Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BR0591

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
155184 / HA ZA 09-313, 155323 / HA ZA 09-333, 157786 / HA ZA 09-711
Formele relaties
Verzetvonnis: ECLI:NL:RBONE:2013:2790
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Renovatie van kade leidt volgens eiser tot schade aan zijn woning. Causaal verband; Omkeringsregel".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

Vonnis van 13 april 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 155184 / HA ZA 09-313 van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R. Vissink te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A. ter Mors te Enschede,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155323 / HA ZA 09-333 van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R. Vissink te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DEVENTER,

zetelend te Deventer,

gedaagde,

advocaat mr. J.H. Tuit te Almere.

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 157786 / HA ZA 09-711 van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R. Vissink te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.H. Tuit te Almere.

Partijen zullen hierna [A], [B], Gemeente Deventer en [C] genoemd worden.

1. De procedure in de zaak 09-313

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de rolbeslissing van 27 augustus 2009, alsmede de vonnissen van 22 juli 2009 en 10 juni 2009

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens akte wijziging eis

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties van [A]

- de antwoordakte van [B].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de zaak 09-333

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens akte wijziging eis

- de conclusie van dupliek.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De procedure in de zaak 09-711

3.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 1 april 2009 (79751 / HA ZA 09-2141)

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens akte wijziging eis

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties van [A].

3.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

4. De feiten

4.1. [A] is eigenaar van de woning, met ondergrond, plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats]. De woning, die dateert uit de jaren 1861-1863, is een rijksmonument.

4.1.1. [A] heeft in de jaren 1995-1997 de woning laten renoveren. Hij heeft hiervoor een subsidie van Gemeente Deventer ontvangen van EUR 90.756,04 (incl. btw). Een van de voorwaarden die aan subsidieverlening is verbonden, is dat de woning wordt onderhouden zoals is omschreven in de "Subsidieverordening Stadsvernieuwing Deventer 1993".

4.2. De woning staat in de directe nabijheid van "de [kade]", een als rijksmonument aangemerkte kade aan de [rivier]. In opdracht van Gemeente Deventer is de [kade] in de periode van 2000 tot en met 2004 gerenoveerd. Voor de renovatie is een CAR-verzekering afgesloten. Belangrijk doel van de renovatiewerkzaamheden betrof het verstevigen van de kademuur zelf, alsmede het verstevigen van de funderingsconstructie. Daarbij is een damwandconstructie aangebracht.

4.2.1. Onderdeel van het werk was ook het plaatsen van een aantal (7) meerstoelen in de [rivier]. De meerstoelen, bestaande uit vier houten palen met een diameter van 40x40cm zijn door [C] in het najaar van 2002 geheid. De dichtstbijzijnde meerstoel bevond zich op een afstand van ongeveer 32 tot 35 meter van de woning van [A]. [A] stelt bij het heien van de meerpalen schade te hebben opgemerkt aan zijn woning. Tijdens het heien zijn trillingsmetingen uitgevoerd door B.V. Ingenieursbureau M.U.C. (verder M.U.C.)

4.2.2. Bij deze renovatiewerkzaamheden trad [B] namens Gemeente Deventer als directievoerder op. [B] heeft eveneens het bestek van de renovatiewerkzaamheden geschreven. [C] heeft, in combinatie met de besloten vennootschap [D] (verder [D]) de werkzaamheden uitgevoerd.

4.2.3. Tijdens de renovatiewerkzaamheden is op 10 februari 2000 een deel van de kademuur ter hoogte van [adres van buren] ingestort. Als gevolg daarvan is zand van onder en achter de kade uitgestroomd en een boom scheef komen te staan.

4.3. Op 22 maart 1999 heeft dhr. H.A.M. Smulders van Smulders Schaderegeling een bouwkundige vooropname gedaan van de woning van [A], waarbij een groot aantal foto's van de woning van [A] zijn gemaakt. In 2008 heeft Smulders opnieuw een bouwkundige opname gemaakt. Van deze opname heeft Smulders op 15 december 2008 rapport uitgebracht. In voormeld rapport zijn zowel de bevindingen van Smulders neergelegd uit de periode van februari tot en met mei 2008 als zijn bevindingen van de vooropname op 22 maart 1999.

4.3.1. In opdracht van de CAR-verzekeraar van de Gemeente Deventer heeft prof. dr. ir. A.E.C. van der Stoel van Crux Engineering BV op 28 februari 2007 en 5 oktober 2009 een rapport uitgebracht (verder aan te duiden als de eerste respectievelijk tweede Crux-rapportage). De conclusie van de eerste Crux-rapportage is:

"Op basis van het bovenstaande komen wij tot de conclusie dat de kans op schade, zowel ten gevolge van het weglopen van zand in de [rivier] met zettingen als gevolg als door de kans op schade veroorzaakt door heitrillingen, als verwaarloosbaar gering kan worden beschouwd. Gezien de toestand van het pand en de gedeeltelijke funderingswijze op de stadswallen, verkeert het pand in een relatief kwetsbare staat. Wanneer tijdens het heien van de meerpaal ten gevolge van het treffen van een obstakel heitrillingen zouden zijn verhoogd, dan zou dit in principe aanvullende schade hebben kunnen veroorzaken. De ruime marge (factor 2 of meer) ten aanzien van de kans op trillingsschade maakt echter de kans dat door obstakels alsnog de grenswaarde wordt overschreden gering. Uitsluitsel hierover had alleen kunnen worden verkregen door trillingsmetingen aan [adres] tijdens het heien".

De conclusie van de tweede Crux-rapportage, waarbij als aanvullende uitgangspunten zijn gehanteerd trillingsmetingen, zoals neergelegd in het rapport "Trillingsmetingen tijdens het heien van houten palen bij de kade langs de [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats]" van M.U.C. van 19 december 2002, en grondwaterstanden, meer in het bijzonder TNO-DINO peilbuis "B33E0317", luidt:

"Op basis van het bovenstaande komen wij wederom tot de (versterkte) conclusie dat de kans op schade, zowel

- ten gevolge van het weglopen van zand in de [rivier] en/of door het toepassen van de bemaling, met zettingen als gevolg;

- als door de kans schade veroorzaakt door heitrillingen,

als het verwaarloosbaar gering kan worden beschouwd".

5. De vorderingen, de gronden daarvan en het verweer

5.1. De vorderingen van [A] strekken er - na eiswijziging - toe dat:

1. [B] (in de zaak 09-313), Gemeente Deventer (in de zaak 09-333) en [C] (in de zaak 09-711) zullen worden veroordeeld om binnen dertig dagen na dit vonnis opdracht te hebben gegeven tot het herstellen van de schade aan de woning van [A], in dier voege dat zijn woning wordt teruggebracht in de staat van vóór renovatie van de [kade], welke staat blijkt uit de fotovooropname van Smulders Schaderegeling van 22 maart 1999, bij gebreke waarvan [A] wordt gemachtigd om ten koste van [B] (in de zaak 09-313), Gemeente Deventer (in de zaak 09-333) en [C] (in de zaak 09-711) zelf voor herstel te laten zorg dragen en waarbij [B] (in de zaak 09-313), Gemeente Deventer (in de zaak 09-333) en [C] (in de zaak 09-711) gehouden zullen zijn om ter zake van het herstel, aan [A] uitgereikte facturen, zelfstandig te voldoen aan de schuldeiser van de betreffende facturen, binnen een periode van 14 dagen na ontvangst door [B] (in de zaak 09-313), Gemeente Deventer (in de zaak 09-333) en [C] (in de zaak 09-711) van die facturen, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 1.500,00 per dag dat [B] (in de zaak 09-313), Gemeente Deventer (in de zaak 09-333) en [C] (in de zaak 09-711) in gebreke blijven met tijdige voldoening;

2. [B] (in de zaak 09-313), Gemeente Deventer (in de zaak 09-333) en [C] (in de zaak 09-711) zullen worden veroordeeld om aan [A] te vergoeden alle schade die hij lijdt doordat Gemeente Deventer besluit niet tot uitbetaling van de subsidie over te gaan, dan wel reeds betaalde voorschotten op de subsidie terug te vorderen;

3. [B] (in de zaak 09-313), Gemeente Deventer (in de zaak 09-333) en [C] (in de zaak 09-711) zullen worden veroordeeld tot betaling aan [A] van EUR 54.327,00;

4. [B] (in de zaak 09-313), Gemeente Deventer (in de zaak 09-333) en [C] (in de zaak 09-711) zullen worden veroordeeld tot betaling aan [A] van EUR 2.842,00;

5. [B] (in de zaak 09-313), Gemeente Deventer (in de zaak 09-333) en [C] (in de zaak 09-711) zullen worden veroordeeld tot betaling aan [A] van EUR 25.000,00;

6. [B] (in de zaak 09-313), Gemeente Deventer (in de zaak 09-333) en [C] (in de zaak 09-711) zullen worden veroordeeld in de kosten van de onderscheidenlijke gedingen.

5.1.1. Aan de vorderingen onder 1. en 2. heeft [A], samengevat, ten grondslag gelegd dat de renovatiewerkzaamheden schade hebben veroorzaakt aan de woning en [B], Gemeente Deventer en [C] deze schade dienen te vergoeden. Meer specifiek bestaan de schadeveroorzakende omstandigheden uit:

­ trillingen die ontstaan zijn bij het boren van de sparingen en het inkasten van de liggers;

­ trillingen die zijn ontstaan bij het inbrengen van damwandplanken;

­ de instorting van een deel van de kademuur en de uitstroom van een grote hoeveelheid zand als gevolg waarvan [A] vermoedt dat deze uitstroom - in verband met in de grond aanwezige resten van oude verdedigingswerken waarop de fundering van de woning van [A] deels rust - schade aan de fundering heeft veroorzaakt;

­ trillingen die zijn ontstaan bij het plaatsen van (geheide) meerstoelen;

­ trillingen die zijn ontstaan bij het plaatsen van bouwkuipen;

­ trillingen die zijn ontstaan bij het trekken van de damwandplanken.

Als gevolg van deze omstandigheden is volgens [A] de fundering van de woning beschadigd (de woning is "geknakt") en zijn op diverse plaatsen scheurvormingen en geluidslekken ontstaan. Daarnaast zijn stucwerk en sierelementen beschadigd.

Voorts stelt [A] (mogelijk) schade te lijden doordat hij mogelijk niet kan voldoen aan de onderhoudsverplichting die als voorwaarde is verbonden aan de door hem ontvangen subsidie. Voor zover Gemeente Deventer niet tot uitbetaling van de subsidie c.q. tot terugvordering van de subsidie overgaat, dienen [B], Gemeente Deventer en [C] de door [A] aldus gemiste subsidie te vergoeden.

De vordering onder 3. betreft kosten die [A] heeft moeten maken om op buitengerechtelijke wijze tot vergoeding van de schade te komen; het betreft zijn eigen kosten, kosten van Smulders Schaderegeling en kosten van zijn raadsman.

De vierde vordering betreft buitengerechtelijke kosten ter zake van juridische bijstand. De vordering onder 5 heeft betrekking op immateriële schadevergoeding.

5.1.2. Meer specifiek grondt [A] de vorderingen, voor zover tegen [B] ingesteld, op de stelling dat [B] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De onrechtmatigheid bestaat daaruit dat [B] in het door haar opgestelde bestek handelingen heeft voorgeschreven die de schade aan de woning hebben veroorzaakt dan wel dat [B] verzuimd heeft in het bestek maatregelen voor te schrijven die voormelde schade aan de woning hadden kunnen voorkomen.

5.1.3. De vorderingen, voor zover tegen Gemeente Deventer ingesteld, baseert [A] primair op de stelling dat Gemeente Deventer heeft erkend aansprakelijk te zijn voor de door [A] genoemde schade.

Subsidiair stelt [A] zich op het standpunt dat Gemeente Deventer, door opdracht te geven tot de meerbedoelde (schadeveroorzakende) renovatiewerkzaamheden, onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld en dat de daardoor ontstane schade, zoals vermeld in rechtsoverweging 5.1.1, door Gemeente Deventer dient te worden vergoed.

Meer subsidiair, voor het geval zou moeten worden aangenomen dat Gemeente Deventer niet vanwege een eigen onrechtmatige daad schadevergoedingsplichtig is, stelt [A] zich op het standpunt dat Gemeente Deventer aansprakelijk is op grond van het bepaalde in artikel 6:171 BW, in dier voege dat Gemeente Deventer als opdrachtgever (risico)aansprakelijk is voor fouten van [C] (door [A] aangemerkt als een niet-ondergeschikte in de zin van artikel 6:171 BW).

5.1.4. De vorderingen, voor zover tegen [C] ingesteld, vinden volgens [A] hun grondslag in het onrechtmatig handelen - bestaande uit het uitvoeren van de renovatiewerkzaamheden - door [C], waardoor [A] meerbedoelde schade stelt te hebben geleden.

5.2. [B], Gemeente Deventer en [C] hebben zich tegen de vorderingen verweerd. Voor zover van belang zal in de beoordeling op de door hen betrokken standpunten worden ingegaan.

6. De beoordeling

in de zaak 09-333

6.1. Gelet op de primaire grondslag van [A] is allereerst aan de orde de vraag of Gemeente Deventer aansprakelijkheid heeft erkend, dan wel bij [A] het (gerechtvaardigd) vertrouwen heeft gewekt of heeft doen opwekken dat zij tot vergoeding van de in dit geding gevorderde schade zou overgaan.

6.1.1. [A] voert in dit verband - samengevat - aan dat uit brieven van 19 september 2005 en van 4 juli 2006 van Vanderwal en Joosten BV (verder: Vanderwal), het door de CAR-verzekeraar van de Gemeente Deventer ingeschakelde expertisebureau, en uit de brieven van 24 februari 2005 en 27 juli 2005 van Assurantiebedrijf Hoofdstad BV (verder Hoofdstad), de assurantietussenpersoon van Gemeente Deventer, aansprakelijkheid van Gemeente Deventer kan worden afgeleid. Dat geldt - in de visie van [A] - te meer aangezien Gemeente Deventer aansprakelijkheid ook heeft erkend dan wel heeft (doen) erkennen ter zake van schade ontstaan bij buren van [A].

6.1.2. Gemeente Deventer stelt - samengevat - geen aansprakelijkheid te hebben erkend of te hebben doen erkennen.

6.1.3. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door [A] gemelde brieven niet van erkenning van aansprakelijkheid. Nadat [A] Gemeente Deventer aansprakelijk heeft gesteld heeft Gemeente Deventer bij brief van 3 juni 2004, voor zover van belang, bericht:

"Ingevolge de polisvoorwaarden blijft al hetgeen dat met schadebehandeling en schadeafwikkeling te maken heeft, voorbehouden aan betrokken verzekeraars. De verdere procedure is derhalve in handen van [Hoofdstad - rechtbank]".

Bij brief van 9 juli 2004 bericht Vanderwal, voor zover van belang:

"Zoals wij u informeerden zijn wij door de belanghebbende verzekeraars van de gemeente Deventer, geheel sans préjudice, benoemd om de bovengenoemde kwestie in behandeling te nemen

[...]

onder andere [is] verzocht een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van de door u gereclameerde gebreken en verzekeraars te adviseren over de omvang van de door u geleden schade"

Bij brieven van 24 februari 2005 en 27 juli 2005 deelt Hoofdstad, voor zover van belang, aan [A] mee:

"dat wij [...] een afspraak hebben gemaakt met de expert en de verzekeraar om deze schade te regelen"

Vervolgens heeft Vanderwal bij brief van 19 september 2005 namens Gemeente Deventer en/of haar verzekeraars een aanbod gedaan tot vergoeding van een bedrag van EUR 5.300,00. In de brief wordt meegedeeld:

"Teneinde dit nu op korte termijn te kunnen realiseren is ons nu gevraagd de eerder door de heer Smaling bij u vastgestelde schade schriftelijk aan u te bevestigen hetgeen wij bij deze doen."

De aan deze brief gehechte ontwerp-akkoordverklaring vermeldt voor zover van belang:

"[[A] - rechtbank] verklaart hiermede kennis te hebben genomen van de door VANDERWAL & JOOSTEN BV opgemaakte schadebegroting van de door ondergetekende geleden schade die het gevolg is van het voorval geconstateerd in het najaar van 2002, waarbij schade is ontstaan aan: pand [adres] te [woonplaats]

[...]

Ondergetekende neemt kennis van het feit dat de begroting van VANDERWAL & JOOSTEN BV is opgesteld zonder dat daardoor aan de zijde van de betrokken partijen een gehele of gedeeltelijke verplichting tot betaling ontstaat".

Bij brief van 4 juli 2006 deelt Vanderwal- samengevat - mee dat de betrokken verzekeraars Vanderwal hebben verzocht nogmaals in overleg te treden met [A], waarbij de bedoeling is

"enerzijds om een eindinventarisatie te maken van de ontstane gebreken aan uw pand en anderzijds om met u [[A] - rechtbank] tot een vergelijk te komen met betrekking tot de omvang van de schade".

6.1.4. Uit voormelde brieven, (ook) in onderlinge samenhang beschouwd, valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat Vanderwal en/of Hoofdstad namens Gemeente Deventer aansprakelijkheid hebben erkend. Evenmin valt daaruit af te leiden dat Gemeente Deventer heeft erkend (of heeft doen erkennen) dat er een causaal verband bestaat tussen de thans door [A] beweerdelijk geleden schade (die in omvang overigens vele malen groter is dan het aanbod waar de beweerdelijke erkenning betrekking op heeft) en "het voorval geconstateerd in het najaar van 2002", zoals [A] ingang wil doen vinden bij de rechtbank. Uit de hiervoor geciteerde slottekst uit de ontwerp-akkoordverklaring, blijkt veeleer het tegendeel. Het vorenstaande leidt er eveneens toe dat het beroep van [A] op het vertrouwensbeginsel moet falen. Gemeente Deventer noch de door haar ingeschakelde experts c.q. tussenpersonen hebben, zo volgt uit het vorenstaande, immers bij [A] het (gerechtvaardigd) vertrouwen gewekt dat zou worden overgegaan tot afhandeling van deze kwestie op de door hem gewenste wijze.

6.2. Uit de wijze waarop de door buren van [A] gereclameerde schades zijn afgehandeld kan, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin erkenning van aansprakelijkheid worden afgeleid. Zo al Gemeente Deventer bij buren van [A] wél aansprakelijkheid heeft erkend voor schade die is ontstaan naar aanleiding van renovatiewerkzaamheden - hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer valt af te leiden uit de door [A] geciteerde verklaringen genoemd in alinea 25 van de dagvaarding - staat het Gemeente Deventer in beginsel vrij niet tot erkenning van de door [A] gereclameerde schade over te gaan, reeds omdat het bij die buren om andere schades gaat dan welke hier in het geding zijn, te weten een forse beschadiging van de fundering ("knakken") van de woning. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan ook te falen.

6.3. Hetgeen [A] voor het overige heeft gesteld onder 44. tot en met 53. van de conclusie van repliek over de - ontijdige en in zijn ogen onbehoorlijke - afhandeling van dit schadegeval door Gemeente Deventer leidt, ook indien van de juistheid van de stellingen van [A] te dezer zake zou moeten worden uitgegaan, hoe dan ook niet tot de conclusie dat enige vordering op die grond zou moeten worden toegewezen. De door [A] in dit verband betrokken stellingen met betrekking tot voormelde afhandeling kunnen niet leiden tot vestiging van aansprakelijkheid voor de door [A] gevorderde schadevergoeding.

6.4. De primaire grondslag faalt derhalve.

in de zaken 09-313, 09-333 en 09-711

6.5. In alle zaken dient, om tot een toewijzing van de onderscheidenlijke vorderingen te komen, (in ieder geval) in rechte komen vast te staan dat er een causaal verband bestaat tussen enerzijds de feiten en omstandigheden zoals genoemd in rechtsoverweging 5.1.1 en anderzijds de door [A] gestelde schade. Nu [B], Gemeente Deventer en [C] gemotiveerd hebben betwist dat de schade door de uitgevoerde werkzaamheden is ontstaan, ligt het volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op de weg van [A] om dit te bewijzen.

6.6. [A] heeft in dit verband een beroep gedaan op de zogeheten "omkeringsregel". [C] heeft zich verzet tegen toepassing van deze regel.

6.6.1. Ingevolge vaste rechtspraak strekt de omkeringsregel ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van artikel 150 Rv, in die zin dat het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio-sine-qua-non-verband) tussen onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (HR 29 november 2002, NJ 2004, 304, m.nt. DA onder HR 29 november 2002, NJ 2004, 305). In deze regel ligt besloten dat, wanneer partijen erover strijden of is voldaan aan de voorwaarden voor toepasselijkheid daarvan, de rechter in beginsel steeds mede de aan de vordering ten grondslag gelegde normschending moet beoordelen. De inhoud en strekking van de geschonden norm zijn immers van belang om vast te stellen tegen welk specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade zij bescherming biedt. Dit laatste is weer van belang voor hetgeen de benadeelde dient aan te voeren om aannemelijk te maken dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (HR 19 december 2008, NJ 2009, 28).

6.6.2. Voor wat betreft de onderspoeling heeft [A] niet gewezen op een norm die door [C] (of een van de andere partijen) zou zijn geschonden. Evenmin valt anderszins uit de gedingstukken af te leiden welke norm ten aanzien van dit voorval is geschonden. Dat brengt mee dat geen aanleiding bestaat de omkeringsregel toe te passen ter zake van de vraag of er een condicio-sine-qua-non-verband bestaat tussen de onderspoeling en de door [A] beweerdelijke geleden schade aan de woning van [A]. Bij voldoende gemotiveerde betwisting dient aan [A] bewijs te worden opgedragen van zijn stelling dat voormelde onderspoeling aan zijn woning die schade heeft veroorzaakt.

6.6.3. [C] heeft in dit verband gewezen op de Crux-rapportages. Samengevat komen deze - gemotiveerde - rapportages er op neer dat een verband tussen de onderspoeling en de beweerdelijk geleden schade aan de woning van [A] verwaarloosbaar gering is. In het licht van deze rapportages is de rechtbank dan ook van oordeel dat [C] en Gemeente Deventer de stelling van [A] dat voormeld causaal verband wel bestaat, voldoende gemotiveerd hebben weersproken. Bij die stand van zaken zal de rechtbank derhalve [A] toelaten tot bewijslevering door deskundigenbericht, zoals hijzelf heeft voorgesteld (althans zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [A]).

6.6.4. Ten aanzien van de vraag of trillingen bij (hei)werkzaamheden de schade hebben veroorzaakt, heeft [A] gewezen op (schending van) de richtlijnen vervat in SBR-A. In het bestek is bepaald dat de werkzaamheden moeten worden stilgelegd indien de trillingen een kritische grens naderen (conclusie van dupliek van Gemeente Deventer, punt 54). Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat overschrijding van de uit de SBR-A richtlijnen af te leiden normen, welke normen beogen een specifiek gevaar van schade aan bouwwerken te voorkomen, toepassing van de omkeringsregel kan rechtvaardigen.

6.6.5. Partijen zijn evenwel verdeeld of schending van deze normen heeft plaatsgevonden. [A] stelt zich op het standpunt dat de trillingen de grenswaarden die volgen uit de SBR-A richtlijnen hebben overschreden. Gemeente Deventer, [C] en [B] hebben, onder verwijzing naar de Crux-rapporten, naar voren gebracht dat overschrijding van de uit de SBR-A richtlijnen volgende normen niet heeft plaatsgevonden.

6.6.6. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [B], Gemeente Deventer en [C] voldoende gemotiveerd betwist dat normschending heeft plaatsgevonden. Op [A] rust de bewijslast van zijn stelling dat de trillingen die bij de werkzaamheden zijn ontstaan, de uit de SBR-A richtlijnen volgende normen hebben overschreden. [A] heeft, indien de rechtbank zou oordelen dat de omkeringsregel niet van toepassing is (en indien de rechtbank vervolgens zou oordelen dat eisen van redelijkheid en billijkheid niet nopen tot omkering van de bewijslast), aangeboden bewijs te leveren van zijn stelling dat er een causaal verband bestaat tussen de trillingen en de (beweerdelijk) geleden schade aan zijn woning. In het licht van het voorgaande begrijpt de rechtbank dit aanbod aldus dat [A] bewijs door middel van deskundigenbericht wenst te leveren van zijn stelling dat de werkzaamheden gepaard zijn gegaan met trillingen die de SBR-A normen hebben overschreden. De rechtbank zal [A] toelaten tot bewijslevering op voormelde wijze.

6.6.7. Alvorens een deskundige te benoemen, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

6.6.8. De rechtbank wijst partijen erop dat indien [A] mocht slagen in de hiervoor omschreven bewijsopdrachten, dat geenszins wil zeggen dat de vorderingen van [A] dan voor toewijzing gereed liggen. Immers, vervolgens dienen in ieder geval nog de volgende onderwerpen aan de orde te komen:

1. de vraag of de woning van [A] al voor de renovatiewerkzaamheden gebrekkig was en zo ja of dat tot het rechtsgevolg moet leiden dat (een deel van) de schade aan [A] zelf dient te worden toegerekend;

2. de verschillende (deels) kwalitatieve aansprakelijkheden en de vraag in hoeverre één of meer gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld;

3. de hoogte van de schade, aangezien [B], Gemeente Deventer en [C] deze, uitgesplitst in onderscheidenlijke schadeposten, gemotiveerd hebben betwist.

6.6.9. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat de navolgende vragen aan de te benoemen deskundige(n) dienen te worden voorgelegd:

1. Is aannemelijk dat (een deel van) de (beweerdelijk geleden) schade aan de woning van [A] is veroorzaakt door de onderspoeling van 10 februari 2000? Zo ja, in welke mate?

2. Zijn, door de (hei)werkzaamheden die in het kader van de renovatie van de [kade] hebben plaatsgevonden, trillingen veroorzaakt die de grenswaarden, volgend uit de SBR-A-richtlijnen, hebben overschreden? Zo ja, hoe aannemelijk is het dat (een deel van) de (beweerdelijk geleden) schade aan de woning van [A] is veroorzaakt door voormelde trillingen?

3. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

6.6.10. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [A] moeten worden betaald.

6.6.11. Om redenen van proceseconomische aard zal de rechtbank tussentijds hoger beroep van deze vonnissen toestaan.

7. De beslissing

De rechtbank

in de zaken 09-313, 09-333 en 09-711

7.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 mei 2011 voor het nemen van een akte door alle partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

7.2. bepaalt dat van deze vonnissen hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,

7.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze vonnissen zijn gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011 2011.