 2), om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt in het kader van de langslepende ruzie tussen beide partijen.

De rechtbank acht verder een werkstraf van 100 uren geïndiceerd, met een aftrek voor het aantal dagen dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.

Met deze straf brengt de rechtbank enerzijds de ernst van de strafbare feiten tot uitdrukking, maar houdt zij anderzijds rekening met de context waarin de strafbare feiten zijn gepleegd en de bereidheid van verdachte om mee te werken aan reclasseringstoezicht.

Benadeelde partij

De benadeelde partij, (benadeelde partij 3), heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 775,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde. Zij heeft gevorderd: € 475,-- voor materiële schade en € 300,-- voor immateriele schade.

Omdat verdachte ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, ontbreekt een grondslag voor toewijzing van de materiële schadepost. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering daarom afwijzen.

Ten aanzien van de vermeende immateriele schade overweegt de rechtbank dat dit onderdeel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en daarom niet-ontvankelijk is.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig de vordering tenuitvoerlegging van de door de politierechter te Zwolle-Lelystad bij vonnis d.d. 18 september 2009 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week toe te wijzen, met dien verstande dat de rechtbank op de voet van het bepaalde in het tweede lid van genoemd artikel een taakstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, zal gelasten.

Uit de inhoud van dit vonnis blijkt immers dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is, behalve op de reeds genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 27, 57, 62 en 91.

BESLISSING

Het onder 6 en 7 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 8 ten laste gelegde is bewezen zoals hierboven is aangegeven en levert de strafbare feiten op, die hierboven zijn vermeld. De verdachte is daarom strafbaar.

Het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 8 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Deze gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en/of hij de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet naleeft.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de reclasserings¬instelling, zolang deze reclasseringsinstelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling zoals bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht;

2. verdachte zal overeenkomstig de aanwijzingen van de reclasseringsinstelling meewerken aan een intake bij de Hanzeborg, dan wel een andere door de reclasserings¬instelling aan te wijzen instelling en (indien geïndiceerd) aansluitend het volgen van een behandeling of training;

3. verdachte zal woonbegeleiding van MEE accepteren, overeenkomstig de aanwijzingen van de reclasseringsinstelling;

4. verdachte zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact hebben met (benadeelde partij 1)en zijn familie noch met (benadeelde partij 2), behalve als de reclasseringsinstelling met een dergelijk contact heeft ingestemd.

De rechtbank legt aan verdachte voorts op een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 100 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, de werkstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

De rechtbank legt de verdachte ter zake de onder 8 bewezen verklaarde overtreding geen straf of maatregel op.

Schadevergoeding

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij 3) voor wat betreft de schade die het gevolg zou zijn van het onder 6 ten laste gelegde feit af.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (benadeelde partij 3) voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst de vordering toe.

De rechtbank gelast het verrichten van een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 14 uren, te voltooien binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 7 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. M.A. Wijnands-Veninga, voorzitter, mrs. F. Koster en A.P.W. Esmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2011.

Mr. Wijnands-Veninga, voornoemd, was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.