Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ5314

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
184021 / KG RK 11-274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter verklaart de eisers niet onvankelijk op grond van artikel 3:268 lid 2 BW in gedane verzoek. De eisers hadden een verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof als bedoeld in art. 3:268 lid 2 BW, om een onroerende zaak onderhands te verkopen voor een bedrag van €2.500.000,- volgens de (gedeeltelijk) bij het verzoek gevoegde koopovereenkomst ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: 184021 / KG RK 11-274

Beschikking van de voorzieningenrechter van 28 april 2011

in de zaak van

1. [Eiser 1],

wonende te Zwolle,

2. [Eiser 2],

wonende te Dalfsen,

verzoeksters,

advocaat mr. H. Dijks te Enschede,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Zwolle,

belanghebbende,

advocaat mr. M.G.I.W. Teunis te Zwolle,

2. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. J. Meuleman te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE GRAAF VAN VILSTEREN B.V.,

gevestigd te Zwolle,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door de heer M. van Vilsteren,

4. de naamloze vennootschap

INTERBREW NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Breda,

belanghebbende,

niet verschenen,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

REGGESTEDE INVEST B.V.,

gevestigd te Enter,

belanghebbende,

niet verschenen,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AVG PROJECTEN B.V.,

gevestigd te Borne,

belanghebbende,

niet verschenen,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE BRUG PROJECTEN B.V.,

gevestigd te Ommen,

belanghebbende,

niet verschenen,

8. de vennootschap onder firma

OVERIJSSEL PROJECTEN V.O.F.,

gevestigd te Borne,

belanghebbende,

advocaat mr. R.J. Versteeg te ‘s-Hertogenbosch.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- de mondelinge behandeling.

1.2. Op 28 april 2011 heeft de voorzieningenrechter een mondelinge beslissing gegeven, welke beslissing, tezamen met de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen, hierna schriftelijk wordt weergegeven.

2. De beoordeling

2.1. Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van verlof als bedoeld in art. 3:268 lid 2 BW, om de onroerende zaak: het bedrijfspand met garage, ondergrond, erf, tuin en parkeerplaats, staande en gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente Zwolle, [kadastraalnummers], ondershands te verkopen voor een bedrag van EUR 2.500.000,- volgens de (gedeeltelijk) bij het verzoek gevoegde koopovereenkomst.

2.2. Verzoeksters zijn niet ontvankelijk in hun verzoek. Zij hebben hun verzoek doen indienen in hun hoedanigheid van tweede hypotheekhouders, terwijl het wettelijk systeem slechts de mogelijkheid openlaat voor de executerende hypotheekhouder, naast de hypotheekgever, om een verzoek ex artikel 3:268 lid 2 BW in te dienen. Dit volgt ook uit de MvA II, Parlementaire Geschiedenis, p. 824:

“Ingevolge het nieuwe lid 2 kunnen zowel de hypotheekhouder als de hypotheekgever de boedelrechter verzoeken toe te staan dat de executie niet door openbare verkoop doch bij een bepaalde, ter goedkeuring voorgelegde, onderhandse verkoop zal geschieden. (…) De bevoegdheid een verzoek tot onderhandse verkoop in te dienen komt niet toe aan de andere in lid 2 vermelde belanghebbenden: overige hypotheekhouders, beslagleggers, beperkt gerechtigden.”

2.3. De stelling van verzoeksters dat zij ontvankelijk zijn in hun verzoek aangezien ingevolge artikel 3:171 BW iedere deelgenoot bevoegd is tot het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, zoals zou blijken uit HR 17-6-1994, NJ 1995, 367, kan niet worden gevolgd. Immers, de strekking van dat arrest is dat niet is vereist dat een verzoek door alle deelgenoten gezamenlijk (te weten: beide eerste hypotheekhouders) wordt ingediend, maar dat ook één deelgenoot alleen (namelijk één van de twee eerste hypotheekhouders) daartoe bevoegd is. Van deze situatie is hier geen sprake.

2.4. Tot slot hebben verzoeksters zich op het standpunt gesteld dat hun verzoek ook kan worden opgevat als te zijn gedaan namens de hypotheekgeefster, [gedaagde 1]. Voorzover dit al zou kunnen is niet gebleken dat [gedaagde 1] dit verzoek ondersteunt.

2.5. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart verzoeksters niet ontvankelijk in hun op grond van artikel 3:268 lid 2 BW gedane verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.A.M. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2011.?