Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ6190

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
26-05-2011
Zaaknummer
Awb 10/895
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herplantplicht. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 10/895

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

(...),

gevestigd te Dalfsen, eiser,

gemachtigde: mr. N.S. Commijs,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ommen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft verweerder eiser de plicht opgelegd drie eiken met een plantmaat van 35-45 gemeten op één meter hoogte van het maaiveld te planten op de plek waar eiser zonder vereiste kapvergunning drie eiken heeft laten kappen.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 27 april 2010 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 8 december 2010 behandeld. Namens eiser is verschenen (..), bijgestaan door gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R.J.S. Westerhof.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door eiser ter zitting aangevoerde stelling dat de bomen aan weerszijden van de door eiser gekapte bomen door of in opdracht van de gemeente Ommen zijn gekapt, zonder dat hiervoor een herplantplicht is opgelegd.

Per brief van 21 december 2010 heeft verweerder hierop gereageerd. Per brief van 26 januari 2011 heeft eiser op deze brief gereageerd.

Partijen hebben vervolgens toestemming verleend de zaak af te doen zonder nadere zitting.

De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser exploiteert een autobedrijf en heeft in 2009 ten behoeve van de vestiging van zijn bedrijf van de gemeente Ommen een perceel aan de (..) in Ommen gekocht. Naar aanleiding van een brief van omwonenden is door verweerder geconstateerd dat op 18 augustus 2009 in opdracht van eiser drie grote eiken op dit perceel zijn gekapt zonder dat eiser beschikte over een daarvoor vereiste kapvergunning. Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft verweerder daarop eiser de plicht opgelegd om drie eiken, met een plantmaat van 35-45 gemeten op één meter hoogte van het maaiveld, te herplanten op dezelfde locatie als die van de verdwenen bomen. In dit besluit heeft verweerder onder meer bepaald dat de aanplant dient te geschieden binnen drie maanden nadat het besluit tot het opleggen van de herplantplicht onherroepelijk is geworden. In bezwaar heeft verweerder dit besluit gehandhaafd, met dien verstande dat het thans bestreden besluit bepaalt dat de aanplant uiterlijk 1 december 2010 dient te geschieden. Bij brief van 3 december 2010 heeft verweerder deze termijn verlengd tot 31 maart 2011.

Verweerder heeft aan de opgelegde herplantplicht ten grondslag gelegd dat de gekapte bomen binnen een strook stonden, lokaal aangeduid “Oude Kanaaldijk”, die valt binnen een bomenstructuur zoals aangegeven op de plattegronden bij het op 24 november 2005 door de raad van verweerders gemeente vastgestelde ‘Bomenbeleidsplan Gemeente Ommen’ (hierna: het Bomenbeleidsplan). In het Bomenbeleidsplan wordt onder meer overwogen dat bomen die tot een bomenstructuur behoren, in principe, uitgesloten zijn van kap. Het beleidsplan geeft aan dat, mocht een boom illegaal worden gekapt, een herplant dient te geschieden.

2. Ingevolge het eerste lid van artikel 4.3.2. van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Ommen (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning houtopstanden die voorkomen op de Gemeenschappelijke Groene Monumentenlijst, het Bomenstructuurplan en/of het Landschapsbeleidsplan, te vellen of te doen vellen.

Artikel 4.3.6, eerste lid, van de APV, voor zover hier van belang, bepaalt dat indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is zonder vergunning is geveld dan wel op andere wijze is teniet gegaan, verweerder aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting kan opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.

3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat eiser de drie bomen heeft laten kappen en dat hiervoor een kapvergunning vereist was. Evenmin is tussen partijen (nog) in geschil dat de gekapte bomen binnen de strook “Oude Kanaaldijk” stonden, die valt binnen de op basis van het Bomenbeleidsplan vastgestelde bomenstructuur. Eiser heeft aangegeven de bomen te willen herplanten, zij het op een andere plaats in de directe nabijheid. De rechtbank heeft derhalve te beoordelen of verweerder eiser in redelijkheid de plicht heeft kunnen opleggen drie eiken te herplanten op dezelfde locatie als die van de illegaal gekapte eiken.

4. Eiser stelt dat de verplichting tot herplant van de bomen op dezelfde locatie onevenredig zwaar is en voert daartoe aan dat het kappen van de bomen vanaf het begin met verweerder is besproken en dat verweerders gemeente aan eiser een perceel industriegrond heeft verkocht in de wetenschap dat eiser de bomen zou weghalen. De bomen moesten weg, omdat eiser daar geen auto’s onder wil hebben staan en eiser heeft dit ook met medewerkers van de gemeente en met de wethouder besproken. Daarnaast vormen de drie door eiser gekapte bomen het sluitstuk van tientallen door de gemeente ten behoeve van de aanleg van een industrieterrein gekapte bomen. Ter zitting heeft eiser er op gewezen dat in dit verband tevens de bomen ter linker- en rechterzijde van de door eiser gekapte bomen (door eiser aangeduid als ‘boom 1’ en ‘boom 5’) zijn gekapt. Eiser heeft de laatste drie bomen gekapt om zijn bouwkavel te kunnen gebruiken op een wijze zoals met de gemeente was overeengekomen, ten behoeve van de vestiging van een autobedrijf.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1. Eiser heeft aangegeven ten tijde van de kap van de bomen er van bewust te zijn geweest dat dit in strijd met het kapverbod geschiedde. Dat eiser, zoals hij stelt, van meet af aan aan verweerder heeft meegedeeld dat de betreffende bomen weg moesten, betekent niet dat verweerder naar aanleiding van de illegale kap geen herplantplicht meer mag opleggen. Hierbij merkt de rechtbank op dat, zoals onder meer uit het verslag van de hoorzitting bij de bezwaarcommissie van verweerders gemeente blijkt, eiser expliciet is meegedeeld dat voor het kappen van de drie bomen geen vergunning verleend kon worden. Voor zover eiser betoogt dat de kap van de bomen met verweerder ten tijde van de aankoop van het betreffende perceel was overeengekomen teneinde dit perceel volledig voor de vestiging van zijn autobedrijf te kunnen gebruiken, heeft eiser dit onvoldoende aangetoond. In de stelling van eiser dat de bomen weg moesten omdat eiser daar, in verband met de exploitatie van zijn bedrijf, geen auto’s onder kan zetten, ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor het oordeel dat de opgelegde herplantplicht onevenredig is tot de daarmee te dienen belangen.

5.2. Verweerder heeft in zijn brief van 21 december 2010 aangegeven op 4 februari 2009 aan Ontwikkelingsmaatschappij De Drieslag Ommen Beheer B.V. (hierna: de Drieslag) een beschikking te hebben afgegeven voor het kappen van bomen op het te ontwikkelen bedrijventerrein de Rotbrink. Deze ontwikkelingsmaatschappij betreft een publiek-private samenwerking, waaraan de gemeente Ommen deelneemt. De Drieslag heeft volgens verweerder tussen 4 februari 2009 en 17 juli 2009 de kap laten uitvoeren.

Op één van beide plattegronden behorend bij de beschikking van 4 februari 2009 staat, conform de bomenstructuur zoals aangegeven op de plattegrond bij het Bomenbeleidsplan, een rij bomen aangegeven welke gehandhaafd dient te worden. Eiser heeft aangegeven dat de door hem gekapte bomen op deze plattegrond de nummers 1130, 1132 en 1134 hebben. Deze bomen dienden volgens de plattegrond inderdaad gehandhaafd te worden. De door eiser als ‘boom 1’ en ‘boom 5’ aangeduide bomen hebben volgens eiser op deze plattegrond de nummers 1126 en 1134. Alhoewel op de plattegrond bij de beschikking alleen de boom met nummer 1134 is aangemerkt als een te handhaven boom, blijkt uit de beschikking van 4 februari 2009 dat de boom met nummer 1126 eveneens gehandhaafd diende te worden.

5.3. Uit het voorgaande volgt, en verweerder heeft dit ook niet weersproken, dat de door eiser als boom 1 en boom 5 aangeduide bomen illegaal zijn gekapt. Niet gebleken is dat verweerder met betrekking tot deze illegaal gekapte bomen eveneens een herplantplicht heeft opgelegd dan wel zelf over zal gaan tot herplant van deze bomen op dezelfde plaats. Wel merkt verweerder in het verweerschrift in de bezwaarprocedure op dat overwogen wordt om voor enkele om gezondheidsredenen uit de strook ‘Oude Kanaaldijk’ verwijderde bomen alsnog herplant te laten plaatsvinden. Deze opmerking ziet echter op bomen die stonden opgenomen in een door de Drieslag gedane kapmelding en ziet derhalve niet op de illegaal gekapte bomen. Nu niet gebleken is dat verweerder – al dan niet met toepassing van handhavingsmaatregelen - overgaat tot het (laten) herplanten van boom 1 en boom 5, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het thans bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de tussen deze bomen gesitueerde bomen (boom 2, 3, en 4) door eiser wel op dezelfde locatie als waar zij stonden dienen te worden herplant. De rechtbank acht het bestreden besluit om deze reden in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

6. Op grond van het hiervoor overwogene zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Hetgeen eiser voor het overige aanvoert behoeft om deze reden geen verdere bespreking.

7. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,-; wegingsfactor 1).

Daarnaast bestaat ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb aanleiding te gelasten dat het door eiser betaalde griffierecht ad € 298,- wordt vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 874,-, te betalen aan eiser;

-gelast dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 298,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, en door hem en mr. P.J.H. Bijleveld als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag