Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ9474

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
556247 HA 11-72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Ontbinding. Kantonrechter bevoegd nu het gaat om een verzoek tegen een gewezen statutair bestuurder. Voor voortzetting van de arbeidsrelatie is onvoldoende draagvlak nu vaststaat dat werknemer niet overweg kan met huidige statutair bestuurder en er feitelijk al jaren geen inhoud wordt gegeven aan de arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0535
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr. : 556247 HA VERZ 11-72

datum : 24 juni 2011

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

de besloten vennootschap [VERZOEKSTER],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekende partij, verder te noemen werkgever,

gemachtigde mr. S. van der Vegt, advocaat te Deventer,

tegen

[VERWEERDER],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij, verder te noemen werknemer,

gemachtigde mr. W.J.M. van Tongeren, advocaat te Twello.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- enige nagezonden producties.

De mondelinge behandeling is gehouden op 17 juni 2011.

Verschenen zijn:

- Verzoekster, bij monde van haar bestuurder de heer [K], en bijgestaan door mr. Van der Vegt voornoemd;

- verweerder, bijgestaan door mr. Van Tongeren voornoemd.

Het geschil

Verzoekster (hierna: [verzoekster]) heeft verzocht om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met verweerder (hierna: [verweerder]) wegens gewijzigde omstandigheden en zonder toekenning van een billijke vergoeding. [verweerder] heeft verweer gevoerd, primair de onbevoegdheid van de kantonrechter ingeroepen, zich subsidiair beroepen op de niet ontvankelijkheid van het verzoek en meer subsidiair afwijzing ervan, en meest subsidiair toewijzing onder toekenning van een billijke vergoeding bepleit.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [verweerder] en de bestuurder van [verzoekster], de heer [K], zijn broers, en sedert 1 november 2001 ieder voor de helft eigenaar van de aandelen in het geplaatste kapitaal van [verzoekster], een café in Deventer.

b. Tot 9 december 2004 was [verweerder] bestuurder van [verzoekster]. Met ingang van diezelfde datum is hij als bestuurder teruggetreden en is zijn broer [K] (hierna: [K]) tot bestuurder benoemd.

c. Ook op 9 december 2004 heeft [verweerder] één procent van zijn aandelenbezit in [verzoekster] overgedragen aan [K], die gelijktijdig de economische eigendom daarvan weer terugleverde aan [verweerder].

d. Op 25 oktober 2005 is deze overdracht van (economische eigendom van) aandelen teruggedraaid en de oude situatie, waarin elk van de broers 50% van de geplaatste aandelen hield, hersteld.

e. In november 2005 heeft [verzoekster] bij de kantonrechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] ingediend. Die procedure is na overleg tussen partijen niet doorgezet. In plaats daarvan hebben zij toen afspraken gemaakt over de positie van [verweerder], meer in het bijzonder omtrent zijn gedrag op de werkvloer en over de door hem te verrichten taken.

f. Sedert (de afspraken van) november 2005 heeft [verweerder] geen, althans vrijwel geen werkzaamheden ten behoeve van [verzoekster] meer verricht.

g. Het oorspronkelijk met [verweerder] overeengekomen salaris wordt onverminderd doorbetaald.

2.

[verzoekster] heeft haar verzoek als volgt, kort samengevat, toegelicht.

[verweerder] heeft na de afspraken van november 2005 niets van zich laten horen. [verzoekster] heeft in die periode ook niet op het verrichten van werkzaamheden door [verweerder] aangedrongen. In november 2010 verscheen [verweerder] plotseling in het café van [verzoekster], dronk op rekening en gedroeg zich onbehoorlijk jegens het personeel. Vervolgens heeft [verweerder] aangedrongen op het bijeenroepen van een algemene vergadering van aandeelhouders. Op initiatief van [K] is eerst overleg tussen partijen gevoerd. Dat overleg heeft niet tot resultaat geleid. In dat overleg heeft [verweerder] een plan voorgelegd over zijn toekomstige positie in het bedrijf. [verzoekster] is daarmee niet akkoord gegaan, en heeft een voorstel gedaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Voor voortzetting van de arbeidsovereenkomst ontbreekt aan de zijde van [verzoekster] het noodzakelijke vertrouwen in een constructieve samenwerking met [verweerder].

3.

[verweerder] heeft tot zijn verweer het volgende, ook kort samengevat, gevoerd.

De kantonrechter is niet bevoegd van het onderhavige verzoek kennis te nemen, omdat het betreft een geschil tussen een vennootschap en haar gewezen bestuurder. Anders dan gebruikelijk is in dit geval, immers, tegelijk met het vennootschappelijke ontslag van [verweerder] als bestuurder niet tevens de arbeidsovereenkomst beëindigd. Dat was indertijd ook begrijpelijk, omdat het aandeelhoudersbesluit tot ontslag van [verweerder] als bestuurder was ingegeven door de omstandigheid dat hij, als gevolg van een veroordeling voor een misdrijf, als leidinggevende in de onderneming van [verzoekster] het veld moest ruimen teneinde de continuïteit van de horecavergunning voor het drijven van de onderneming niet in gevaar te brengen. In die tijd werd de onderneming, echter, gedreven op basis van de diploma’s van [verweerder], aangezien [K] daar niet over beschikte. Niet alleen heeft [verweerder] na het aandeelhoudersbesluit betreffende zijn ontslag zijn oorspronkelijke salaris onverminderd doorbetaald gekregen, op zijn loonstrook is ongewijzigd de functie van directeur vermeld en de omstandigheid dat hij gedurende ongeveer vijf jaar na de afspraken van november 2005 geen werkzaamheden voor [verzoekster] heeft verricht houdt verband met het feit dat [verzoekster] daarop niet heeft aangedrongen, hem in feite heeft vrijgesteld van werkzaamheden. Hij was tot het verrichten van werkzaamheden alleszins bereid. Het verzoek is, indien de kantonrechter zich bevoegd zou oordelen, niet ontvankelijk, omdat een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van [verzoekster] ontbreekt betreffende het voorgenomen ontslag van [verweerder]. Er is bovendien geen sprake van gewijzigde omstandigheden. De thans bestaande situatie bestaat al jaren, kennelijk met instemming van [verzoekster].

4.

Ten aanzien van het verweer betreffende de onbevoegdheid van de kantonrechter, wordt overwogen als volgt.

In zijn arrest van de 15 april 2005 (JOR 2005/145) heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

Naar mede blijkt uit de geschiedenis van (de voorloper van) de art. 2:134 en 2:244 BW (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4 en 2.5), strekken deze bepalingen ertoe te bewerkstelligen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Daarom heeft te gelden dat een ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat (vgl. HR 17 november 1995, rek nr. 8746, NJ 1996, 142) of indien partijen anders zijn overeengekomen.

5.

In deze zaak zijn partijen het erover eens, dat het aandeelhoudersbesluit tot ontslag van [verweerder] als bestuurder was ingegeven door het standpunt van de gemeente dat de verleende horecavergunning in gevaar kwam, indien [verweerder] bestuurlijke invloed in de onderneming zou houden. Tussen partijen staat tevens vast, dat [verzoekster] sedert het terugtreden van [verweerder] als bestuurder van [verzoekster], doch in elk geval vanaf de afspraken van november 2005, van [verweerder] niet heeft verlangd dat hij werkzaamheden zou verrichten, en dus ook niet dat hij de gemaakte afspraken zou nakomen. Partijen zijn het er voorts over eens, dat [verzoekster] sedert het terugtreden van [verweerder] als bestuurder het voor hem ook voordien geldende salaris onverminderd heeft doorbetaald, terwijl op zijn loonstrookje steeds als functie "directeur” is vermeld. Tenslotte heeft [verzoekster] ter zitting verklaard, dat op de salarisbetalingen aan [verweerder] tot op heden geen inhoudingen terzake van werknemersverzekeringen zijn toegepast, en die betalingen dus door haar administratief zijn verricht als ware [verweerder] nog steeds bestuurder (directeur grootaandeelhouder).

6.

Op grond van de hiervoor onder 5 weergegeven vaststaande feiten en omstandigheden is dan ook aan de orde de situatie als bedoeld in het hiervoor onder 4 aangehaalde arrest van de Hoge Raad van de uitzondering dat een ontslagbesluit betreffende een bestuurder van een besloten vennootschap niet tevens de beëindiging van de dienstbetrekking van die bestuurder (in arbeidsrechtelijke zin) tot gevolg heeft omdat partijen “anders zijn overeengekomen”.

7.

[verweerder] stelt zich nu op het standpunt dat, als gevolg van de hiervoor onder 5 beschreven feiten en omstandigheden, ervan moet worden uitgegaan dat hij, in afwijking van de gemaakte afspraken, die immers door beide partijen niet zijn nagekomen, rechtens nog steeds als bestuurder van [verzoekster] heeft te gelden, dan wel dat op hem als ex-bestuurder de wettelijke bepalingen betreffende bestuurders van toepassing zijn. Dat standpunt volgt de kantonrechter niet.

8.

Door het aandeelhoudersbesluit van 9 december 2004 is [verweerder] sedertdien geen bestuurder van [verzoekster] meer. Daaraan doet niet af dat dat besluit was ingegeven door omstandigheden van buitenaf (een eis van de gemeente in verband met continuering van de exploitatievergunning), en dat vervolgens de tussen partijen gemaakte afspraken over voortzetting van hun relatie niet zijn nagekomen. De omstandigheid dat tussen partijen die afspraken zijn gemaakt en dat [verzoekster] het loon aan [verweerder] is blijven doorbetalen kan bezwaarlijk anders worden geduid dan als bevestiging van de voortzetting van de arbeidsovereenkomst tussen partijen die niet door het ontslagbesluit van 9 december 2004 is geëindigd. Nu aldus de vennootschappelijke band met [verweerder] als bestuurder wel, maar de arbeidsrechtelijke band met hem niet is doorgesneden, is de kantonrechter bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

9.

Het voorgaande oordeel brengt tevens mee dat het verweer inzake niet ontvankelijkheid wordt gepasseerd. Nu heeft te gelden dat [verweerder] geen bestuurder (meer) is zijn op de voorgenomen beëindiging van het dienstverband met hem de statutaire (en ander) voorschriften met betrekking tot het ontslag van bestuurders niet van toepassing.

10.

Partijen zijn het erover eens, dat [verzoekster] de voorstellen van [verweerder] over voortzetting van hun arbeidsovereenkomst, afspraken die afwijken van de in november 2005 gemaakte afspraken, heeft afgewezen. Dat voorstel, dat bij het verzoekschrift als productie 11 is overgelegd, behelst in de kern een substantiële verhoging van het loon van [verweerder], een aantal secundaire voorwaarden zoals een auto en een telefoon van het bedrijf, waar tegenover geen, althans te verwaarlozen werkzaamheden zouden staan. Dat voorstel lijkt vooral de belangen van [verweerder], en niet (ook) die van [verzoekster] te dienen. Het verbaast daarom niet dat het niet is aanvaard. Gelet op de omstandigheid dat [verweerder] ongeveer vijf jaar na de gemaakte afspraken over zijn voortgezette tewerkstelling niets van zich heeft laten horen, en op zijn arbeid ook niet is aangedrongen, blijkt enerzijds dat hij de gemaakte afspraken niet wenste na te komen (althans niet is nagekomen) en anderzijds dat [verzoekster] daaraan ook geen behoefte had. Uit de stukken ( zoals in het verweerschrift onder 12) komt de stellige indruk naar voren dat de beide aandeelhouders slecht met elkaar overweg kunnen. [verweerder] verwijt zijn broer dat deze hem als aandeelhouder niet serieus neemt en zich heeft verrijkt ten koste van [verzoekster]. Voor een voortzetting van de arbeidsovereenkomst ontbreekt aldus een voldoende draagvlak. Bij die stand van zaken is ontbinding van de arbeidsovereenkomst naar het oordeel van de kantonrechter onvermijdelijk. [verweerder] heeft nog aangevoerd dat in wezen geen sprake is van gewijzigde omstandigheden omdat de situatie waarin hij niet actief is in de onderneming al zo lang – en zonder bezwaar zijdens [verzoekster] – voortduurt. Dat verweer miskent, dat de wijziging in de omstandigheden nu juist is ontstaan doordat hij, na een zo lange afwezigheid, opeens aanspraak maakt op voortzetting van het dienstverband op gewijzigde voorwaarden.

11.

Gezien de langdurige afwezigheid van [verweerder], de bij hem kennelijk ontbrekende belangstelling om de gemaakte afspraken van november 2005 over voortzetting van het dienstverband na te komen, en de omstandigheid dat hem gedurende die afwezigheid van ongeveer vijf jaar onverminderd het overeengekomen salaris is doorbetaald, bestaat geen aanleiding voor toekenning van een vergoeding.

12.

In de omstandigheden van het geval vindt de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De kantonrechter:

- Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 juli 2011;

- compenseert de proceskosten tussen partijen, zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 24 juni 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.