Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ8619

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
185375 - KG ZA 11-217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil tussen de bewoonster (tevens eigenaresse) van een woonschip en de Gemeente Zwolle. De Gemeente Zwolle wil het woonschip verkopen teneinde eerder gemaakte kosten voor het bergen van een recreatievaartuig van diezelfde bewoonster op haar te kunnen verhalen. In casu geen sprake van misbruik van executiebevoegdheid door de Gemeente Zwolle.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/408
S&S 2012/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 185375 / KG ZA 11-217

Vonnis in kort geding van 21 juni 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. L.E. Nijk te Zwolle,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZWOLLE,

zetelend te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. W.E.M. Klostermann te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Gemeente Zwolle genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de producties van de zijde van de Gemeente Zwolle

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de zijde van [eiseres]

- de pleitnota van de zijde van de Gemeente Zwolle

- de bij de mondelinge behandeling overgelegde stukken van de zijde van de Gemeente Zwolle.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de heer [A].

2.2. [eiseres] en [A] hebben aan boord van het motorschip [X], gelegen aan [adres] te [plaats] gewoond. Dit schip staat geregistreerd onder de naam [Y] (brandmerk [brandmerk]). De heer [B] staat als eigenaar geregistreerd.

2.3. [A] is op 10 juli 2010 overleden. [eiseres] is zijn enig erfgenaam.

2.4. [eiseres] woont thans nog aan boord van het schip.

2.5. Op 11 oktober 1975 heeft [B] het schip bij onderhandse akte verkocht aan [A]. De akte is nimmer ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

2.6. [eiseres] had samen met [A] een recreatievaartuig, dat in 2010 is gezonken.

2.7. Bij besluit van 20 mei 2010 heeft de Gemeente Zwolle het recreatievaartuig onder het regime van de Wrakkenwet geplaatst en [A] verzocht het vaartuig te lichten en te bergen. Hieraan is geen gehoor gegeven, waarna de Gemeente Zwolle het vaartuig op 22 juni 2010 heeft laten lichten, bergen, opruimen en afvoeren. De kosten daarvan bedroegen EUR 9.199,60. [A] noch [eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.8. Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de Gemeente Zwolle [A] meegedeeld dat zij de bergingskosten op hem zal verhalen en het recreatievaartuig zal verkopen tenzij [A] binnen twee weken de vordering zou voldoen. Ook tegen dit besluit hebben [A] en [eiseres] geen bezwaar gemaakt.

2.9. Wegens het uitblijven van betaling is het recreatievaartuig verkocht. Na aftrek van de opbrengst, resteert een vordering ad EUR 7.414,60. Dit resterende bedrag is niet voldaan.

2.10. Op 1 september 2010 heeft de Gemeente Zwolle [eiseres] aangezegd dat de vordering inclusief kosten op dat moment EUR 8.630,10 bedraagt, gesommeerd het bedrag binnen vijf dagen te voldoen en meegedeeld dat bij niet betalen gerechtelijke maatregelen zullen worden getroffen.

2.11. Op 24 september 2010 is een op 16 september 2010 door de Gemeente Zwolle uitgevaardigd dwangbevel, verband houdend met het verhaal van de bergingskosten, aan [eiseres] betekend.

2.12. Op 10 februari 2011 is beslag gelegd op het motorschip [X].

2.13. Op 4 mei 2011 is [eiseres] aangezegd dat het schip openbaar zal worden verkocht op 15 juni 2011. De vordering bedraagt op dat moment EUR 10.684,54.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de voor 15 juni 2011 aangekondigde openbare verkoop van het motorschip [X] zal verbieden en het op het motorschip gelegde beslag zal opheffen, één en ander vermeerderd met de kosten van dit geding.

3.2. De Gemeente Zwolle voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Van een spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vordering is in voldoende mate gebleken.

4.2. De Gemeente Zwolle wenst over te gaan tot executoriale verkoop van het woonschip [X] teneinde de ten behoeve van het gezonken recreatievaartuig gemaakte bergingskosten te kunnen verhalen. [eiseres] voert aan dat de Gemeente Zwolle onrechtmatig handelt door over te gaan tot executoriale verkoop van haar woonruimte, ofwel, zij is van mening dat de Gemeente Zwolle misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.

4.3. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van de executoriale titel, in casu het dwangbevel, slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het dwangbevel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit dwangbevel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.4. Aan de orde is dan ook de vraag of de Gemeente Zwolle misbruik van haar executiebevoegdheid maakt door over te gaan tot executoriale verkoop van het schip.

4.5. [eiseres] heeft ongelijk wanneer zij stelt dat de Gemeente Zwolle op grond van de Wrakkenwet niet bevoegd was tot het uitvaardigen van een dwangbevel. De Wrakkenwet geeft een gemeente de bevoegdheid bestuursdwang aan te wenden, zoals ook door de Gemeente Zwolle is betoogd. Deze bevoegdheid brengt met zich dat een gemeente tevens een dwangbevel kan uitvaardigen teneinde op effectieve wijze de door een gemeente gemaakte, met de uitvoering van de bestuursdwang verband houdende, kosten op de veroorzaker te kunnen verhalen.

4.6. Wat er verder ook zij van de bevoegdheid van de Gemeente Zwolle om een dwangbevel uit te vaardigen, [eiseres] heeft verzuimd tijdig bezwaar te maken tegen het besluit van 20 mei 2010 en tegen dat van 28 juni 2010, waardoor de besluiten thans onherroepelijk zijn geworden. Ingevolge de leer van de formele rechtskracht dient de voorzieningenrechter thans uit te gaan van de rechtmatigheid van de besluiten en het daarop gebaseerde dwangbevel. Anders dan de Gemeente Zwolle heeft betoogd stond de mogelijkheid van verzet ex art. 5:26 AWB tegen het dwangbevel van 16 september 2010 niet open voor [eiseres], nu die mogelijkheid als gevolg van een wetswijziging per 1 juli 2009 is vervallen. Sinds die datum kan slechts in een executiegeschil ex art. 438 Rv aan de burgerlijke rechter de vraag worden voorgelegd of de executant misbruik maakt van zijn bevoegdheid door tot executie over te gaan.

4.7. [eiseres] heeft voorts aangevoerd dat zij, althans [A], het schip niet in eigendom heeft verkregen en dat derhalve de Gemeente Zwolle niet tot verkoop van het schip over kan gaan.

4.8. Tussen partijen staat vast dat het schip een registergoed is. Voor de overdracht van een registergoed is - naast een geldige titel en de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder - de levering van het goed vereist. De levering van een registergoed geschiedt ex art. 3:89 BW door een daartoe bestemde tussen partijen opgemaakte notariële akte, die vervolgens wordt ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers.

Tussen partijen is niet in geschil dat het schip bij onderhandse akte in 1975 door [B] aan [A] is verkocht. Ook is tussen partijen niet in geschil dat er geen sprake is geweest van een geldige levering. De Gemeente Zwolle heeft echter aangevoerd dat [A] toch de eigendom van het schip heeft verkregen, nu hij sinds 1975 gedurende een periode van ten minste twintig jaar het onafgebroken bezit van het schip heeft gehad. Voorts stelt de Gemeente Zwolle dat [eiseres] als gevolg van erfopvolging de eigendom van het schip heeft verworven.

4.9. De voorzieningenrechter is met de Gemeente Zwolle van oordeel dat [eiseres] de eigendom van het schip heeft verkregen. Vast staat dat het bezit van het schip in 1975 is aangevangen. De revindicatievordering van (de erven van) [B] is verjaard op grond van het bepaalde in art. 3:306 BW jo. art. 3:314 BW nu de daarvoor vereiste termijn van twintig jaar in 1995 is verstreken. Op grond van het bepaalde in art. 3:105 BW heeft [A] aldus de eigendom van het schip verkregen. Als gevolg van erfopvolging is zijn erfgenaam [eiseres] thans enig eigenaar van het schip.

4.10. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat [eiseres] wanneer zij geen eigenaar van het schip zou zijn, daardoor ook geen goederenrechtelijk recht zou hebben om zich tegen de executoriale verkoop van dat schip te verzetten.

4.11. Tot slot heeft [eiseres] aangevoerd dat haar belang om op het schip te blijven wonen zwaarder dient te wegen dan het belang van de Gemeente Zwolle om het schip te verkopen teneinde de resterende bergingskosten te kunnen invorderen, anders gezegd: de gevolgen die [eiseres] door de verkoop van het schip zal ondervinden zijn onevenredig nadelig in verhouding tot het belang dat de Gemeente Zwolle heeft bij de invordering van de resterende bergingskosten. Daarbij heeft [eiseres] opgemerkt dat zij een betalingsregeling heeft aangeboden en dat de Gemeente Zwolle daarop niet is ingegaan.

4.12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [eiseres] om op het schip te blijven wonen niet opweegt tegen het belang van de Gemeente Zwolle om de kosten welke zij heeft gemaakt bij de uitvoering van haar publiekrechtelijke taak

- bestaande uit het lichten, bergen, opruimen en afvoeren van het recreatievaartuig - op de veroorzaker daarvan, [eiseres], te verhalen. Deze werkzaamheden zijn met publieke gelden bekostigd. Die kosten dienen evenwel gedragen te worden door de veroorzaker.

4.13. In het kader van de belangenafweging neemt de voorzieningenrechter voorts in aanmerking dat door de Gemeente Zwolle gemotiveerd is gesteld en door [eiseres] niet is betwist, dat [eiseres] in het verleden en ook thans nog haar lasten, in ieder geval bestaande uit havengelden, kosten voor onderhoud van het schip en riool- en afvalstoffenheffingen niet of pas na beslagleggingen, aanmaningen en/of dwangbevelen voldoet.

4.14. [eiseres] heeft met nadruk naar voren gebracht dat zij door de verkoop van het schip haar woonruimte zal verliezen, terwijl bovendien alternatieve huisvesting ontbreekt.

De Gemeente Zwolle heeft daartegen aangevoerd dat zij reeds op 1 september 2010 het executoriale beslag heeft aangekondigd en dat [eiseres] vanaf dat moment had kunnen zoeken naar andere huisvesting. De Gemeente Zwolle stelt voorts dat [eiseres] niet dakloos zal worden door de verkoop van het schip. Zij verblijft reeds bij de dagopvang van het Leger des Heils en zij kan daar terecht in de 24-uurs opvang. Met [eiseres] kan vervolgens vanuit de opvang van het Leger des Heils gezocht worden naar passende huisvesting.

Nu ter zitting van de zijde van het Leger des Heils is bevestigd dat [eiseres] voor opvang ook gedurende de nacht bij hen terecht kan, kan niet geoordeeld worden dat de Gemeente Zwolle misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. Door executie zal [eiseres] immers niet dakloos worden.

4.15. [eiseres] heeft nog gesteld dat de Gemeente Zwolle al langere tijd pogingen onderneemt om een einde te maken aan haar huidige woonsituatie en dat de executoriale verkoop van het schip met deze pogingen samenhangt. De Gemeente Zwolle heeft daartegen aangevoerd dat het doel van de executie het verhaal van de gemaakte bergingskosten is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat voldoende grondslag voor de voorgenomen executie.

4.16. Ten aanzien van eventuele andere verhaalsmogelijkheden, zoals de door [eiseres] geopperde inhouding op haar uitkeringen, merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Vooropgesteld dient te worden dat een schuldeiser in beginsel recht heeft op integrale voldoening van zijn vordering en dat daarom een schuldenaar geen recht heeft op betaling in termijnen.

[eiseres] heeft met betrekking tot de inhouding op haar uitkeringen aangevoerd dat zij een netto-inkomen van circa EUR 1.400,00 per maand geniet en dat per maand, rekening houdend met de beslagvrije voet, een bedrag van circa EUR 600,00 kan worden ingehouden om daarmee de vordering van de Gemeente Zwolle in verband met de bergingskosten te voldoen.

Ter zitting heeft de Gemeente Zwolle echter een overzicht overgelegd (productie 3 bij de pleitnota), waaruit blijkt dat er door deurwaarderskantoor GGN Tijhuis & Partners beslag is gelegd voor een vordering van Achmea ad EUR 8.200,00 in verband met een niet voldane AWBZ-bijdrage en dat deurwaarderskantoor Flanderijn een tweede vordering van Groene Land Achmea ad EUR 3.400,00 ter incasso onder zich heeft en dat er wegens die vorderingen EUR 63,00 per maand wordt ingehouden. Ook blijkt uit deze productie dat de Gemeente Zwolle kennelijk nog een andere vordering ad EUR 3.425,00 op [A], althans [eiseres], heeft en dat de Gemeente Zwolle/Centrale Invordering kennelijk maandelijks een bedrag van EUR 300,00 incasseert.

4.17. Wat er ook zij van de precieze hoogte van het inkomen van [eiseres] en van de hoogte van het voor inhouding beschikbare bedrag, naast de vordering van de Gemeente Zwolle bestaan er, zoals voormeld, ook diverse andere vorderingen. In het geval dat een bedrag van EUR 600,00 per maand op de uitkeringen van [eiseres] kan worden ingehouden, komt slechts een gedeelte hiervan, naar evenredigheid van haar vordering, ten goede aan de Gemeente Zwolle. De voldoening van de schuld zou derhalve geruime tijd gaan duren, mede gelet op de oplopende rente en de mogelijkheid van het ontstaan van nieuwe schulden.

4.18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag, van een noodtoestand ten gevolge van na uitvaardiging van het dwangbevel ontstane of ontdekte feiten of van andere omstandigheden die gebruikmaking van de executiebevoegdheid in de weg staan. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiseres] dan ook afwijzen.

4.19. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente Zwolle worden begroot op:

- griffierecht EUR 568,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.472,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente Zwolle tot op heden begroot op EUR 1.472,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2011.