Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ4851

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-05-2011
Datum publicatie
17-05-2011
Zaaknummer
Awb 10/1651
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Degene die meerdere percelelen feitelijk gebruikt, krijgt te maken met even zo vele belastbare feiten als bedoeld in artikel 1 van de verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1549
Belastingblad 2011/1074
V-N 2012/8.29.24
FutD 2011-1222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Belastingkamer

Registratienummer: Awb 10/1651

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

(…),

wonende te Zeewolde, eiseres,

en

de gemeentelijke heffingsambtenaar van de gemeente Zeewolde, verweerder.

1.Ontstaan en loop van het geding

Bij gecombineerde aanslag, gedagtekend 31 mei 2010, met nummer (…), heeft verweerder aan eiseres voor het adres (….) een aanslag afvalstoffenheffing en rioolrecht voor de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 december 2010 opgelegd ten bedrage van samen € 190,17. Eiseres heeft hiertegen bij brief van 9 juli 2010 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 9 augustus 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak op bezwaar is bij brief van 20 september 2010 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 7 oktober 2010 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 26 juli 2011 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen.

Verweerder is verschenen in de persoon van J. Heijna.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2.Het geschil

Blijkens de gronden van het beroep en het verhandelde ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder eiseres voor het belastingjaar 2010 over de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 december 2010 terecht voor de afvalstoffenheffing ad € 121,92 heeft aangeslagen.

Eiseres heeft gesteld dat de aanslag afvalstoffenheffing ten onrechte aan haar is opgelegd. Eiseres was op 1 januari 2010 met haar ouders woonachtig in het perceel(…) te Zeewolde en naar haar zeggen dus reeds belastingplichtig. Op 15 mei 2010 is zij zelfstandig gaan wonen in (…) te Zeewolde. Haar ouders bleven achter op de(…). Op grond van artikel 6, vierde lid van de verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2010 (hierna: de Verordening) meent eiseres dat voor haar daarom geen belastingplicht is ontstaan voor de woning (…). Ten onrechte heeft verweerder gesteld dat eiseres geen feitelijk gebruiker was van het perceel (…). Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom haar vader (…) als feitelijk gebruiker moet worden aangemerkt en eiseres niet als zodanig kan worden aangemerkt. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden van 17 oktober 2008 (LJN:BF9110) en de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 11 december 2008 (LJN:BH1415).

Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat eiseres terecht voor de afvalstoffenheffing inzake (..) is aangeslagen. Er is voor eiseres ten aanzien van (…) een nieuwe belastingplicht ontstaan. Het kan nooit de bedoeling zijn, dat voor een bewoond perceel in een bepaalde periode helemaal geen afvalstoffenheffing hoeft te worden betaald. Bij aankoop van een tweede woning binnen de gemeente ontstaat ook een nieuwe (tweede) belastingplicht.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3.Beoordeling van het geschil

In artikel 15.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat elke gemeente ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen, een heffing kan instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van die wet een verplichting voor de gemeente tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

In artikel 1, tweede lid van de Verordening is -voor zover van belang- bepaald, dat de afvalstoffenheffing wordt geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel.

In artikel 2, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat de afvalstoffenheffing wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. In het tweede lid, onder a, is opgenomen dat voor toepassing van het eerste lid als gebruiker wordt aangemerkt degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel.

Artikel 6 van de Verordening bevat de kop: “Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdgelang” en luidt verder als volgt:

1.De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalender- maanden overblijven.

3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalender- maanden overblijven.

4.Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.

Uit vorenstaand samenstel van regels leidt de rechtbank het volgende af:

Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat eiseres destijds als feitelijk gebruiker van het perceel (..) was aan te merken, nu eigendom, bezit, enig zakelijk of persoonlijk recht daarbij volgens de bewoordingen van artikel 2, tweede lid, onder a, niet van belang zijn.

Het beroep op de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2008 gaat echter niet op, nu uit bedoelde uitspraak blijkt, dat de gebruiker tevens is gedefinieerd als degene die op 1 januari van het kalenderjaar als zodanig in de gemeentelijke basisadministratie is vermeld. Een dergelijke definiëring staat niet vermeld in de Verordening van de gemeente Zeewolde. Het feit dat eiseres op 1 januari 2010 gebruiker was van (…) sluit dus niet uit, dat zij in de loop van dat jaar wordt aangemerkt als gebruiker van (…).

De belastingplicht is ingevolge de artikelen 1 en 2 van de Verordening zowel gerelateerd aan de feitelijk gebruiker, als ook aan een bepaald perceel. Daaruit vloeit voort, dat degene die meerdere percelen feitelijk gebruikt, te maken krijgt met even zovele belastbare feiten als bedoeld in artikel 1 van de Verordening. In het onderhavige geval is ten aanzien van eiseres een nieuw belastbaar feit opgekomen en daarmee een nieuwe belastingplicht ontstaan per 15 mei 2010.

Uit de kop van artikel 6 van de Verordening leidt de rechtbank af, dat het hier gaat om het verschuldigd zijn van de belasting. De rechtbank wijst erop, dat belastingplicht onderscheiden dient te worden van het verschuldigd zijn van belasting. De belastingplicht ontstaat, wanneer het belastbare feit zich voordoet, de belastingschuld ontstaat op 1 januari of daarna op de eerste dag van de maand en rust op degene die de aanslag krijgt opgelegd.

Het eerste lid van artikel 6 maakt duidelijk, dat de belastingplicht later kan aanvangen dan bij het begin van het belastingjaar, en dat dan ook pas later belasting is verschuldigd. Dit is voor eiseres het geval. Haar is dan ook terecht een aanslag opgelegd ter zake van het gaan gebruiken van (..) op 15 mei 2010. Artikel 6, vierde lid, staat hieraan niet in de weg, omdat het eerste lid niet door het vierde lid wordt aangetast.

Het tweede lid geeft aan, over welke maanden belasting is verschuldigd als de belastingplicht in de loop van het jaar begint; het derde lid geeft aan over welke maanden aanspraak op ontheffing bestaat voor de verschuldigde belasting als de belastingplicht in de loop van het jaar eindigt. Indien degene die over een heel jaar belasting is verschuldigd, verhuist binnen de gemeente, is de voor het nieuwe adres verschuldigde belasting evenveel als de aanspraak op ontheffing van de belastingschuld terzake van het oude adres. Om nodeloze werkzaamheden te voorkomen is voor die situatie in artikel 6, vierde lid, een oplossing gegeven: Door de daarin geregelde gezamenlijke uitschakeling van het tweede en derde lid van artikel 6 vindt als het ware een automatische verrekening plaats tussen de verschuldigde belasting en de aanspraak op ontheffing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel feitelijk in gebruik neemt.

In de situatie van eiseres is echter geen sprake van een “voor dat jaar verschuldigde belasting” ter zake van (…), nu niet eiseres maar haar vader daarvoor werd aangeslagen. Eiseres kan dus ook geen aanspraak maken op de ontheffing als bedoeld in het derde lid van artikel 6. Van een verrekening met de ter zake van (…) verschuldigde belasting kan dan evenmin sprake zijn, zodat het vierde lid van artikel 6 niet ziet op de situatie van eiseres.

Hoewel het wellicht duidelijker geweest zou zijn als in het vierde lid van artikel 6 van de Verordening de term belastingschuldige was gebruikt in plaats van belastingplichtige, acht de rechtbank artikel 6, in samenhang met de kop bezien, maar voor één uitleg vatbaar, welke uitleg hierboven is gegeven.

Het beroep is derhalve ongegrond.

4.Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskosten-veroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, rechter, en daar haar en M.H. van Wendel als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

De griffier is buiten staat te tekenen.

Afschrift verzonden op: