Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ4858

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-05-2011
Datum publicatie
17-05-2011
Zaaknummer
Awb 10/1479
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit proceskosten bestuursrecht; rechtbank acht een beleid, waarin de wegingsfactor afhankelijk is gemaakt van de grootte van het financiële belang van de zaak kennelijk onredelijk. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1524
Belastingblad 2011/926
V-N 2012/8.29.18
FutD 2011-1224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Belastingkamer

Registratienummer: Awb 10/1479

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

(…),

wonende te Swifterbant, eiser,

gemachtigde mr. M.B.A.C. Hasselman

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dronten, verweerder.

1.Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de wet WOZ) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak (…) 45 te Swifterbant vastgesteld bij beschikking, gedateerd op 26 februari 2010. Daarbij is de waarde vastgesteld op € 231.000,-- per waardepeildatum 1 januari 2009 voor het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010. Eiser heeft hiertegen bij brief van 23 maart 2010 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 juli 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de kostenvergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak op bezwaar is op 21 augustus 2010 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 30 september 2010 een verweerschrift ingediend. Hieruit blijkt dat eiser en verweerder in de beroepsfase een compromis hebben bereikt, waarbij de waarde van de onroerende zaak is vastgesteld op € 220.000,--. Over de door verweerder te vergoeden proceskosten hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken. Op 11 oktober 2010 heeft eiser het beroep ingetrokken, en de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten in bezwaar en beroep.

Het verzoek is op 26 april 2011 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W.J. Nieuwenhuis, WOZ-taxateur.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2.Het geschil

In beroep is na correspondentie tussen partijen overeenstemming bereikt over de vergoeding van de kosten van het deskundigenrapport van € 241,77. Het geschil is derhalve beperkt tot de vraag of de wegingsfactor als bedoeld in de Bijlage onder C van het Besluit proceskosten bestuursrecht door verweerder terecht is gesteld op 0,5.

Eiser heeft gesteld dat die factor op 1 moet worden gesteld en dat voor de kosten in de bezwaarfase conform artikel 7:15 Awb een bedrag van € 218,-- moet worden toegekend en voor de kosten in de beroepsfase € 437,-- ingevolge artikel 8:75 Awb. Voorts verzoekt eiser om vergoeding van het griffierecht.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de proceskosten juist zijn vastgesteld op respectievelijk € 109,-- in bezwaar en € 218,-- in beroep.

Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3.Beoordeling van het geschil

In de bij het Besluit proceskosten bestuursrecht behorende bijlage worden onder A4 de diverse proceshandelingen in bezwaar genoemd waarvan de kosten kunnen worden vergoed, alsmede de daaraan toe te kennen punten. Ingevolge B2 wordt in zaken als de onderhavige in bezwaar € 218,-- per punt toegekend. Ter bepaling van de hoogte van de te vergoeden bezwaarkosten moet het aldus verkregen bedrag worden vermenigvuldigd met één van de onder C1 genoemde wegingsfactoren, die gekoppeld zijn aan het gewicht van de zaak. De wegingsfactoren variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak.

Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval is voldaan aan de in artikel 7:15 van de Awb neergelegde voorwaarden voor een kostenvergoeding in bezwaar. Evenmin is in geschil dat, wat betreft de proceshandelingen waarvan de kosten vergoed kunnen worden, eiser 1 punt scoort voor het bezwaarschrift dat zijn gemachtigde namens hem heeft ingediend. De standpunten van partijen lopen echter uiteen waar het betreft de in aanmerking te nemen wegingsfactor: de gemachtigde van eiser is van oordeel dat het gaat om een zaak van gemiddeld gewicht (factor 1), verweerder stelt zich op het standpunt dat het hier gaat om een zeer lichte zaak en verwijst hiervoor naar de door hem vastgestelde ‘beleidsregel toepassing proceskosten bestuursrecht in fiscale procedures’ (hierna : de beleidsregel).

De rechtbank stelt vast dat in het Besluit proceskosten bestuursrecht niet geregeld is wanneer een zaak als zeer licht, licht, gemiddeld, zwaar of zeer zwaar moet worden gekwalificeerd. Aldus heeft verweerder beoordelingsruimte om dit nader in te vullen, wat is gebeurd bij de door hem vastgestelde beleidsregel.

In artikel 2 van de beleidsregel is bepaald, voor zover hier van belang, dat voor de toepassing van de wegingsfactoren, die zijn genoemd in onderdeel C.1. van de bijlagen bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, een zaak wordt aangemerkt als

a.zeer licht indien in geschil is: (2) een waarde van minder dan € 50.000,--;

b.licht indien in geschil is: (2) een waarde van € 50.000,-- of meer, maar minder dan € 100.000,--;

c.gemiddeld indien in geschil is: (2) een waarde van € 100.000,-- of meer, maar minder dan € 500.000,--;

d.zwaar indien in geschil is: (2) een waarde van € 500.000,-- of meer, maar minder dan € 2.500.000,--;

e.zeer zwaar indien in geschil is: (2) een waarde van € 2.500.000,-- of meer.

Verweerder is blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting van mening dat het gewicht aan de hand van de jurisprudentie en de beleidsregel als zeer licht (factor 0,25) moet worden aangemerkt. Uit de correspondentie tussen partijen in beroep blijkt dat verweerder het gewicht - in afwijking van zijn beleid - van de zaak als licht (0,5) heeft aangemerkt.

De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. De rechtbank acht een beleid, waarin de wegingsfactor afhankelijk is gemaakt van de grootte van het financiële belang van de zaak kennelijk onredelijk. De vergoeding dient immers gebaseerd te zijn op de verrichte werkzaamheden en dan is de gecompliceerdheid van de zaak maatgevend. De mate van gecompliceerdheid in WOZ-zaken is niet afhankelijk van het financiële belang. Daarbij dient bedacht te worden dat in het Besluit proceskosten bestuursrecht de vergoeding voor de proceskosten in bezwaar voor lokale heffingen reeds de helft bedraagt van de kostenvergoeding in een “normale” bestuursrechtzaak.

De rechtbank waardeert dan ook een zaak waarin het gaat om inhoudelijke standpunten in beginsel als gemiddeld met een factor 1. Bij louter formele kwesties, veelal uitmondend in een niet-ontvankelijkverklaring, of indien uitsluitend nog over de proceskostenvergoeding wordt geprocedeerd, is een lagere factor op zijn plaats.

Het bovenstaande betekent dat in de onderhavige zaak, waarin het in bezwaar om een inhoudelijke kwestie ging, verweerder niet in redelijkheid de wegingsfactor 0,5 heeft kunnen toepassen.

De rechtbank zal, met toepassing van artikel 8:75a van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede lid tot en met vierde lid, van de Awb, verweerder veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de rechtbank de proceskosten in bezwaar als volgt vast:

-kosten van het bezwaar € 218,-- (waarde per punt € 218,--: wegingsfactor 1);

-kosten van het deskundigenrapport € 241,77,

totaal derhalve € 459,77.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het voorts, gelet op het bepaalde in artikel 8:75a van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; € 437,-- per punt; wegingsfactor 1).

4.Beslissing

De rechtbank:

-veroordeelt verweerder in de proceskosten in bezwaar ad € 459,77;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep ad € 874,--;

-bepaalt dat verweerder het griffierecht ad € 41,-- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, rechter, en door haar en en M.H. van Wendel als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op: