Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ4846

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
175339 - HA ZA 10-1201
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroorzaken van onrechtmatige hinder door een opbouw op een woning waardoor blinde muur van 5,5 meter ontstaat.

De vordering tot afbraak wordt toegewezen: het hebben van een bouwvergunning met formele rechtskracht vrijwaart de houder die overeenkomstig de bouwvergunning bouwt niet van aansprakelijkheid wegens het veroorzaken van onrechtmatige hinder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2011/92
NJF 2011/376
Gst. 2012/115 met annotatie van J.W. van Zundert
JOM 2012/377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 175339 / HA ZA 10-1201

Vonnis van 16 maart 2011

in de zaak van

1. [A],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

3. [C],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. P. Buikes te Apeldoorn,

tegen

1. [D],

wonende te [woonplaats],

2. [E],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer.

Partijen zullen hierna [A c.s.], [A], [B], [C] en [D en E] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de akte ex artikel 111 lid 3 Rv

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in voorwaardelijke reconventie

- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie

- het tussenvonnis van 24 november 2010

- de comparitie van partijen ter plaatse van 2 februari 2011

- de schriftelijke uitlating van [D en E] over het proces-verbaal.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] en [B], echtelieden, bewonen een koopwoning met voor- en achtertuin aan de [straat] 10 te [woonplaats]. [C] bewoont de naastgelegen koopwoning aan de [straat] 12.

2.2. [D en E] is sinds 27 december 2007 eigenaar van het woonhuis met aanbouw, tuin c.a. aan de [straat] 39 te [woonplaats]. Dit woonhuis, bestaande uit twee verdiepingen, heeft aan de achterzijde een aanbouw. Die aanbouw bestond aanvankelijk alleen uit een begane grond. De aanbouw grenst, gescheiden door een circa één meter breed pad, aan de achtertuinen van [A c.s.] en [C].

2.3. Dat pad behoort voor de ene helft aan [A c.s.] en [C] toe en voor de andere helft aan [D en E] Er rust een erfdienstbaarheid op het pad.

2.4. [D en E] heeft op 6 juli 2009 bij de gemeente [woonplaats] een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor het gedeeltelijk vergroten van de achterzijde van de woning aan de [straat]. Altun bewoont het woonhuis niet zelf, maar wenst daarin kamers te verhuren aan derden. Hij heeft daartoe een kamerverhuurvergunning verkregen.

2.5. [D en E] heeft zijn bouwplannen niet voor de bouw aan [A c.s.] en [C] bekend gemaakt.

2.6. De gemeente [woonplaats] heeft bij besluit van 16 oktober 2009 aan [D en E] een bouwvergunning verleend. In de motivering van dat besluit staat dat de uitbreiding van de woning grotendeels buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd met een van de voorschriften afwijkende dakhelling en goothoogte, zodat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Ex artikel 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening is daarvan door de gemeente ontheffing verleend.

2.7. Tegen het voornoemde besluit van de gemeente heeft bezwaar opengestaan. [A c.s.] en [C] hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2.8. [D en E] heeft begin april 2010 een aanvang gemaakt met de bouwwerkzaamheden, waarmee bovenop de aan het pad grenzende aanbouw een opbouw ten behoeve van een woonruimte gerealiseerd zou worden. Daartoe wilde [D en E] onder meer een spouwmuur optrekken die gedeeltelijk op het aan partijen toebehorende pad zou komen te staan.

2.9. [A c.s.] en [C] hebben tegen het optrekken van de spouwmuur bezwaar gemaakt. Bij aangetekend schrijven van 25 april 2010 aan [D en E] hebben [A c.s.] en [C] via hun advocaat bezwaar gemaakt tegen de realisatie van de opbouw en is [D en E] verzocht daarover met hem in overleg te treden. [D en E] heeft op die brief niet gereageerd.

2.10. Bij dagvaarding van 20 mei 2010 hebben [A c.s.] en [C] in kort geding onder meer staking van de bouwwerkzaamheden door [D en E] gevorderd. Bij vonnis van 18 juni 2010 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW en is [D en E] veroordeeld om alle verdere bouwwerkzaamheden met betrekking tot zijn pand aan de [straat] te [woonplaats] te staken en gestaakt te houden.

2.11. [A c.s.] en [C] hebben op 5 augustus 2010 een waardetaxatie van hun woning laten uitvoeren door Koophuis Makelaars. In het taxatierapport van de taxateurs A.G. Bijker en H. Heerspik van de woning van [C] staat dat de onderhandse verkoopwaarde van de woning EUR 123.000,00 was en dat deze waarde na het uitvoeren van het bouwwerk is verminderd tot EUR 112.000,00. In het taxatierapport van de woning van [A c.s.] staat een vermindering van de onderhandse verkoopwaarde van de woning genoemd van EUR 119.000,00 naar EUR 112.000,00.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [A c.s.] en [C] vorderen uit hoofde van onrechtmatige hinder - samengevat - primair veroordeling van [D en E] om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis tot volledige afbraak van het door hem gebouwde over te gaan op straffe van een dwangsom. Subsidiair vorderen zij wegens ontoelaatbare hinder veroordeling van [D en E] tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Ook vorderen zij veroordeling van [D en E] in de proceskosten.

3.2. [D en E] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4. Indien de vorderingen in conventie worden toegewezen, vordert [D en E] - samengevat - voor recht te verklaren dat [A c.s.] en [C] aansprakelijk zijn voor de door [D en E] geleden en nog te lijden schade, met hun veroordeling tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vermeerderen met wettelijke rente en kosten.

3.5. [D en E] grondt het gevorderde, samengevat, op de stelling dat de schade van [D en E] zich niet zou hebben gemanifesteerd indien [A c.s.] en [C] tijdig bezwaar zouden hebben gemaakt. De kosten van de uitbouw bedragen EUR 43.800,00 en ook aan de sloop zullen kosten verbonden zijn. Ook lijdt [D en E] schade omdat hij minder inkomsten uit kamerverhuur zal genereren.

3.6. [A c.s.] en [C] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

4.1. Allereerst dient te worden beoordeeld of [A c.s.] en [C] in hun vorderingen kunnen worden ontvangen nu [D en E] zich primair beroept op niet-ontvankelijkheid van [A c.s.] en [C]. [D en E] betoogt dat hij een onherroepelijke bouwvergunning heeft ontvangen zodat [A c.s.] en [C] zich tot de gemeente dienen te wenden voor het verkrijgen van (plan)schade en niet tot hem.

4.2. Zoals ook al door de voorzieningenrechter is geoordeeld, vrijwaart het hebben van een bouwvergunning met formele rechtskracht de houder die overeenkomstig die bouwvergunning bouwt niet van aansprakelijkheid wegens het veroorzaken van onrechtmatige hinder (Hoge Raad 21 oktober 2005, JOR 2006, 116). Het antwoord op de vraag of en in hoeverre een door de overheid verstrekte vergunning invloed heeft op de beoordeling van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van degene die overeenkomstig de hem verstrekte vergunning handelt, doch daarbij schade of hinder toebrengt aan derden, hangt af van de aard van de vergunning en het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust, zulks in verband met de omstandigheden van het geval (HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278). Daarbij heeft te gelden dat de vergunninghouder er in het algemeen op mag vertrouwen dat de vergunning overeenkomstig de wet is verleend en de overeenkomstig de wet in aanmerking te nemen belangen door de vergunningverlenende instantie volledig en op juiste wijze zijn afgewogen, en dat hij gerechtigd is van die vergunning gebruik te maken.

4.3. [D en E] betoogt dat alleen sprake kan zijn van onrechtmatigheid in geval van bijzondere omstandigheden, waarvan hier geen sprake zou zijn. Het tegenhouden van licht door de opbouw is niet ernstig genoeg om van onrechtmatige hinder te spreken, aldus [D en E]

4.4. De rechtbank stelt vast dat de gemeente [woonplaats] het bouwplan van [D en E] in strijd heeft geoordeeld met het bestemmingsplan, maar dat zij daarvan niettemin ontheffing heeft verleend. Op welke gronden zij dat heeft gedaan en of de gemeente daarbij mede een afweging heeft gemaakt van de onderlinge belangen van de betrokken burgers, zoals [A c.s.] en [C], daarover is door [D en E] in het geheel niets gesteld, noch anderszins gebleken. Gezien het vorenstaande mocht [D en E] er dan ook niet zonder meer op vertrouwen dat de belangen van de omwonenden waren gewogen en tegen het door hem met de vergunning op te richten bouwwerk civielrechtelijk niet meer met succes bezwaar zou kunnen worden opgetreden. Het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

4.5. Daarmee ligt de vraag voor of [D en E] met de door hem gerealiseerde opbouw onrechtmatige hinder toebrengt aan [A c.s.] en [C] in de zin van artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Volgens dat artikel mag een eigenaar van een erf niet aan de eigenaar van een ander erf hinder toebrengen op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, zoals door het onthouden van licht en lucht.

4.6. De vraag of hinder onrechtmatig is, hangt af van de aard, ernst en duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. Voorts is mede van belang of degene die zich beklaagt over de hinder zich ter plaatse heeft gevestigd voor dan wel na aanvang van de hinderveroorzakende activiteiten. In dat laatste geval zal hij een zekere mate van hinder eerder hebben te dulden.

4.7. [A c.s.] en [C] hebben tegen de door [D en E] gerealiseerde opbouw de volgende bezwaren aangevoerd:

- er is sprake van permanent verminderd dag- en zonlicht in de achtertuinen en in de woningen, waarbij de lichtinval in de winter vrijwel geheel wegvalt;

- er zal geen frisse lucht in de tuinen en de woningen waaien;

- men kijkt nu uit op een blinde muur, terwijl men voordat de opbouw werd geplaatst zowel vanuit de woonkamer, als vanaf het terras in de achtertuin, zicht had op de verder weg gelegen bebouwing en op de lucht;

- de opbouw veroorzaakt een kokereffect;

- de opbouw lijdt tot een vermindering van de economische waarde van de woningen van [A c.s.] en [C].

[A] c.s en [C] betogen dat bij afweging van de belangen van partijen, hun belang om ten volle gebruik te kunnen maken van hun eigendom, frisse lucht en zonlicht zoals voor de bouw het geval was, dient te prevaleren boven het belang van [D en E] als kamerverhuurder bij de opbouw.

4.8. De rechtbank heeft de situatie ter plaatse in ogenschouw genomen en overweegt naar aanleiding daarvan het volgende. [D en E] heeft met de opbouw een hoge blinde muur opgericht van ongeveer 6,2 meter breedte en 5,5 meter hoogte. Die muur staat zeer dicht op de (erfafscheiding van de) woningen van [A c.s.] en [C]. Voordat de opbouw was gemaakt, keken [A c.s.] en [C] uit op een aanbouw waarvan de zijmuur 2,5 meter hoog was. Die aanbouw was voorzien van een plat dak. Waar zij eerder zicht hadden op verder gelegen bebouwing, bomen en de lucht, resteert voor [A c.s.] en [C] na de opbouw slechts zicht op een hoge blinde muur. De afstand tussen de tuindeuren van de woningen van [A] en [C] en de blinde muur is slechts 6 meter. In de woning komt minder licht binnen als gevolg van de opbouw, terwijl ook het zonlicht op de achtertuinen, die op het zuiden liggen, gedurende een groot deel van de dag belemmerd wordt. Naar [A] c.s en [C] onbetwist gesteld hebben, ontstaat door de opbouw in de zomer in de tijd van 10.30 uur tot 15.00 uur schaduw, waar zij eerder zon in de tuin hadden. Het effect dat de hoge muur op het zon- en daglicht heeft, is evident. Dat [C], naar [D en E] nog ten verwere aangevoerd heeft, in het verleden bij zon gebruik maakte van een zonnescherm, doet daar niet toe of af. [A c.s.] en [C] verliezen permanent (zon)licht en uitzicht als gevolg van de opbouw. Tevens is door de opbouw een blinde muur ontstaan met een aanzienlijke hoogte, 5,5 meter, die bovendien zo dicht op de omliggende woningen staat dat daardoor een kokereffect ontstaat. [A c.s.] en [C] hebben meegedeeld dat zij zich daardoor opgesloten voelen, wat niet onaannemelijk is. Naar [A c.s.] en [C] bovendien onderbouwd gesteld hebben leidt de opbouw tot een niet geringe waardevermindering van de woning, waarbij de rechtbank in het midden zal laten om welk bedrag het daarbij precies gaat nu partijen daarover van mening verschillen.

4.9. Voormelde door de rechtbank geconstateerde feiten leveren naar haar oordeel hinder op en wel zodanig ernstig, dat gesproken dient te worden van onrechtmatige hinder. De rechtbank laat dan nog daar dat [D en E] de woning heeft aangekocht ruimschoots nadat [A c.s.] en [C] daar woonachtig waren en de noodzaak voor [D en E] om de opbouw te realiseren uitsluitend bestaat uit het realiseren van financieel gewin door middel van kamerverhuur.

4.10. [D en E] heeft ter comparitie nog aangevoerd dat hij de opbouw kan wijzigen door een dakschild aan te brengen onder een hoek van 60 graden. Daardoor zal de blinde muur vanaf een bepaald punt (één meter vanaf de dakrand) niet recht zijn, maar schuin aflopen. Anders dan [D en E] bij de rechtbank ingang wil doen vinden, biedt een dergelijke wijziging onvoldoende soelaas tegen het kokereffect en de verminderde lichtinval en wordt het uitzicht daar niet anders van, zodat de hinder daarmee slechts in zeer geringe mate, dus onvoldoende om de onrechtmatigheid daarvan weg te nemen, wordt ingeperkt. De blinde muur blijft immers na het doorvoeren van de wijziging nog steeds ruim 4 meter hoog. Dat betekent dat bij afweging van de belangen er geen andere oplossing is dan de algehele afbraak van de opbouw door [D en E]

4.11. [D en E] heeft nog aangevoerd dat die afbraak leidt tot een onevenredige benadeling nu met de realisatie van de aanbouw een bedrag van EUR 43.800,00 gemoeid is. Aan [D en E] kan worden toegegeven dat het beter ware geweest dat [A c.s.] en [C] direct bezwaar hadden gemaakt tegen de aanvraag van de bouwvergunning. Het feit dat zij dat niet hebben gedaan, maakt hun handelen echter nog niet onzorgvuldig in de zin van onrechtmatig jegens [D en E] Noch daargelaten het feit dat [D en E] niet onderbouwd heeft gesteld dat hij voormeld bedrag inmiddels al kwijt is aan bouwkosten, geldt dat [A c.s.] en [C] kort na het begin van de bouwactiviteiten al bij [D en E] bezwaar hebben gemaakt tegen de bouw en dat [D en E] niettemin, naar [A c.s.] en [C] gesteld hebben "met vliegende vaart", is blijven doorbouwen. Dat [D en E] zoals hij daartegen heeft aangevoerd verplichtingen naar de aannemer had, laat onverlet dat hij de bouw in samenspraak met de aannemer tijdelijk had kunnen staken. Door dat na te laten heeft hij en dus niet [A c.s.] en [C], zijn financiële nadeel vergroot zodat hij dat niet aan hen kan tegenwerpen. In ieder geval doet een en ander niet af aan de door de rechtbank vastgestelde door [D en E] veroorzaakte onrechtmatige hinder. Mede gelet op wat al in r.o. 4.4. is overwogen, zijn voor schadevergoeding aan [D en E] rechtens geen termen aanwezig.

4.12. Uit al het vorenstaande volgt dat de primair door [A c.s.] en [C] gevorderde afbraak onder de hierna als redelijk te achten termijnen zal worden toegewezen en dat de in (voorwaardelijke) reconventie door [D en E] gevorderde schadevergoeding dient te worden afgewezen. De door [A c.s.] en [C] gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt. De kosten van taxatie ad EUR 357,00 per eiser kunnen worden aangemerkt als kosten voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW en dienen door [D en E] aan [A c.s.] en [C] te worden vergoed.

4.13. [A c.s.] en [C] vorderen tevens vergoeding van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van EUR 5.000,00. Hoewel [D en E] de hoogte van dat bedrag niet betwist hebben, zal de rechtbank het bedrag bij gebrek aan onderbouwing ambtshalve matigen conform rapport Voorwerk II tot 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief, zijnde EUR 768,00.

4.14. [D en E] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A c.s.] en [C] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 97,45

- vast recht 314,00

- salaris advocaat 768,00 (2 punt × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.179,45

4.15. In reconventie zal [D en E] eveneens als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A c.s.] worden begroot op:

salaris advocaat: EUR 192,00 (1 punt × factor 0,5 × tarief EUR 384,00).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [D en E] hoofdelijk tot volledige afbraak van het door hem gebouwde voor zover het de opbouw betreft, aan te vangen binnen twee weken na betekening van het vonnis en uiterlijk te voltooien binnen drie maanden daarna,

5.2. veroordeelt [D en E] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [A c.s.] en [C] een dwangsom te betalen van EUR 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 75.000,00 is bereikt,

5.3. veroordeelt [D en E] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan zowel aan [A c.s.] als aan [C] te betalen een bedrag van EUR 357,00, zijnde de kosten van taxatie,

5.4. veroordeelt [D en E] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [A c.s.] en [C] te betalen een totaalbedrag van EUR 768,00 wegens buitengerechtelijke kosten,

5.5. veroordeelt [D en E] in de proceskosten, aan de zijde van [A c.s.] tot op heden begroot op EUR 1.179,45,

5.6. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.8. wijst de vorderingen af,

5.9. veroordeelt [D en E] in de proceskosten, aan de zijde van [A c.s.] en [C] tot op heden begroot op EUR 192,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.A.M. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.