Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ7278

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
07.660183-10 en 01.825496-09 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot moord; voorbedachte raad. De rechtbank acht de verklaring van verdachte afgelegd na zijn aanhouding eenduidig en betrouwbaar. De visie van de verdediging dat de bekennende verklaring van verdachte moet worden gezien als een uitleg die verdachte aan zichzelf heeft gegeven om de waas op te vullen met logica, acht de rechtbank onaannemelijk. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat verdachte drie kwartier gewacht heeft in zijn auto totdat aangeefster de kinderen naar school had gebracht en langs zou lopen. Vervolgens heeft verdachte haar klem gereden en heeft hij vrijwel direct daarna 29 keer op haar ingestoken. Van enige intentie om te praten is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geenszins gebleken.

Poging tot doodslag; voorwaardelijk opzet. Op grond van de aangifte, de verklaring van de getuige en de verklaring van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever, terwijl deze op de grond lag, meermalen met geschoeide voet tegen zijn hoofd heeft geschopt. Bovendien heeft verdachte met zijn auto ingereden op aangever. Aangever heeft net op tijd weg kunnen springen om een aanrijding te voorkomen. Door aldus te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans aanvaard dat aangever als gevolg van die krachtige schoppen tegen zijn hoofd en de mogelijke aanrijding, zou komen te overlijden.

Bedreiging in buitenlandse taal; deskundigheid vertaler. De tok verklaart zelf dat hij de Romaanse taal waaronder de Sinti taal beheerst. Ook bijlt dat de Duitse politie met deze tolk samenwerkt. De stelling van de verdediging dat de op de website van de tolk de Sinti taal niet als een door hem beheerste taal wordt aangegeven, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, nu wel de Romaanse taal wordt vermeld, hetgeen een verzamelnaam is voor onder meer de Sinti taal. De rechtbank gaat derhalve uit van de deskundigheid van de tolk onder mee rop het gebied van de Romaanse taal waaronder de Sinti taal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.660183-10 en 01.825496-09 (TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in de [penitentiaire inrichting].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 30 september 2010, 2 december 2010, 24 februari 2011 en 24 mei 2011 te Lelystad. Op 24 mei 2011 is verdachte verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.M. van der Burg en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 juni 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en

rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 1] (met kracht) met een schroevendraaier,

in elk geval met een dergelijk scherp voorwerp een of meermalen (met grote

kracht) in de rug en/of de hals en/of de hand(en), in elk geval in het lichaam

en/of in het hoofd heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 juni 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven

te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] (met kracht) met een

schroevendraaier, in elk geval met een dergelijk scherp voorwerp een of

meermalen (met grote kracht) in de rug en/of de hals en/of de hand(en), in elk

geval in het lichaam en/of in het hoofd heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 18 mei 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het

leven te beroven, met dat opzet

- die [slachtoffer 2] een of meermalen met (grote) kracht op/in het hoofd en/of het

gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of

- (vervolgens), terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, die [slachtoffer 2] een of

meermalen met (grote) kracht met geschoeide voet in zijn zij en/of tegen de

arm(en), in elk geval tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of

- die [slachtoffer 2] een of meermalen met geschoeide voet met (grote) kracht

tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en/of

- met een door verdachte bestuurde motorrijtuig (auto) op die [slachtoffer 2] is

in-/afgereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 mei 2010 in de gemeente [plaats] aan een persoon genaamd

[slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (twee gebroken ribben

en/of twee gekneusde ribben), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- een of meermalen met (grote) kracht op/in het hoofd en/of het

gezicht en/of tegen het lichaam te slaan/stompen en/of

- (vervolgens), terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, een of

meermalen met (grote) kracht met geschoeide voet in zijn zij en/of tegen de

arm(en), in elk geval

tegen het lichaam te schoppen/trappen en/of

- een of meermalen met geschoeide voet met (grote) kracht

tegen het hoofd te schoppen/trappen en/of

- met een door verdachte bestuurd motorrijtuig (auto) op die [slachtoffer 2] in/af

te rijden;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 mei 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- die [slachtoffer 2] een of meermalen met (grote) kracht op/in het hoofd en/of het

gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of

- (vervolgens), terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, die [slachtoffer 2] een of

meermalen met (grote) kracht met geschoeide voet in zijn zij en/of tegen de

arm(en), in elk geval tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of

- die [slachtoffer 2] een of meermalen met geschoeide voet met (grote) kracht

tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en/of

- met een door verdachte bestuurd motorrijtuig (auto) op die [slachtoffer 2] is

in-/afgereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 14 juni 2010 in gemeente [plaats] en/of elders in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] in (een) chatsessie(s) via MSN, althans via internet berichten gestuurd met de volgende (dreigende) teskten in het Sinti

- Pats kij hal kan maredo klano tata man hie tsiero en/of

- Meere kana mee kro lis kana

- Meer maaratoet kana poeke wee nor niena toe hal moelo voen miendar halootar oen toe daat niena en/of

- Toe chie wee ka lang kana klano tata en/of

- [dochter slachtoffer 1] toet moekoo kana wek te lel temeer chaan kan pach wawa raale kemootoet boele kaa

hetgeen vertaald in het Nederlands betekent

- Geloof me, jij wordt nu door de vader vermoord. Ik heb tijd en/of

- Jij sterft nu, ik doe het nu en/of

- Wij vermoorden je nu, verraadt het maar gerust. Jij bent voor ons dood, en je vader ook en/of

- Je zult nu niet lang voor de vader leven en/of

- [dochter slachtoffer 1], ik laat je nu wegbrengen. Jullie zijn nu bij andere jonge niet-zigeuners. Ik wil je nu neuken

althans berichten met een vergelijkbare (dreigende) aard en/of strekking.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de bewijsmiddelen als genoemd in voetnoten 2

t/m 4 naar het oordeel van de rechtbank als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1:

Op donderdag 17 juni 2010 omstreeks 8.30 uur krijgt de politie een melding om te gaan naar de [straat A] te [plaats]. Er zou een vrouw gestoken zijn door een man die vertrokken zou zijn in een blauwe Fiat met [kenteken ]. Ter plaatse ziet de politie een vrouw, die onder het bloed zit. De vrouw blijkt later te zijn genaamd: [slachtoffer 1]. De politie wordt door omstanders gewezen op een schroevendraaier die op twee meter afstand van het slachtoffer ligt. Het slachtoffer zou met de schroevendraaier zijn gestoken. De vader van het slachtoffer die eveneens ter plaatse is, verklaart tegenover de politie dat de dader de ex-man is van het slachtoffer. Het slachtoffer wordt naar het ziekenhuis gebracht, waar wordt geconstateerd dat het slachtoffer zwaargewond is. Zij is 29 keer gestoken in haar polsen, hand, rug en hoofd. Op diezelfde dag krijgt de politie omstreeks 9.15 uur een melding om te gaan naar het Shell benzinestation [naam] te [plaats]. Volgens de melding zou daar een man staan die verteld had, dat hij zijn vrouw had neergestoken. Ter plaatse treft de politie verdachte aan die bloed op zijn broek heeft en een verband om zijn linkerhand.

Ten aanzien van het ten laste gelegd onder 2:

Op dinsdag 18 mei 2010 werd in het politiebureau te [plaats] [slachtoffer 2] als aangever gehoord. Hij verklaarde dat hij aangifte wilde doen tegen verdachte ter zake van poging doodslag c.q. zware mishandeling gepleegd op 18 mei 2010 te [plaats]. Verdachte werd 17 juni 2010 aangehouden ter zake van het ten laste gelegde onder 1 en gehoord over het ten laste gelegde onder 2. Verdachte bekent deels.

Ten aanzien van het ten laste gelegd onder 3:

Op 15 juni 2010 te [plaats] deed [slachtoffer 1] aangifte tegen verdachte ter zake van bedreiging via internet. Verdachte werd 17 juni 2010 aangehouden ter zake van het ten laste gelegde onder 1 en gehoord over het ten laste gelegde onder 3. Verdachte ontkent.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair, 2 primair en onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft daartoe - zoals verwoord in het (schriftelijk) requisitoir - kort weergegeven het navolgende aangevoerd.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1 heeft zij onder meer verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 1], de letselverklaring, de verklaring van verdachte en de verklaring van [getuige 1]. Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 heeft zij verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 2], de letselverklaring en de verklaring van [getuige 2]. Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 3 heeft zij gewezen op de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaring van verdachte en de vertaling van de chatberichten door een Sinti-tolk.

4.3 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1:

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde onder 1 primair dient te worden vrijgesproken, nu naar zijn mening uit het dossier voldoende valt af te leiden dat zijn cliënt in een waas verkeerde en niet besefte waar hij mee bezig was, zodat er geen sprake kan zijn van voorbedachte raad. Ten aanzien van de poging doodslag acht de raadsman een bewezenverklaring mogelijk.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2:

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde onder 2 primair en subsidiair dient te worden vrijgesproken. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden ten aanzien van de door aangever gestelde geweldshandelingen, waaronder de poging om aangever over of aan te rijden. Daarnaast is er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel bij aangever gelet op de medische verklaring. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde, een poging zware mishandeling, acht de raadsman een bewezenverklaring mogelijk.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 3:

De raadsman heeft geconcludeerd tot een vrijspraak wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs nu de vertaler van de internetberichten niet deskundig is om de teksten te vertalen van het Sinti naar het Nederlands.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1:

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat er geen sprake was van voorbedachte raad.

De rechtbank overweegt als volgt.

Door verdachte wordt niet ontkend dat hij aangeefster heeft neergestoken. De vraag die beantwoord moet worden is of sprake is geweest van voorbedachte raad. Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat vast komt te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Ten aanzien van de vraag of de voorbedachte raad bewezen kan worden acht de rechtbank ten eerste van belang de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]. Zij heeft verklaard dat zij op 17 juni 2010 haar kinderen naar school had gebracht en terugliep naar huis. Ze hoorde een auto van achteren hard aan komen rijden die schuin voor haar, een stukje op de stoep, stopte. Aangeefster zag dat verdachte uitstapte waarna zij zich omdraaide en probeerde weg te rennen. Ze hoorde verdachte in het Sinti schreeuwen dat zij nog niet van hem af was. Tijdens het rennen riep aangeefster tegen omstanders dat ze de politie moesten bellen. Hierna struikelde aangeefster en viel op de grond. Terwijl ze op de grond lag voelde zij dat verdachte haar meermalen op haar rug en hoofd sloeg. Ze heeft geprobeerd haar hoofd te beschermen door haar handen op haar achterhoofd te houden. Terwijl ze dit deed voelde zij dat er iets vast kwam te zitten in haar hand wat een draaiende beweging maakte. Daarna zag zij dat verdachte wegrende.

Voorts acht de rechtbank van belang de verklaring van [getuige 3]. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte aangeefster eerst heeft klem gereden waarna hij op haar heeft ingestoken.

Ten slotte acht de rechtbank van belang de verklaring van [getuige 4]. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij verdachte ongeveer drie kwartier voor de steekpartij heeft zien zitten wachten in zijn auto vlakbij de plaats waar aangeefster is neergestoken.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte tijdens deze feitelijke handelingen voldoende de gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit na te denken waarna hij vervolgens hieraan uitvoering heeft gegeven.

De stelling van de verdediging dat sprake is geweest van een hevige gemoedsopwelling vindt geen steun in de eigen verklaring van verdachte, afgelegd na zijn aanhouding door de politie. Verdachte heeft tijdens zijn aanhouding het volgende verklaard:

Ik heb haar neergestoken. Ik heb expres gewacht tot de kinderen naar school waren. Ik heb erover nagedacht en ik laat niet met mij sollen. Ik wilde haar dood hebben. Ik hoop dat ze dood is. Ze vraagt er zelf om, dit is wat ze wil. Ik ben vanaf [plaats] gereden met de bedoeling haar dood te maken. Mijn kinderen zitten nu op school. Ze is toch geen goede moeder voor de kinderen dus ze kan maar beter dood zijn. Ik heb haar gestoken met een schroevendraaier. Ik wilde haar dood hebben. Tijdens het steken heb ik mijzelf ook nog per ongeluk in mijn pols gestoken. Ik weet niet hoe het nu met haar is maar ik hoop dat ze dood is. Mijn vrouw is nu naar het ziekenhuis. Er moet nog wel geregeld worden dat de kinderen van school gehaald worden. Ik wilde haar dood hebben.

De rechtbank stelt eveneens vast dat verdachte vlak voor zijn aanhouding tegenover twee medewerkers van het tankstation heeft verklaard dat hij zijn vrouw heeft vermoord.

Verdachte heeft tijdens zijn volgende verhoren bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij niets meer weet van het moment dat hij aangeefster heeft neergestoken. Hij heeft voorts verklaard dat het zijn intentie was om te praten met aangeefster maar doordat zij begon te schreeuwen om hulp, kreeg hij ineens een waas waardoor hij niets meer weet van het moment van het steken met de schroevendraaier. Verdachte herinnert zich vervolgens wel weer dat hij in zijn auto is gestapt en dat hij zijn raadsman heeft gebeld. De situatie bij het tankstation herinnert verdachte zich echter weer niet.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte afgelegd na zijn aanhouding in tegenstelling tot de raadsman eenduidig en betrouwbaar. De visie van de verdediging dat de bekennende verklaring van verdachte moet worden gezien als een uitleg die verdachte aan zichzelf heeft gegeven om de waas op te vullen met logica, acht de rechtbank onaannemelijk. Dit geldt temeer daar de verklaring van verdachte dat hij heeft gehandeld in een waas geen steun vindt in de voorhanden zijnde bewijsmiddelen. Integendeel, uit deze bewijsmiddelen komt juist naar voren dat verdachte drie kwartier gewacht heeft in zijn auto totdat aangeefster de kinderen naar school had gebracht en langs zou lopen. Vervolgens heeft verdachte haar klem gereden en heeft hij vrijwel direct daarna 29 keer op haar ingestoken. Van enige intentie om te praten is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geenszins gebleken.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd aangeefster met voorbedachte raad te doden. Het ten laste gelegde onder 1 primair is mitsdien wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2:

Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en op basis van hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen gaat de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van poging doodslag c.q. zware mishandeling c.q. poging zware mishandeling uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Aangever heeft bij de politie verklaard dat hij op 18 mei 2010 op bezoek was geweest bij zijn dochter in het blijf-van-mijn-lijf huis te [plaats]. Hij was op weg naar huis en had plaatsgenomen in zijn auto toen verdachte de straat in kwam rijden en zijn auto vlak achter de auto van aangever parkeerde. Aangever is uitgestapt waarna verdachte hem heeft mishandeld door onder meer met geschoeide voet meermalen te trappen tegen zijn zij en zijn hoofd. Toen er andere mensen op afkwamen zag aangever dat verdachte ophield met trappen en in zijn auto sprong. Aangever, die op dat moment voor de auto van verdachte lag, probeerde weg te komen bij de auto van verdachte. Hij zag dat verdachte naar hem keek en vervolgens het gas intrapte en in de richting van aangever reed. Aangever moest opzij springen om te voorkomen dat hij zou worden geraakt.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte tegen een man aan stond te schoppen. Vervolgens zag de getuige dat verdachte in zijn auto sprong en vol gas wegreed. Hij zag dat de man voor de auto met een sprong weg moest duiken, omdat hij anders zou zijn aangereden.

Aangever heeft zich zowel in Nederland als in het buitenland, waar hij kort na het incident verbleef, onder medische behandeling moeten stellen als gevolg van deze gewelddadige handelingen. Uit de medische verklaring blijkt onder meer dat er kneuzingen en breuken van de ribben zijn geconstateerd en letsel aan het hoofd en de armen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij verdachte een paar trappen heeft gegeven en dat dit tegen het hoofd van aangever kan zijn geweest.

Op grond van de aangifte, de verklaring van [getuige 2] en de verklaring van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever, terwijl deze op de grond lag, meermalen met geschoeide voet met kracht tegen - onder meer - zijn hoofd heeft geschopt. Door aldus te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans aanvaard dat aangever, als gevolg van die meerdere krachtige schoppen tegen zijn hoofd, zou komen te overlijden.

Ten aanzien van het inrijden op aangever heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat aangever voor zijn auto op de grond lag. Volgens verdachte stond het stuur van zijn auto in de richting van aangever en heeft hij het stuur bijgedraaid om aangever niet te raken. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij heeft gewacht tot aangever was opgestaan, waarna hij zijn stuur heeft gedraaid en is weggereden.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Gelet op de verklaringen van aangever en [getuige 2] is verdachte met een toenemende snelheid op aangever afgereden. Aangever bevond zich op dat moment vlak voor de auto van verdachte. Uitgaande van voornoemde verklaringen van aangever en de [getuige 2] heeft aangever net op tijd weg kunnen springen om te voorkomen dat hij zou worden aangereden. Door aldus te handelen heeft verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat aangever als gevolg van zijn gedragingen door hem zou worden aangereden en zou komen te overlijden.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde onder 2 primair, de poging doodslag, wettig en overtuigend bewezen met uitzondering van het slaan c.q. stompen van aangever, nu er naast de aangifte van [slachtoffer 2] geen ondersteunend bewijs terzake voorhanden is. De rechtbank zal verdachte om die reden hiervan partieel vrijspreken.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 3:

De verdediging heeft de deskundigheid van de tolk die de internetberichten heeft vertaald, betwist, hetgeen tot vrijspraak zou moeten leiden, nu niet bewezen kan worden dat de inhoud van de internetberichten bedreigend is.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

De deskundigheid van de door de politie ingeschakelde tolk op het gebied van de Sinti taal wordt door hemzelf bevestigd door middel van een getekende verklaring waarin de tolk verklaart dat hij de Romaanse taal waaronder de Sinti taal beheerst. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen dat de Duitse politie veel samenwerkt met deze tolk. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het verweer dat de tolk op dit relevante gebied niet deskundig is, De stelling van de verdediging dat op de website van de tolk de Sinti taal niet als een door hem beheerste taal wordt aangegeven, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af nu wel de Romaanse taal wordt vermeld, hetgeen een verzamelnaam is voor onder meer de Sinti taal. De rechtbank gaat derhalve uit van de deskundigheid van de tolk onder meer op het gebied van de Romaanse taal waaronder de Sinti taal.

Aangeefster heeft verklaard dat de vertaling juist is op het vijfde gedachtestreepje na. Ten aanzien van de zinsnede: [dochter slachtoffer 1] toe moekoo kana wek te lel temeer chaan kan pach wawa raale kemootoet boele kaa, behoort het laatste stukje te worden vertaald als: “Hou niet meer van je”, in plaats van: “ik wil je nu neuken”. De verklaring van aangeefster dat er één zinsnede onjuist is vertaald doet naar het oordeel van de rechtbank aan de betrouwbaarheid van de overige vertaalde berichten niet af, temeer omdat aangeefster heeft bevestigd dat de overige zinsneden (wel) juist zijn vertaald.

Verdachte heeft ter terechtzitting de bedreigingen ontkend. Hij heeft voorts verklaard dat het zou kunnen dat hij de berichten getypt heeft, maar dat hij het anders heeft bedoeld. Ook heeft hij verklaard dat hij niet goed kan lezen en schrijven.

De rechtbank acht, gelet op de verklaringen van aangeefster en - de vertaling van - de inhoud van de internetberichten wettig en overtuigend dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het vijfde gedachtestreepje, nu aangeefster heeft verklaard dat de vertaling van deze zinsnede onjuist is.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 17 juni 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en

rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 1] met kracht met een schroevendraaier,

meermalen in de rug en de handen en in het hoofd heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 18 mei 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het

leven te beroven, met dat opzet

- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, die [slachtoffer 2] meermalen met kracht met geschoeide voet tegen het lichaam heeft getrapt en

- die [slachtoffer 2] een of meermalen met geschoeide voet met kracht

tegen het hoofd heeft getrapt en

- met een door verdachte bestuurd motorrijtuig (auto) op die [slachtoffer 2] is

ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij omstreeks 14 juni 2010 in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] in chatsessies via MSN, althans via internet berichten gestuurd met de volgende dreigende teskten in het Sinti

- Pats kij hal kan maredo klano tata man hie tsiero en

- Meere kana mee kro lis kana

- Meer maaratoet kana poeke wee nor niena toe hal moelo voen miendar halootar oen toe daat niena en

- Toe chie wee ka lang kana klano tata

hetgeen vertaald in het Nederlands betekent

- Geloof me, jij wordt nu door de vader vermoord. Ik heb tijd en

- Jij sterft nu, ik doe het nu en

- Wij vermoorden je nu, verraadt het maar gerust. Jij bent voor ons dood, en je vader ook en

- Je zult nu niet lang voor de vader leven,

althans berichten met een vergelijkbare (dreigende) aard en/of strekking.

Van het onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair:

Poging tot moord, strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2 primair:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf opgemerkt dat de eis buitenproportioneel hoog is. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte de dupe is geworden van het spel van aantrekken en afwijzen tussen beide echtelieden.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De verdachte heeft zijn ex-vrouw [slachtoffer 1] opgewacht en haar vervolgens onverhoeds met een schroevendraaier aangevallen en haar daarmee 29 steekverwondingen toegebracht. Voorts heeft verdachte de vader van zijn ex-vrouw, [slachtoffer 2], ernstig mishandeld en gepoogd aan te rijden met zijn auto. Dat de slachtoffers het hebben overleefd is niet aan verdachte te danken. Daarbij komt dat beide incidenten zich hebben afgespeeld op de openbare weg en dat vele mensen hiervan getuige zijn geweest.

Huiselijk, relationeel getint geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers, maar de ervaring leert dat de slachtoffers hiervan meestal nog geruime tijd zowel lichamelijk als geestelijk hinder en klachten kunnen ondervinden als gevolg van gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid. Bovendien zorgen dergelijke feiten ook voor onrust in de samenleving.

Uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt dat zij door het geweld, zowel lichamelijk als geestelijk, hinder en klachten ondervinden en dat zij met gevoelens van angst en onveiligheid kampen.

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van verdachte in het bijzonder gelet op:

* een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 juni 2010 waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van huiselijk geweld veroordeeld is en binnen de proeftijd is gerecidiveerd;

* Pro Justitia -rapport van R.S. Turk,GZ- psycholoog, van 19 juli 2010;

* Pro Justitia -rapport van T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus, van 21 juli 2010;

* Pro Justitia- rapport van het Pieter Baan Centrum van 15 april 2011 met betrekking tot deze strafzaak.

In juli 2010 hebben psychiater T.W.D.P. van Os en psycholoog R.S. Turk geconcludeerd dat, aangezien verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek, geen advies kon worden uitgebracht omtrent de wenselijkheid of noodzakelijkheid tot het al dan niet opleggen van de maatregel TBS. Als gevolg van de weigering van verdachte aan het onderzoek mee te werken, kon niet worden vastgesteld of de verdachte, ten tijde van de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten, leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Beide deskundigen hebben geadviseerd om verdachte klinisch te laten onderzoeken. Op 6 januari 2011 is verdachte in het kader van de onderhavige strafzaak ter observatie in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) geplaatst.

Door het PBC is - blijkens het rapport - vastgesteld dat de beschikbare informatie over de levensgeschiedenis en ontwikkeling van de verdachte een aantal elementen bevat die doen vermoeden dat er bij verdachte sprake is van een psychopathologie, zoals een jaloeziewaan al dan niet voortkomend uit een geïntoxiceerd brein door alcohol en/of cocaïne of andere drugs. Verdachte heeft echter ook tijdens zijn verblijf in het PBC niet meegewerkt aan onderzoeken. De onderzoekers in het PBC hebben na het kijken en beluisteren van de dvd’s, die tijdens de verhoren van verdachte werden geregistreerd, geconcludeerd dat er geen sprake is van een acuut psychiatrisch beeld met vooropstaande gedragsafwijkingen. Dit sluit echter een subklinisch verlopen beeld niet geheel uit, zoals een waanstoornis of kenmerken behorend bij een persoonlijkheidsstoornis. Door de weigering van verdachte om mee te werken kunnen er geen uitspraken worden gedaan over een eventuele stoornis en het verband met het ten laste gelegde en kan er geen antwoord worden gegeven op de vraag naar het eventuele recidiverisico.

De rechtbank overweegt dat het gebrek aan medewerking door verdachte aan een onderzoek naar zijn persoon, het onmogelijk maakt om langs die weg inzicht te krijgen in de achtergronden van zijn daden en van zijn persoon en daarmee in de kans op recidive. De rechtbank kan daarmee dan ook bij de strafoplegging geen rekening houden. Op grond van de noodzaak tot beveiliging van de maatschappij is derhalve een langdurige gevangenisstraf geboden. De rechtbank zal de eis van de officier van justitie matigen gelet op in (enigszins) soortgelijke zaken opgelegde straffen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat met name gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten een forse gevangenisstraf op zijn plaats is en dat een gevangenisstraf voor de tijd van negen jaren een passende straf is, welke straf de rechtbank ook zal opleggen.

9 BESLAG

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder de nummers 1, 2 en 9 in beslag genomen telefoons en ring terug worden gegeven aan verdachte. Voorts heeft zij gevorderd de onder de nummers 3 t/m 8 in beslag genomen kleding en schoenen te deponeren.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de onder de nummers 1, 2 en 9 in beslag genomen telefoons en ring aan verdachte. Voorts zal de rechtbank gelasten om de onder de nummers 3 t/m 8 in beslag genomen kleding en schoenen te bewaren voor de rechthebbende.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich als benadeelde partijen in dit geding gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op bedragen van respectievelijk

€ 2.284,56 en € 20.030,36.

10.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 2.284,56 geheel toe te wijzen met toewijzing van gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe te wijzen, te weten tot een bedrag van € 15.855,36 met toewijzing van gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn geheel kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsman de opgegeven advocaatkosten betwist nu de specificaties te algemeen zijn. Voorts heeft hij de kosten van de kleding betwist omdat de nieuwprijs is opgegeven en er geen rekening is gehouden met eventuele afschrijvingskosten. Met betrekking tot de vakantie in [land A] heeft de raadsman opgemerkt dat de benadeelde partij eerst een arts had dienen te raadplegen over de haalbaarheid van een dergelijke reis. Ten slotte heeft de raadsman ten aanzien van de gederfde inkomsten betoogd dat deze kosten zich niet lenen voor een behandeling in het strafgeding maar thuishoren in een civiele procedure.

10.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich met een vordering tot materiële en immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 2.284,56 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 1] naar voren is gebracht, gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte materiële en immateriële schade heeft geleden. Verdachte is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank zal de vordering in haar geheel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich met een vordering tot materiële en immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 20.030,36 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 2] naar voren is gebracht, gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte materiële en immateriële schade heeft geleden. Verdachte is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen en wel tot een bedrag van € 2.356,12, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren, omdat de rechtbank van oordeel is dat het vaststellen van de schade en het vaststellen van het causale verband tussen verdachtes gedragingen en de schade een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde bedragen ten behoeve van voornoemde slachtoffers.

11 DE VORDERING TENUITVOERLEGGING

11.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01.825496-09 toe te wijzen.

11.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht de vordering toewijsbaar.

11.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig de tenuitvoerlegging te gelasten van de in de zaak met parketnummer 01.825496-09 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank

‘s-Hertogenbosch d.d. 5 januari 2010 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 89 dagen.

12 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 57, 285, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van het beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” onder 3 t/m 8 vermelde voorwerpen, te weten kleding en schoenen;

- gelast de teruggave aan de verdachte van de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” onder 1, 2 en 9 vermelde voorwerpen, te weten telefoons en een ring.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] te [plaats] van een bedrag van € 2.284,56, vermeerderd met de wettelijke rente daarover sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 17 juni 2010, tot de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 2.284,56, ten behoeve van de benadeelde partij, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] te [plaats] van een bedrag van € 2.356,12, vermeerderd met de wettelijke rente daarover sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 18 mei 2010, tot de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 2.356,12, ten behoeve van de benadeelde partij, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis;.

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank:

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 01.825496-09 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch bij vonnis d.d. 5 januari 2010 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 89 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.P. de Haas, voorzitter, mrs. F.H. Schormans en A.J. van Dijk, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. M. van Veen-Looy en M.E. Maduro, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2011.

Mrs. M. van Veen-Looy en M.E. Maduro waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.