Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ7545

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
2011 / 1422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Wrakingskamer

Kenmerk: 2011 / 1422

Beslissing van 8 april 2011

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoekster tot wraking,

in persoon,

tegen

mr. [A], in haar hoedanigheid van rechter.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek, ingediend bij brieven van 17 februari 2011 en

22 februari 2011;

- het schriftelijke verweer van mr. [A] van 1 maart 2011;

- de mondelinge behandeling van 9 maart 2011, waarbij niemand is verschenen;

- de inwilliging van het verzoek van [verzoekster] voor een nieuwe mondelinge behandeling;

- de mondelinge behandeling van 25 maart 2011, waarbij [verzoekster] is verschenen en

pleitaantekeningen heeft overgelegd.

1.2. Ten slotte is de beslissing bepaald op heden.

2. Het wrakingsverzoek

2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. [A] als kantonrechter in de bodemzaak met nummer 477401 CV EXPL 09-17171 tussen verzoekster (als gedaagde partij in conventie en eiseres in reconventie) en [eisende partij in conventie] h.o.d.n. [naam] te [woonplaats] (als eisende partij in conventie en verweerder in reconventie). In de bodemzaak is op 16 februari 2011 een comparitie van partijen gehouden.

2.2. Verzoekster heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling van 25 maart 2011, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.

2.3. Door de op 16 februari 2011 ter zitting door mr. [A] gedane opmerkingen is de indruk gewekt dat zij partijdig is. Verzoekster stelt dat haar tijdens de comparitie van partijen door mr. [A] onder meer verteld is, dat zij 'dit niet had moeten zeggen en dat zij dat had moeten doen', dat de door haar overgelegde foto's niet waren genummerd en dat haar handschrift onleesbaar was. Verzoekster stelt zich door de rechter terechtgewezen te voelen en te zijn behandeld als een klein kind. Voorts stelt verzoekster dat haar is meegedeeld dat zij haar stellingen moest bewijzen door een expert, terwijl de foto's toch overduidelijk laten zien dat [eisende partij in conventie] slecht werk geleverd heeft en dat hij een oplichter is. Bovendien zijn mondelinge afspraken (het werk zou volgens verzoekster door [eisende partij in conventie] zwart worden gedaan) ook rechtsgeldig. Volgens mr. [A] moest verzoekster maar in hoger beroep gaan. Verzoekster merkt op dat hieruit kan worden afgeleid dat zij geen gelijk zou krijgen en de rechter dus partijdig is. Verzoekster vermoedt dat de bodemzaak te technisch is voor deze rechter.

2.4. Mr. [A] heeft bij e-mail van 1 maart 2011 laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verwezen naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 16 februari 2011 in de onder 2.1 bedoelde zaak.

3. De beoordeling

3.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

3.2. De klachten van verzoekster betreffen enerzijds de manier waarop zij door mr. [A] is bejegend (ik moest dit en dat, ik moest mijn mond houden, opmerkingen over het niet genummerd hebben van foto's en het zich terechtgewezen voelen en te zijn behandeld als een klein kind) en anderzijds dat uit de (overige) mededelingen van de rechter volgt dat er sprake zou zijn van vooringenomenheid (ik kreeg de bewijslast, terwijl mondelinge afspraken ook rechtsgeldig zijn en dat ik dan maar in hoger beroep moest gaan).

3.3. Voor wat betreft hetgeen verzoekster heeft gesteld over de bejegening door mr. [A], heeft verzoekster onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat in de bejegening partijdigheid van mr. [A] tegen verzoekster besloten ligt of die leiden tot een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Verzoekster heeft zelf meegedeeld dat mr. [A] ruim de tijd voor de behandeling van de comparitie van partijen heeft genomen en dat zij ook niet de indruk had dat de rechter haar niet mocht. Het vermoeden van verzoekster dat de bodemzaak te technisch voor mr. [A] zou zijn, is geen omstandigheid waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

3.4. De door mr. [A] gemaakte (overige) mededelingen leveren evenmin zwaarwegende aanwijzingen op dat mr. [A] vooringenomen was tegen verzoekster of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestond. De omstandigheid dat een rechter ter terechtzitting een voorlopige visie op de zaak geeft (onder meer door het geven van een voorlopig oordeel dat verzoekster op bepaalde onderdelen haar stellingen dient te bewijzen) betekent niet dat de rechter niet meer onpartijdig is. Omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden zijn niet gebleken.

3.5. Slotsom is dat het wrakingsverzoek als zijnde ongegrond dient te worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. J.A.O.A.M. van Aerde, G.H. Meijer en H.F.J.M. Schröder in tegenwoordigheid van de griffier mr. T. Stokvis en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2011.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.