Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR1256

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-06-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
186860 / JZ RK 11-490
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek gesloten jeugdzorg omdat er in feite sprake is van een correctiemaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

Zaak/rolnr.: 186860 / JZ RK 11-490

datum : 27 juni 2011

beschikking van de meervoudige familiekamer

inzake

BUREAU JEUGDZORG OVERIJSSEL,

gevestigd te Zwolle,

vertegenwoordigd door W. Jongsma,

hierna als de gezinsvoogdij-instelling aangeduid,

verzoekster,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], hierna als [minderjarige] aangeduid, geboren op [datum] 1994 te [plaats], [land],

kind van [moeder] en [vader].

Belanghebbende:

[moeder]

wonende te [plaats],

hierna als de moeder aangeduid.

De moeder is belast met het gezag.

Het procesverloop

De gezinsvoogdij-instelling heeft op 22 juni 2011 onder bovenvermeld zaaknummer telefonisch een verzoekschrift ingediend tot voorlopige machtiging uithuisplaatsing.

De kinderrechter heeft in deze zaak op 22 en 24 juni 2011 reeds een beschikking gegeven.

In de beschikking van 22 juni 2011 is het volgende, voor zover thans van belang, bepaald:

"Verleent de gezinsvoogdij-instelling een voorlopige machtiging de minderjarige met ingang van 22 juni 2011 tot 25 juni 2011 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Houdt iedere verdere beslissing aan."

In de beschikking van 24 juni 2011 is het volgende, voor zover thans van belang, bepaald:

"Verleent de gezinsvoogdij-instelling een voorlopige machtiging de minderjarige met ingang van 25 juni 2011 tot 30 juni 2011 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Houdt iedere verdere beslissing aan."

Op 24 juni 2011 heeft de kinderrechter de zaak verwezen naar de Meervoudige Kamer.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 27 juni 2011.

Verschenen zijn:

- de moeder;

- W. Jongsma namens de gezinsvoogdij-instelling.

[minderjarige] heeft, in aanwezigheid van mr. C.S.P.M. de Kock, gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

Als tolk in de Franse taal is aanwezig geweest mevrouw Gaus.

Vaststaande feiten

[minderjarige] verblijft elders.

Bij beschikking van 17 januari 2011 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] tot

17 januari 2012 onder toezicht gesteld van de gezinsvoogdij-instelling.

Tevens is bij die beschikking de gezinsvoogdij-instelling gemachtigd [minderjarige] tot

17 januari 2012 uit huis te plaatsen in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs.

Beoordeling van de zaak

Thans dient nog beslist te worden op het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling haar een voorlopige machtiging te verlenen [minderjarige] ook met ingang van 30 juni 2011 tot

20 juli 2011 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Ter motivering van haar verzoek verwijst de gezinsvoogdijinstelling naar de overgelegde stukken: het plan van aanpak van 15 april 2011, een besluit spoedzorg van 23 juni 2011 en een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper van 24 juni 2011.

De gezinsvoogdes merkt nog op dat [minderjarige] zich niet aan afspraken houdt. Ook houdt [minderjarige] zich niet aan schorsingsvoorwaarden. [minderjarige] gaat zijn eigen gang. Zo blijft hij drugs gebruiken. Na het incident tussen [minderjarige] en een andere jongere op de groep was de maat vol. [A], locatie [B], heeft de gezinsvoogdijinstelling toen laten weten dat [minderjarige] vanwege zijn eigen veiligheid en de veiligheid van anderen niet meer op een open groep te handhaven is. De jongeren zijn bang voor hem. Inmiddels loopt er een NIFP onderzoek. Na ontvangst van de NIFP rapportage kan bekeken worden wat het vervolgtraject voor [minderjarige] moet zijn. De instemmingsverklaring is afkomstig van een leidinggevend gedragsdeskundige die niet bij de behandeling van [minderjarige] is betrokken en die niet de leidinggevende van de behandelaar van [minderjarige] is. Derhalve voldoet hij aan de te stellen eisen voor wat betreft zijn onafhankelijkheid.

[minderjarige], bijgestaan door zijn advocaat, maakt bezwaar tegen toewijzing van het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling. Er is slechts één incident geweest waarbij een andere jongere op de groep betrokken is geweest. Dat incident wordt overdreven. [minderjarige] is op woensdagavond

22 juni overgebracht naar de gesloten afdeling van [A], locatie [B]. Hij is in afzondering geplaatst, dat wil zeggen op een kamer die op slot is. Enkele keren per dag kreeg hij de gelegenheid om te luchten. Tot het vervoer naar de zitting op 24 juni is hij in afzondering gebleven. Na die zitting is hij overgebracht naar [A], locatie [C]. Ook daar is hij weer in afzondering geplaatst, waar hij nog steeds zit. De sfeer is er wel beter dan in [B]. Niet duidelijk is hoelang hij daar nog in afzondering moet blijven. De plaatsing in de gesloten afdeling komt hem als een straf voor. In [C] zeiden ze tegen hem dat het een correctieplaatsing betrof. De advocaat van [minderjarige] betwijfelt het nut van de overplaatsing van een open naar een gesloten plaats. Tenslotte wijst de advocaat van [minderjarige] erop dat de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper niet voldoet aan de daaraan te stellen vereisten. Met name kan sterk getwijfeld worden aan de onafhankelijkheid van de gedragswetenschapper, nu deze werkzaam is bij [A], locatie [B]. Hoewel deze gedragswetenschapper niet de behandelaar van [minderjarige] is, behoort hij wel tot de gedragswetenschappers die werkzaam zijn op de locatie [B] en is hij in ieder geval een directe collega van de behandelend gedragswetenschapper van [minderjarige]. De behandelcoördinator wordt in de instemmingsverklaring uitvoerig geciteerd, waarna er een korte motivering van de gedragswetenschapper zelf komt waarin tevens het gesprek met [minderjarige] verweven is.

De moeder maakt eveneens bezwaar tegen toewijzing van het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling. Zij ziet het nut van een plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg niet in.

De rechtbank overweegt als volgt.

De overplaatsing van een open plaats naar een gesloten jeugdzorgaccommodatie is ingegeven door de omstandigheid dat [minderjarige] niet meer te handhaven is op een open groep. Hij is in afzondering geplaatst, hetgeen tot tenminste de zitting op 27 juni heeft geduurd, terwijl het einde van die periode niet is aan te geven. Deze overplaatsing houdt geen verband met de start van een behandeling. De gedragswetenschapper geeft in zijn verklaring weer dat hij kan instemmen met een plaatsing in een gesloten kader mits dit voor korte duur is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft, zo blijkt uit de gang van zake, de plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg in sterke mate het karakter van een zogenaamde correctiemaatregel, vanwege het incident waarbij een andere jongere van de groep betrokken is geweest. Hoewel niet duidelijk is wat er precies is gebeurd, rijst de vraag of een plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg en daarbinnen in afzondering, in ieder geval tot aan de zitting van 27 juni passend is. Het hanteren van een voorlopige machtiging voor uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als correctiemiddel is een oneigenlijk gebruik van een (voorlopige) machtiging voor uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Er loopt een onderzoek bij het NIFP naar het gedrag van [minderjarige]. Zodra dit onderzoek is afgerond en de rapportage beschikbaar is kan bepaald worden wat het behandeltraject van [minderjarige] zal zijn. Tot dat deze informatie beschikbaar is kan [minderjarige] op basis van de reeds op 17 januari 2011 verleende machtiging worden geplaatst in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs. Vorenstaande leidt tot de slotsom dat het verzoek van de gezinsvoogdijinstelling voor wat betreft de periode met ingang van 30 juni 2011 zal worden afgewezen.

Nu het verzoek van de gezinsvoogdijinstelling haar een voorlopige machtiging te geven voor uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg op bovengenoemde gronden reeds zal worden afgewezen, komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of de instemmingsverklaring voldoet aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten, zodat dit punt verder onbesproken blijft.

Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek voor wat betreft de periode met ingang van 30 juni 2011 af.

Aldus gegeven door mrs. W. Miltenburg, voorzitter, A. Smedes en K. van Leeuwen, rechters en tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van F.A. Paasman als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2011.

Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zicht niet met de beslissing van de rechtbank kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te Arnhem. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden na de datum van de uitspraak.

Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een advocaat verplicht.