Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ7348

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
2011 / W001
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Wrakingskamer

rekestnummer: 2011 / W001

Beslissing van 3 mei 2011

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker tot wraking,

gemachtigde [gemachtigde], medewerker Buro Bezwaar en Beroep te Almere,

tegen

MR. [A], in zijn hoedanigheid van rechter.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 28 maart 2011;

- het schriftelijke verweer van 15 april 2011 van mr. [A];

- de mondelinge behandeling op 19 april 2011, waarbij [gemachtigde] voor verzoeker is verschenen

en een pleitnotitie heeft overgelegd.

1.2. Bij de mondelinge behandeling heeft [gemachtigde] namens [verzoeker] een aan hem gerichte brief van 21 maart 2011 van de rechtbank overgelegd.

1.3. Ten slotte is de beslissing bepaald op heden.

2. Vaststaande feiten

2.1. Op 31 maart 2010 is door het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] een door [verzoeker] ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Bij de rechtbank heeft [verzoeker] beroep ingesteld tegen dit besluit (Awb 10/765 Wob).

2.2. Het door mr. [A] behandelde beroep heeft ter terechtzitting van 18 januari 2011 plaatsgevonden, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

2.3. Bij beschikking van 21 maart 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

2.4. Bij brief van 21 maart 2011 heeft de rechtbank in het kader van voormeld beroep aan [gemachtigde] onder meer geschreven:

"Na sluiting van het onderzoek is de rechtbank gebleken dat zij nadere informatie nodig heeft in verband met de vraag of de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, die eiser (bedoeld is [verzoeker], wrakingskamer) in verband met de behandeling van zijn beroep heeft gemaakt, in dit geval door verweerder (zijnde het college van burgemeester en wethouders te [woonplaats], wrakingskamer) vergoed dienen te worden. Bij de beantwoording van deze vraag is naar het oordeel van de rechtbank van belang in hoeverre u juridische scholing hebt genoten. De rechtbank ziet hierin aanleiding het onderzoek te heropenen.

en

"Ik stel u hierbij in de gelegenheid om binnen drie weken na dagtekening van deze brief aan te geven welke juridische scholing u genoten en al dan niet afgerond heeft."

2.5. Bij fax van 28 maart 2011 heeft [gemachtigde] namens [verzoeker] gemeld mr. [A] te wraken.

2.6. Bij een op 15 april 2011 gedateerd schrijven, heeft mr. [A] gereageerd op de fax van 28 maart 2011 van [gemachtigde]. Mr. [A] heeft gemeld niet te berusten in de wraking. Voorts heeft mr. [A] onder meer geschreven:

"De onderhavige wrakingsverzoeken zijn naar mijn mening dan ook niet afkomstig van een partij maar van de gemachtigde van de partijen, [gemachtigde].

(...)

Dit betekent naar mijn mening dat de verzoeken niet voldoen aan het gestelde in artikel 8:15 van de Awb.

Op grond van het boven staande verzoek ik u de verzoeken van [gemachtigde] niet-ontvankelijk te verklaren."

en

"Om te kunnen beoordelen of in de onderhavige gevallen sprake is van door een derde verleende rechtsbijstand, met andere woorden, of [gemachtigde] aangemerkt kan worden als iemand die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, vond ik het noodzakelijk hem te vragen naar zijn juridische achtergrond.

De noodzaak van die informatie is bij mij nog versterkt doordat ik tijdens mijn, relatief korte, ervaring met [gemachtigde]g als gemachtigde in bestuursrechtzaken heb geconstateerd dat zijn kennis van het bestuursrecht uitermate gering is. Een zinvolle bijdrage aan het juridische debat, in geschrift of in woord, heb ik hem niet zien of horen leveren.

Als ik de, overigens grotendeels onbegrijpelijke, verzoeken goed heb gelezen, duidt [gemachtigde] mijn verzoek om informatie als een teken van vooringenomenheid. Ik kan hem daarin absoluut niet volgen."

3. Het wrakingsverzoek

3.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. [A] als rechter in de zaak van [verzoeker] tegen de gemeente [woonplaats] met nummer Awb 10/765 Wob.

3.2. Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling van 19 april 2011, het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.

3.2.1. Door het bij brief van 21 maart 2011 vragen naar de juridische achtergrond van [gemachtigde], heeft mr. [A] blijk gegeven van vooringenomenheid. Mr. [A] had geen 'gesloten vraag' naar de opleiding van [gemachtigde] mogen stellen. In de vraagstelling ligt immers de conclusie besloten dat een juridische opleiding nodig is om een vergoeding te krijgen. Dit is niet alleen juridisch onjuist, maar ook onacceptabel vanuit het oogpunt van de 'juridische onafhankelijkheid'. Volgens [gemachtigde] blijkt ook uit de schriftelijke reactie van mr. [A] dat er sprake is van een 'vooringenomenheid in optima forma'.

3.3. Mr. [A] heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft bij schrijven van 15 april 2011 verweer gevoerd (zie ook r.o. 2.6). Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.

4. De beoordeling

ontvankelijkheid

4.1. Op de voet van art. 8:16 lid 1 Awb dient een wrakingsverzoek in een zo vroeg mogelijk stadium te worden ingediend. Een niet tijdig ingediend wrakingsverzoek leidt tot niet-ontvankelijkheid.

4.1.1. Bij schrijven van 21 maart 2011 is [gemachtigde] door de rechtbank gevraagd naar zijn genoten juridische scholing. Voor [gemachtigde] was dit aanleiding om - namens [verzoeker] - mr. [A] te wraken. Niet eerder dan bij fax van 28 maart 2011 heeft [gemachtigde] het wrakingsverzoek ingediend. Dit is een week na de op 21 maart 2011 gedateerde brief. Nu echter niet bekend is wanneer [gemachtigde] de brief van 21 maart 2011 van de rechtbank heeft ontvangen, gaat de wrakingskamer er van uit dat het wrakingsverzoek tijdig is ingediend en [verzoeker] om die reden ontvankelijk is in het wrakingsverzoek.

4.2. Mr. [A] heeft aangevoerd dat het wrakingsverzoek 'niet afkomstig' is van een partij als bedoeld in art. 8:15 Awb, maar van gemachtigde [gemachtigde] zelf. Volgens mr. [A] is het toekennen van een proceskostenvergoeding immers alleen van belang voor gemachtigde [gemachtigde]. [gemachtigde] dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard in het wrakingsverzoek.

4.2.1. De wrakingskamer overweegt daartoe het volgende.

4.2.2. Op grond van het bepaalde in art. 8:75 Awb kan de rechtbank in de beroepsprocedure aanhangig onder nummer Awb10/765 Wob, desgevraagd dan wel ambtshalve, een kostenveroordeling geven. In voormelde zaak is om een kostenveroordeling verzocht.

4.2.3. De in het kader van het wrakingsverzoek door mr. [A] aan de orde gestelde kwestie dat het toekennen van een proceskostenveroordeling alleen van belang is voor de gemachtigde [gemachtigde], leidt niet tot een niet-ontvankelijk wrakingsverzoek. Bij het verzoek tot het geven van een kostenveroordeling dient procesmatig geen onderscheid te worden gemaakt tussen [verzoeker] en diens gemachtigde. Dat [gemachtigde] op basis van 'no cure no pay' werkt, leidt niet tot een ander oordeel.

vooringenomenheid

4.3. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.4. De rechtbank heeft bij brief van 21 maart 2011 aan [gemachtigde] vragen gesteld over zijn juridische scholing. Mr. [A] heeft in zijn schriftelijk verweer van 15 april 2011 onder meer aangegeven dat naar de juridische achtergrond van [gemachtigde] is gevraagd, om te kunnen beoordeling of [gemachtigde] kan worden aangemerkt als iemand die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Mr. [A] stelt dat op grond van art. 1, eerste lid aanhef en sub a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een veroordeling in de kosten als bedoeld in art. 8:75 Awb uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde verleende bijstand.

4.5. De wrakingskamer is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat geïnformeerd wordt naar de juridische achtergrond van [gemachtigde] geen zwaarwegende aanwijzing oplevert dat mr. [A] jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert. Weliswaar heeft [gemachtigde] gemotiveerd aangegeven dat het standpunt van mr. [A] niet zou corresponderen met de huidige stand van de jurisprudentie (ter zitting is door [gemachtigde] verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 december 2009, LJN:BK7221), het uitgaan door een rechter van een (door [gemachtigde] gestelde) onjuiste stand van zaken in het recht, levert op zichzelf geen vooringenomenheid op. Tegen een op grond van een onjuiste stand van het recht genomen beslissing, dient het rechtsmiddel van hoger beroep te worden aangewend en niet het rechtsmiddel van wraking.

4.6. Echter, de wijze waarop [gemachtigde] over zijn juridische opleiding is bevraagd beschouwd in samenhang met en in het licht van de wijze waarop de rechter in zijn reactie op het wrakingsverzoek de deskundigheid van [gemachtigde] en diens bijdrage aan het juridisch debat beoordeelt (zie r.o. 2.6), kan op zichzelf bij [verzoeker] en [gemachtigde] de objectief gerechtvaardigde vrees doen ontstaan dat de rechter althans ten aanzien van de vraag of een proceskostenveroordeling ten laste van het bestuursorgaan moet worden uitgesproken niet onbevooroordeeld is.

conclusie

4.7. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het fungeren van de rechter in de hoofdzaak tot schade aan de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen leiden. Het verzoek zal daarom dan ook worden toegewezen. Hetgeen partijen verder over en weer naar voren hebben gebracht, behoeft dan geen verdere bespreking.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. M.C.P. de Ridder, A. van Holten en H. Manuel in tegenwoordigheid van de griffier mr. T. Stokvis en in openbaar uitgesproken op 3 mei 2011. Bij ontstentenis van de voorzitter wordt deze beslissing ondertekend door de oudste rechter.

de griffier de oudste rechter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.