Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ9836

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
186115 / KG ZA 11-245
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing verhuizing bij co-ouderschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 186115 / KG ZA 11-245

Vonnis in kort geding van 20 juni 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. C.A.F. Schoemaker te Deventer,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.C. Kiers te Deventer.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de pleitnota van de vrouw

- de pleitnota van de man

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2011, waarbij zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door mr. C.A.F. Schoemaker;

- de man, bijgestaan door mr. H.C. Kiers;

- T. Thiery namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna als de Raad aangeduid.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest.

2.2. De minderjarige kinderen van de man en de vrouw zijn:

1. [minderjarige 1], (hierna als [minderjarige 1] aangeduid) geboren op [datum] 1997 in de gemeente [plaats];

2. [minderjarige 2]., (hierna als [minderjarige 2] aangeduid) geboren op [datum] 2000, in de gemeente [plaats].

2.3. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 14 februari 2007 is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken. De beschikking is op 28 februari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats].

2.4. De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het gezag over voornoemde minderjarigen.

2.5. In het convenant dat in voormelde beschikking is opgenomen is ten aanzien van de minderjarigen het volgende vastgelegd:

De kinderen:

"Partijen wensen co-ouderschap voor de kinderen. [minderjarige 1] zal woonplaats hebben bij de man en aan zijn adres zijn ingeschreven; [minderjarige 2] zal woonplaats hebben bij de vrouw en aan haar adres zijn ingeschreven.

De kinderen zijn thans 35% van de tijd bij de man en 65% van de tijd bij de vrouw. Partijen hebben de wens om, zodra het werk van de man dat toelaat, naar een verhouding 50%/50% te gaan.

Thans zijn de kinderen de ene week bij de vrouw van dinsdagmiddag tot zondagavond en de andere week van dinsdagmiddag tot vrijdagavond. De overige tijd zijn de kinderen bij de man.

Partijen streven ernaar om te komen tot een verdeling, waarbij de kinderen de ene week van woensdagmiddag tot de zondagavond, daarop volgend bij de vrouw en de andere week van woensdagmiddag tot de vrijdagavond daarop volgend bij de vrouw zullen zijn.

De vakanties worden verdeeld; thans in de verhouding 40/60, zomogelijk later 50/50. De invulling gebeurt in onderling overleg".

2.6. Uit de bijlage bij de dagvaarding blijkt dat de minderjarigen volgens een tweewekelijks schema afwisselend bij de man en de vrouw verblijven:

- van maandag uit school tot woensdag uit school bij de man;

- van woensdag uit school tot vrijdagavond bij de vrouw;

- van vrijdagavond tot woensdag uit school bij de man;

- van woensdag uit school tot maandag uit school bij de vrouw.

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert - samengevat - dat:

I. De vrouw (voorlopige) toestemming wordt verleend met de minderjarigen van partijen te verhuizen naar [plaats 2], althans toestemming te verlenen voor de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen;

II. De man in de kosten van het geding te veroordelen, dan wel de proceskosten te compenseren aangezien dit een familierecht aangelegenheid betreft.

3.2. De man voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vrouw stelt een spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening in kort geding te hebben, omdat zij uiterlijk op 20 juni 2011 de makelaar moet laten weten of zij en haar partner overgaan tot het kopen van de beoogde woning in [plaats 2] ([provincie]). Volgens de makelaar is er een andere serieuze gegadigde voor de woning.

4.2. De man trekt de spoedeisendheid van de vrouw bij het treffen van de gevraagde voorziening in twijfel, dan wel stelt hij dat zij het spoedeisend belang zelf heeft gecreëerd. De man voert aan tijdig aangegeven te hebben dat hij niet met de verhuizing instemt. De vrouw zet de man onder druk om desondanks tot de voorlopige koop over te gaan. De woning staat volgens de man overigens al vier jaar leeg. Het komt hem derhalve onwaarschijnlijk voor dat er nu nóg een gegadigde zou zijn.

4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de spoedeisendheid van de vrouw in voldoende mate komen vast te staan, nu de man zijn stellingen niet, dan wel onvoldoende controleerbaar met stukken heeft onderbouwd.

4.4. De vrouw wil met haar partner gaan samenwonen. Zij heeft nare herinneringen aan [plaats]. De vrouw wil buiten [plaats] een nieuwe start maken. Haar partner woont al in [plaats 2] en werkt vier dagen per week in Enschede. De vrouw en haar partner zijn voornemens samen een woning in [plaats 2] te kopen. Dit houdt een verhuizing naar [plaats 2] in. De vrouw heeft geen enkele binding met [plaats]. De werkzaamheden van de vrouw in [plaats] zullen beëindigd worden en ze wil in [plaats 2] een coachings-praktijk aan huis starten. [minderjarige 2] bezoekt de basisschool in [plaats]. Het is de bedoeling dat zij, net als [minderjarige 1], het voortgezet onderwijs op de vrije school in Zutphen zal gaan volgen. De extra reistijd voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar school op de dagen dat ze bij de vrouw overnacht hebben, is na de verhuizing naar [plaats 2] beperkt. Dat geldt uiteraard ook als de minderjarigen na school naar de vrouw toegaan. Het huis is groot genoeg om vriendinnen uit [plaats] te laten logeren. Door de verhuizing naar [plaats 2] worden de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet geschaad.

Ten slotte merkt de vrouw nog op dat de man enkele keren is verhuisd zonder overleg met haar en zonder haar instemming. Zij is van mening thans ook een keer te willen verhuizen, ook al geeft de man geen toestemming.

4.5. De man kan niet instemmen met de verhuizing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar [plaats 2]. De verhuizing van de minderjarigen brengt voor hen extra reistijd naar school met zich als zij de nacht bij de vrouw hebben overnacht. De man acht de extra reistijd van de minderjarigen van en naar [plaats 2], zoals de vrouw deze voorstelt, niet correct. De reistijd van deur tot deur is aanzienlijk langer. Bovendien vormt de verhuizing van de minderjarigen naar [plaats 2] een ernstige inbreuk op hun sociale leven in [plaats]. [minderjarige 1] heeft bijvoorbeeld paardrijles in [plaats]. Wat [minderjarige 2] betreft rijst de vraag of zoveel reizen - gezien het orthopedagogische verslag van 12 mei 2011 - wel in haar belang is. Per saldo doet de verhuizing afbreuk aan de handhaving van de co-ouderschapsregeling. De man erkent enkele keren te zijn verhuisd. Deze verhuizingen waren echter noodzakelijk en betroffen verhuizingen binnen [plaats].

4.6. Het karakter van gezamenlijk gezag met co-ouderschap houdt in dat over belangrijke beslissingen, zoals over de thans voorliggende verhuizing tussen de gezaghebbende ouders overeenstemming moet bestaan, althans dat de niet-verhuizende gezaghebbende ouder de verhuizing moet accepteren of gedogen. Het uitblijven van overeenstemming levert een gezagsgeschil op zoals bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek.

Bij de echtscheiding hebben de man en de vrouw afgesproken en vastgelegd als invulling van het gezamenlijk gezag, de zorg- en opvoedingstaken zoveel mogelijk gelijk tussen hen te verdelen. In het kader van deze procedure dient een belangenafweging plaats te vinden tussen enerzijds het belang van de vrouw en anderzijds de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Uiteraard moet de vrouw over de mogelijkheid beschikken na de echtscheiding haar leven opnieuw in te richten. Dit mag evenwel niet ten nadele gaan van de belangen van de betrokken minderjarigen. Van een noodzaak tot het verhuizen naar [plaats 2] is de voorzieningenrechter niet dan wel onvoldoende gebleken. De voorzieningenrechter maakt de afweging dat het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij verhuizing. Dit leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ertoe dat - bij handhaving van de co-ouderschapsregeling, waarvan zowel de man als de vrouw hebben aangegeven deze te willen voortzetten en in het belang van de minderjarigen achten, met name de extra reisbelasting, die de verhuizing van de vrouw voor de minderjarigen met zich meebrengt, maakt dat de vordering van de vrouw dient te worden afgewezen. De voorzieningenrechter begrijpt het gevoel van de vrouw dat ze ook een keer wil verhuizen. Bij de voornoemde belangenafweging gaat het echter om de feiten op dit moment waarbij hetgeen in het verleden is gebeurd, niet meeweegt.

4.7. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Miltenburg en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2011