Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ2949

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
54733 VV 11-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Kort geding. Na eerdere ontmanteling van een hennepplantage en plaatsing van het woonadres op de Top-30-lijst van probleemadressen houdt de ernstige overlast aan, in hoofdzaak veroorzaakt door herhaalde ruzies tussen huurster en haar partner. Het gedrag van haar partner moet aan huurster worden toegerekend. Ingezette therapien en hulpverlening te ongewis. Uitkomst bodemprocedure kan gezien de dreigende escalatie niet worden afgewacht, zodat ontruiming is aangewezen. Afwijzing contact- en straatverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie [woonplaats]

zaaknr.: 547334 VV 11-14

datum : 12 april 2011

Vonnis in het kort geding van:

de stichting STICHTING WOONBEDRIJF IEDER 1,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres, hierna te noemen: ‘verhuurster’,

gemachtigde mr. H.J. ter Meulen, advocaat te Best,

tegen

[gedaagde partij],

wonende te [woonplaats] aan [straatnaam]

gedaagde, hierna te noemen: ‘huurster’,

gemachtigde mw. mr. M.B.W.G. Beutener, advocaat te [woonplaats],

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 25 maart 2011 met producties houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad;

- de bij faxbrief d.d. 4 april 2011 nader door verhuurster ingezonden productie en

- de bij brief d.d. 4 april 2011 door huurster ingezonden producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 april 2011. Verschenen zijn:

- namens verhuurster de heer [S], klant-/woonconsulent bij verhuurster, bijgestaan door mr. Ter Meulen voormeld, en

- huurster, bijgestaan door mw. mr. Beutener voormeld.

Verhuurster en huurster hebben op deze zitting hun standpunten doen toelichten (huurster aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de kantonrechter zijn overgelegd) respectievelijk toegelicht en geantwoord op vragen van de kantonrechter.

Het geschil

De vordering van verhuurster tot het treffen van een voorlopige voorziening strekt ertoe dat:

I. huurster zal worden veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het daartoe te wijzen vonnis de woning te [woonplaats] aan [straatnaam] te ontruimen en te verlaten, met al het hare en al de personen die zijdens haar in die woning verblijven en die woning ter vrije en algehele beschikking van verhuurster te stellen, onder afgifte van de sleutels op het kantoor van verhuurster;

II. huurster zal worden verboden om gedurende een periode van één jaar zich te bevinden in het gebied (een driehoek) dat gevormd wordt door de straten [X], [Y] en [Z] te [Woonplaats]

III. huurster zal worden verboden om gedurende één jaar na betekening van het daartoe te wijzen vonnis - anders dan via haar advocaat - persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met verhuurster;

IV. een en ander onder bepaling dat huurster een dwangsom van € 500,00 per overtreding van een van voormelde verboden, met bepaling dat aan dwangsommen maximaal € 25.000,00 kan worden verbeurd;

onder veroordeling van huurster in de kosten van de procedure.

Huurster heeft de vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. Verhuurster verhuurt sinds 1 oktober 1998 de woning aan het [straatnaam]te [woonplaats] aan huurster. De belendende woningen worden eveneens door verhuurster verhuurd. De woning is gelegen in de wijk ‘[K]’.

b. Bij brief van 16 september 2008 heeft verhuurster gerefereerd aan de inval door de politie in haar woning en de constatering van de aanwezigheid van een hennepplantage. Verhuurster heeft huurster daarop gewaarschuwd dat indien nogmaals wordt geconstateerd dat zij hennep verbouwt, onmiddellijk de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning zal worden nagestreefd. In die brief is voorts gemeld:

‘Woonbedrijf ieder1 is op allerlei fronten actief in de wijk om de leefbaarheid te verbeteren. Het succes van deze investeringen valt of staat met de medewerking van de bewoners van de wijk. Wij rekenen ook op uw positieve bijdrage de leefbaarheid en het imago te verbeteren.’

c. Sinds eind 2008 heeft huurster een relatie met de heer [W]. Deze verblijft sinds medio 2009 geregeld in de woning van huurster.

d. Bij brief van 25 juni 2009 heeft [A], wijkconsulent, huurster bericht - samengevat - dat zij heeft gehoord dat het laatste tijd niet goed gaat, dat zij en ook de politie klachten heeft ontvangen over overlast en dat zij daarover met huurster in gesprek wil.

e. Op 25 mei 2010 heeft huurster aangifte gedaan bij de politie tegen haar buurman [N], woonachtig op [straatnaam] (hierna [N]), ter zake van mishandeling, gepleegd op 24 mei 2010. [N] is door de politie gehoord en heeft een ontkennende verklaring afgelegd.

f. Op 14 juni 2010 is door de daaraan deelnemende partners (Woningbouwvereniging Rentree, verhuurster, Politie IJsselland en gemeente [woonplaats]) het convenant ‘Pilot Sluitende aanpak woonoverlast [woonplaats]’ ondertekend. Het doel van die samenwerking is een gezamenlijke, sluitende en duurzame aanpak in de vorm van het nemen van preventieve en repressiever maatregelen teneinde woonoverlast te voorkomen en te bestrijden, zodat het woonklimaat verbetert. In dat kader is door de ketenpartners een Top-30 opgesteld van probleemadressen, van waaruit de overlast al lang voortsleept of bijzonder ernstig of complex is, en waar (nog) geen uitzicht bestaat op oplossing.

g. Het adres ‘[straatnaam]’ is vanwege de ervaren ernst van de woonoverlast in voormelde Top-30 opgenomen.

h. Bij aangetekende brief van 27 augustus 2010 heeft verhuurster aan huurster medegedeeld:

‘Woonbedrijf ieder1 ontvangt al geruime tijd klachten van meerdere omwonenden in verband met ernstige overlast veroorzaakt in, vanuit en rondom de door u gehuurde woning aan het [straatnaam]te [woonplaats].

De klachten betreffen geluidsoverlast, bedreiging, intimidatie, geweld en alcoholmisbruik. Bij alle klachten wordt door omwonenden vaak de naam van de heer

In artikel 7.3.a van de algemene huurvoorwaarden zelfstandige woning staat dat ‘huurder het gehuurde zal gebruiken en onderhouden, zoals het een goed huurder betaamt’. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat huurder aan omwonenden geen overlast of hinder veroorzaakt. Dit geldt ook voor huisgenoten, huisdieren of derden die zich vanwege huurder in het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden.

Onder overlast wordt onder meer verstaan: iedere vorm van overlast, zoals geluidsoverlast, overlast als gevolg van bijvoorbeeld alcoholgebruik, drugsgebruik, drugshandel, prostitutie, in of nabij het gehuurde en (huis)dieren die overlast veroorzaken.

Voor de goede orde benadrukken wij dat u als huurder verantwoordelijk bent voor alle overlast die de heer [W] in, vanuit en rondom de door u gehuurde woning veroorzaakt. Middels deze brief willen wij u dan ook dringend verzoeken te stoppen met het veroorzaken van elke vorm van overlast en verzoeken wij u de confrontatie met de heer [W] voortaan te vermijden.

Wij vertrouwen erop dat u gehoor geeft aan deze brief. Blijft u in gebreke, dan riskeert u een juridische procedure ter ontbinding van de huurovereenkomst.’

Huurster ontkent de ontvangst die brief.

i. In het weekend van 13 en 14 november 2010 is de politie ter plaatse van het [straatnaam]geweest in verband met een huiselijke twist tussen huurster en [W].

j. In het tweewekelijkse casusoverleg tussen voormelde ketenpartners d.d. 22 november 2010, aangevuld met een vertegenwoordiger van Tactus Verslavingzorg, is verhuurster geadviseerd om te starten met een procedure ter beëindiging van de huurovereenkomst.

k. De wijkagent van het team [woonplaats]-Centrum, mw. [V], heeft bij brief van 24 november 2010 betreffende ‘[straatnaam]’aan verhuurster gemeld:

‘In mijn functie van wijkagent ben ik geregeld geconfronteerd met de bewoners van het perceel [straatnaam]en de naaste bewoners van dit pand.

Geregeld ben ik door buurtbewoners benaderd met de vraag wat wij als organisatie aan de overlast die de bewoners van het genoemde pand veroorzaken kunnen doen. Zij hebben bij mij geklaagd over bedreigingen, intimidaties en overlast. Er is door niemand aangifte gedaan van deze feiten uit angst voor represailles.

In onze systemen komen diverse meldingen op dit adres voor. Ook zijn er een aantal meldingen te vinden over de bewoners aan het [straatnaam] op het perceel [G]. De meldingen op dit adres, waar de bewoners van het [straatnaam] debet aan zijn geweest, zijn opgenomen in onderstaande telling.

Hieronder vindt u een overzicht van de meldingen die bij de Politie zijn binnengekomen vanaf mei 2009. Ook zijn hier de anonieme meldingen die ik rechtstreeks heb ontvangen bij opgeteld.

- Geluidsoverlast 6 x

- Ruzie / huiselijke twist / mishandeling / burenconflict 31 x

- Softdrugs 1 x (…)’

l. Op zondag 20 februari 2011 (03.27 uur) is de politie op een melding over ruzie bij het adres [straatnaam] ter plaatse gekomen. Huurster is vervolgens aangehouden voor openbare dronkenschap.

m. [N] heeft op 26 februari 2011 (16.15 uur) bij de politie gemeld dat huurster hardhandig door [W] de deur van haar woning is uitgezet en dat hij huurster meerdere

malen heeft horen roepen dat ‘zij de gaskraan zou opendraaien en de boel zou laten ontploffen’.

n. Op 27 februari 2011 (ca. 05.00 uur) is de politie op meerdere meldingen dat huurster door [W] werd lastiggevallen ter plaatse gekomen. [W] is vervolgens aangehouden voor de mishandeling van huurster. [W] is later die dag door de politie gehoord en heeft een ontkennende verklaring afgelegd. Hij heeft in dat verband onder meer verklaard - zakelijk weergegeven - dat huurster alles verzint, dat hij lag te slapen, dat zij hartstikke dronken was, dat zij het letsel aan haar gezicht wel gekregen heeft door te vallen, dat tussen hem en huurster nu over en uit is, dat hij aangifte tegen huurster wil doen van het doen van een valse aangifte, dat hij het altijd heeft gedaan, dat huurster van die rare nukken heeft en dat zij gewoon voor haar zelf hulp moet zoeken.

o. Mw. [O], medewerkster van de tactische recherche van de Regiopolitie IJsselland, team [woonplaats], heeft op basis van de gebeurtenissen op 26 en 27 februari 2011 aan diverse vertegenwoordigers van voormelde ketenpartners laten weten dat ‘de kans dat het snel weer gaat escaleren ZEER groot is’ (met toevoeging van 10 uitroeptekens).

p. De heer [T], reclasseringswerker bij Tactus Verslavingszorg te Zwolle, heeft bij e-mailbericht van 31 maart 2011 aan de gemachtigde van huurster medegedeeld dat [W] sinds september 2010 reclasseringstoezicht heeft en wordt begeleid, dat hij zijn afspraken met Tactus goed nakomt en zich begeleidbaar opstelt, dat [W] productiewerk verricht, dat zijn werkgever over hem tevreden is, dat zijn contract nog per december 2010 is verlengd, dat sprake lijkt te zijn van sporadisch alcoholmisbruik, dat er sprake is van een gering probleeminzicht, geringe probleemhantering en agressie-impulsen (versterkt door excessief alcoholgebruik) en dat [W] inmiddels is gestart met een individuele therapie om aan die problematiek te werken bij de forensische verslavingspolikliniek JustAct van Tactus.

q. Huurster heeft zich aangemeld voor individuele therapie, eveneens te volgen bij voormelde polikliniek JustAct. De verwachting is dat die therapie eind april 2011 voor huurster zal kunnen aanvangen. Huurster ontvangt al langere tijd ondersteuning van het maatschappelijk werk van het Bijzonder Zorg Team [woonplaats] van Carinova te Raalte alsmede van het team Huiselijk Geweld van die organisatie.

r. De werkgever van huurster heeft op 1 april 2011 schriftelijk verklaard tevreden te zijn over haar functioneren en haar te zien als een collegiale, loyale en betrouwbare werkneemster met zeer goed werktempo.

s. Op 5 april 2011 heeft verhuurster een bodemprocedure jegens huurster aanhangig gemaakt, onder meer strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst.

De vordering

Verhuurster heeft samengevat het volgende aan de vordering ten grondslag gelegd.

Huurster dient zich als een goed huurder te gedragen. Die verplichting komt zij stelselmatig niet na, doordat al langere tijd sprake is van klachten over overlast, bedreigingen en intimidaties door huurster of haar partner. Het zijn met name de ruzies en de mishandelingen in de relatie tussen huurster en [W] die de buurt angst inboezemen, gevoegd bij de agressie van [W] en diens intimidatie van wijkbewoners. Die klachten blijken genoegzaam uit de omstandigheid dat het adres van huurster voorkomt op de Top-30-lijst van probleemadressen, de opgaaf van de wijkagent, de verklaringen van [N] en het anonieme sfeerverslag van een andere wijkbewoner. Uit angst voor represailles durven andere wijkbewoners geen op naam gestelde verklaringen af te geven. De situatie is eind februari 2011 wederom geëscaleerd, waarbij huurster heeft geroepen dat zij de boel zou laten ontploffen. Duidelijk is dat voor zowel verhuurster als de wijkbewoners de maat vol is, wat niet uit de lucht komt vallen nu de overlast al vanaf begin 2009 speelt. Ook los daarvan heeft huurster wanprestatie gepleegd doordat in september 2008 is gebleken dat zij in haar woning een hennepplantage had. Aangezien huurster kennelijk niet bereid is dan wel niet in staat is om aan het overlastgevend gedrag een einde te maken, rest er niets anders dan een beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming uit het gehuurde. Vooruitlopend op het vonnis in de bodemprocedure heeft verhuurster een spoedeisend belang bij een ontruiming, gekoppeld aan een straat- en contactverbod. De buurtbewoners zijn doodsbang geworden door de vecht- en scheldpartijen op straat en de bedreigingen die door huurster en [W] tegen hen worden geuit. Van fatsoenlijk woongenot kan niet meer worden gesproken; buurman [N] heeft inmiddels zijn heil in België gezocht en wil pas terugkomen indien er een oplossing is. Er is sprake van een onhoudbare en gevaarlijke situatie die op een zo kort mogelijke termijn dient te eindigen. Bij een ontruiming moet worden gevreesd dat huurster de omwonenden zal bedreigen of anderszins het leven zuur zal maken of beschadigingen zal toebrengen. Huurster moet dan ook worden verboden om een periode in de wijk te komen. Uit oogpunt van bescherming van haar medewerkers heeft verhuurster er een groot belang bij dat huurster het niet zal zijn toegestaan om zelf contact met verhuurster op te nemen. Immers, huurster noch [W] deinst er voor terug om tegenover verhuurster haar ongenoegen over een ontruiming kenbaar te maken en medewerkers daar persoonlijk op aan te spreken.

Het verweer

Huurster heeft samengevat het volgende ter afwering aangevoerd.

Er is al geen reden voor een voorlopige voorziening omdat niet gebleken is van recente overlast zodanig dat een bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Huurster is een sociale vrouw die geleden heeft onder het gewelddadige verleden met haar ex-man; met hulp van [W] heeft zij hem uit haar leven weten te bannen. De buurt accepteert [W] echter niet vanwege diens verleden, terwijl [W] vanaf 2008 een vruchtbare omslag in zijn leven heeft gemaakt. Als gevolg van angstaanvallen en paniek, zoekt huurster soms een toevlucht in drankgebruik en dat heeft een aantal maal tot ruzies met [W] geleid. Vanaf medio 2009 bevindt huurster zich echter in rustiger vaarwater. Sindsdien zijn nog slechts drie incidenten geweest: in mei 2010, november 2010 en februari 2011. Medio 2010 zijn er conflicten ontstaan met [N] en de zijnen, die zich ten onrechte tegen huurster en [W] keren. Er is geen sprake van overlast geweest anders dan de ruzies tussen haar en [W]. Er zijn geen bedreigingen of vernielingen geweest. Alle meldingen komen uit één en dezelfde bron, te weten [N] en consorten die kennelijk een belang hebben bij huursters woning. Er zijn dan ook regelmatig valse meldingen geweest. [N] heeft huurster ook op 24 mei 2010 ernstig mishandeld. [N] is geen slachtoffer maar dader. Dat [N] naar België is gevlucht is overtrokken nu hij ieder voorjaar naar België gaat om daar te venten. Om die reden is ook na mei 2010 rustig geweest. In november 2010 heeft [N] huurster door een derde laten bedreigen, waarvan huurster zoveel spanning en angsten kreeg dat er toen weer ruzie met [W] ontstond. Het sfeerverslag is onduidelijk, gelijk de herkomst. De leidsters van het nabijgelegen kinderdagverblijf melden dat zij geen enkele hinder van huurster ondervinden. Het is ook onjuist om uit te gaan van de opgaaf van alleen de wijkagent. Verhuurster heeft huurster ook onvoldoende in staat gesteld om eventuele overlast te doen stoppen. De brief van 27 augustus 2010 kent zij niet en verhuurster heeft tot geen enkele hulpverlening het initiatief genomen. Carinova lijkt steken te hebben laten vallen nu zij niets met huurster heeft besproken van wat tijdens het tweewekelijkse casusoverleg aan de orde kwam. Na de beslissing van 22 november 2010 heeft verhuurster geen contact met huurster opgenomen. Zij heeft dan ook haar recht verspeeld om een voorlopige voorziening te vragen omdat zij heeft nagelaten in november 2010 een bodemprocedure te starten. De aan de ketenaanpak Woonoverlast deelnemende organisaties hebben zich onvoldoende ingespannen om huurster toe te leiden naar de hulp en behandeling die zij behoeft om haar persoonlijke en relationele problemen aan te pakken. Inmiddels heeft zij een adequate hulpverlening gerealiseerd. Verhuurster dient de situatie als goed verhuurder dan ook nog enige tijd aan te zien. Het is voorts niet voldoende aannemelijk dat de inmiddels ingezette bodemprocedure tot een ontbinding van de huurovereenkomst en een ontruiming uit het gehuurde zal leiden. Een ontruiming zal ook voor huurster zeer ernstige gevolgen hebben; het vangnet dat juist is opgezet zal teniet worden gedaan. Verhuurster zal dan ook eerst minder verstrekkende maatregelen moeten nemen alvorens tot een ontruiming te komen. Zo kan de situatie worden opgelost door haar een andere woning aan te bieden. In het onverhoopte geval dat tot een ontruiming wordt gekomen, dient huurster een termijn van niet korter dan drie maanden te worden gegeven.

De beoordeling

1.

Anders dan door huurster is betoogd, volgt de spoedeisendheid van de vordering in voldoende mate uit de aard daarvan, daarbij mede in aanmerking genomen het vaststaande incident van eind februari 2011 en het gegeven dat huurster heeft erkend dat zij eind februari 2011 tijdens een ruzie met [W] meerdere malen heeft geroepen dat zij ‘de gaskraan zou opendraaien en de boel zou laten ontploffen’. De omstandigheid dat huurster stelt dat zij dat toen uit emotie heeft geroepen en in werkelijkheid geen enkele intentie in die richting had of heeft, doet niets af aan het spoedeisende karakter van de zaak.

2.

Anders dan huurster kennelijk betoogt, is er geen aanleiding om de door verhuurster van de politie verkregen informatie - onder meer weergegeven in de vaststaande feiten sub k. en o. - ter zijde te laten, omdat - naar huurster stelt - voor de verstrekking daarvan geen wettelijke grondslag is gebleken en die verstrekking strijdt met de bescherming van haar privacy. In een civiele procedure heeft de rechter een grote vrijheid in de waardering van het bewijs, waarbij materiële waarheidsvinding voorop staat. In de dienaangaande te maken belangenafweging omtrent het gebruik van bedoelde informatie moet worden vastgesteld dat bedoelde informatie vrijwillig door (medewerkers van) de politie is verstrekt, zulks in het kader van de aanpak van ervaren structurele en ernstige overlast. Die aanpak heeft, zo moet de kantonrechter vaststellen, (in ieder geval in de gemeente [woonplaats]) groot maatschappelijk draagvlak, getuige de deelname door organisaties als de politie, justitie, de gemeente [woonplaats], de reclassering/verslavingszorg en het maatschappelijk werk. Voorts moet worden vastgesteld dat huurster over die informatie vervolgens ter zitting uitgebreid heeft verklaard. Er valt dan ook naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet in te zien dat een gebruik van voormelde informatie door verhuurster in strijd zou komen met de goede procesorde.

3.

In geschil is of huurster dermate tekortschiet in haar verplichtingen als huurder dat voorshands voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd zal worden geacht.

4.

Vaststaat dat in september 2008 in de woning van huurster een hennepplantage is aangetroffen, elk feit al als een zwaarwichtige tekortkoming moet worden aangemerkt in de nakoming van de in artikel 7:213 BW neergelegde verplichting om zich als een goed huurder te gedragen.

5.

Voorts staat, gelet op de erkenning door huurster, vast dat tot medio 2009 in, vanuit en nabij het gehuurde overlast is veroorzaakt. Huursters stelling dat die overlast te wijten is geweest aan haar ex-man die zij medio 2009 definitief uit haar leven heeft weten te bannen, doet daaraan niet af.

6.

Huurster bestrijdt dat vanaf medio 2009 nog sprake is geweest van overlast, behoudens drie incidenten in mei 2010, november 2010 en februari 2011. Zij ontkent voorts dat sprake is geweest van bedreigingen en intimidaties, door haar of door haar partner [W].

6.1

Gelet op wat hiervoor onder de punten 4. en 5. is overwogen, moet de plaatsing van huursters adres in juni 2010 op de Top-30-lijst van probleemadressen, vooralsnog als voldoende gerechtvaardigd worden aangemerkt, te meer nu niet is weersproken dat aan die plaatsing een beoordeling door de ketenpartners vooraf is gegaan,

6.2

Gelet op de door de wijkagent verstrekte informatie, de meerdere meldingen van naaste buurman [N] over geluidsoverlast, ruzies en vechtpartijen, het door een andere wijkbewoner opgestelde ‘sfeerverslag’ waarin wordt gesproken over ruzies, scheldpartijen, bedreigingen en alcoholmisbruik in en om het gehuurde, een en ander gevoegd bij de door huurster erkende overlast als hiervoor bedoeld, is, anders dan huurster ingang wil doen vinden, niet voldoende aannemelijk geworden dat de overlast sindsdien beperkt is gebleven tot de incidenten van november 2010 en februari 2011. De wijkagent spreekt immers in november 2010 over 38 meldingen in de periode vanaf mei 2009. De advocaat van verhuurster heeft ter zitting voorts medegedeeld dat meerdere buurtgenoten hem hebben bevestigd dat de overlast als ernstig en als onhoudbaar wordt ervaren doch ook dat zij uit angst voor represailles niet willen dat hun naam wordt gebruikt. De kantonrechter heeft geen aanleiding om aan de juistheid van die mededeling van verhuursters advocaat te twijfelen.

6.3

Huurster heeft aangevoerd - zo begrijpt de kantonrechter haar - dat de overlastmeldingen na medio 2009 voor het overgrote deel gezocht en voorgewend zijn door het als zodanig door huurster aangeduide ‘kamp [N]’, zodat sindsdien niet meer tot overlast kan worden geconcludeerd. Aan dit betoog gaat de kantonrechter voorshands voorbij, gelet op de plaatsing van huursters adres in juni 2010 op voormelde Top-30-lijst en het door de wijkagent opgegeven aantal meldingen tot 24 november 2010. Uit huursters stelling volgt wel dat (in ieder geval) sinds 24 mei 2010 grote spanningen bestaan tussen haar en [W] enerzijds en [N] anderzijds, gelet op de door haar tegen [N] gedane aangifte van (zware) mishandeling en gezien de meermaals door [N] bij de politie gedane meldingen van overlast, ruzies en scheld- en vechtpartijen in, vanuit en nabij huursters woning. Daarbij klemt overigens dat uit niets blijkt dat [N] of anderen betrokken zijn geweest bij de incidenten op 13 en 14 november 2010 en op 20, 26 en 27 februari 2011 tussen huurster en [W], welke incidenten genoegzaam vaststaan.

6.4

Verhuurster heeft erkend dat niet alle overlast en niet alle andere laakbare gedragingen aan huurster kunnen worden toegeschreven doch dat daarvoor [W] (mede) verantwoordelijk moet worden gehouden. Uit het bepaalde in artikel 7:219 BW en de op dat artikel gebaseerde rechtspraak (zie onder meer HR 22 juni 2007, WR 2007, 82) volgt dat de gedragingen van [W] ertoe kunnen leiden dat huurster dienaangaande zelf zich niet heeft gedragen als een goed huurder. Of dat het geval is hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder het verband tussen de gedragingen van [W] en het gebruik van het gehuurde. Daarvan kan in elk geval sprake zijn indien huurster van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was of daarmee ernstig rekening had te houden en vervolgens nagelaten heeft maatregelen te treffen die redelijkerwijs van haar verlangd hadden mogen worden.

6.4.1

In dit geval moet voldoende aannemelijk worden geacht dat huurster van de overlast, voor zover veroorzaakt door [W], op de hoogte was nu aangenomen moet worden dat zij bij het overgrote deel daarvan betrokken is geweest. Daarnaast geldt dat vaststaat dat huurster herhaalde malen is aangesproken op het overlastgevend gedrag van haarzelf en [W]. Dit blijkt onder meer uit de in de vaststaande feiten sub d. en h. weergegeven brieven van 25 juni 2009 en 27 augustus 2010. Huurster ontkent weliswaar de ontvangst van de laatste brief maar nu die brief zowel per gewone post als aangetekend is verstuurd, gaat de kantonrechter er vanuit dat huurster wel degelijk van de inhoud van die brief kennis heeft genomen. In ieder geval heeft huurster niet weersproken dat de wijkagent, mw. [V], meermalen, zo blijkt uit haar brief van 24 november 2010, met huurster contact heeft gehad over de overlast in, vanuit en nabij haar woning.

6.4.2

Niet kan worden aangenomen dat huurster de redelijkerwijs van haar te verlangen maatregelen heeft getroffen om de gedragingen van [W] te voorkomen. Vaststaat immers dat huurster het nodige heeft bijgedragen aan de spanningen tussen haar en [W] en de daardoor ontstane overlast en de scheld- en vechtpartijen tussen hen. Dat een en ander mede het gevolg is van de bij haar aanwezige angststoornis en van alcoholgebruik, doet daaraan niets af. Voorts staat vast, zo is ter zitting gebleken, dat huurster onder geen beding bereid is om afstand te nemen van [W] en hem minstens vier maal per week in haar woning laat overnachten.

6.4.3

Uit voorgaande volgt dat het door [W] veroorzaakte gedeelte van de overlast en van de andere laakbare gedragingen dan ook aan huurster moeten worden toegerekend.

7.

Het staat dan ook vast dat huurster - zelf dan wel aan haar toe te rekenen - al langere tijd als ernstig te betitelen overlast aan haar buurtgenoten heeft toegebracht. Daarmee staat tevens vast dat huurster niet heeft voldaan aan haar contractuele verplichting om dit na te laten. Dit betekent dat zij opnieuw niet heeft gehandeld zoals een goed huurder betaamt en dat zij (wederom) tekort is geschoten in de op haar rustende verplichtingen uit de huurovereenkomst.

8.

Dat er vanuit kan worden gegaan dat die overlast (mede) een gevolg is van de geestelijke problemen (de angst- en paniekaanvallen) waarmee huurster kampt en van haar moeizame relatie met [W], maakt dat niet anders. Voor zover huurster met een beroep op haar geestelijke gesteldheid betoogt dat de overlast/tekortkoming niet aan haar toerekenbaar is, geldt immers dat toerekenbaarheid van een tekortkoming geen voorwaarde is voor ontbinding van een (huur)overeenkomst en daardoor evenmin een voorwaarde is voor de gevorderde ontruiming.

9.

Bij de vraag of op grond van voormelde tekortkoming, bij wege van voorlopige voorziening in kort geding, een vordering tot een zeer ingrijpende maatregel als ontruiming kan worden toegewezen, dient - gelet op de waarborgen waarmee de wet de rechten van huurders van woonruimte bekleedt - grote terughoudendheid te worden betracht. Voor toewijzing van een dergelijke vordering zal dan ook slechts plaats zijn indien deze vooruitloopt op een vonnis in een bodemprocedure waarbij met grote mate van waarschijnlijkheid eveneens ontruiming zal worden bevolen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht.

10.

Gelet op het voorgaande is het in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat in een bodemzaak (tevens) de ontruiming zal worden bevolen. Daarbij is ook betrokken de omstandigheid dat, zo blijkt uit het advies als weergegeven in sub j. van de vaststaande feiten, er bij de ketenpartners - gemeente [woonplaats], woningbouwcoöperaties, politie, justitie en hulpverlenende instantie - geen draagvlak meer bestaat voor een continuatie van huursters bewoning van de woning aan het [straatnaam]te [woonplaats].

11.

Voorts kan niet worden gesteld dat een beslissing in de hoofdzaak kan worden afgewacht.

11.1

Daarvoor is allereerst redengevend het gebleken overlastgevende gedrag van huurster en haar partner en de gevolgen die dit voor de omwonenden heeft en heeft gehad; daaronder begrepen de aannemelijkheid en de redelijkheid van de angst waaronder zij thans moeten leven en daarmee de aantasting van hun huurgenot. Gezien de voorgeschiedenis is het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende zeker dat overlast als hiervoor beschreven verder uitgesloten kan worden geacht.

11.2

De begeleiding die [W] sinds september 2010 ontvangt, de inmiddels door hem gevolgde therapie en zijn kennelijk naar tevredenheid stemmend functioneren als werknemer, heeft er in ieder geval vooralsnog niet aan in de weg kunnen staan dat in november 2010 en februari 2011 opnieuw ernstig overlastgevend gedrag is ontstaan. De gestelde individuele therapie van zowel huurster en [W] en de nog tussen hen te starten relatietherapie, biedt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter evenmin een redelijke zekerheid dat huurster en/of [W] het te laten gedrag niet meer zal/zullen vertonen. Of de individuele therapie van hen met succes zal worden afgesloten en zo ja, wanneer, dient te worden afgewacht. Eerst daarna, zo begrijpt de kantonrechter, kan de door huurster verlangde relatietherapie een aanvang nemen, waarvan de duur en de uitkomst eveneens ongewis is. De professionele inschatting van de zijde van de politie is, zo blijkt uit de in sub o. van de vaststaande feiten bedoelde evaluatie van de gebeurtenissen van 26 en 27 februari 2011, dat de kans dat de situatie tussen huurster en [W] weer snel gaat escaleren, met alle gevolgen van dien, als zeer groot wordt ervaren.

11.3

Daarbij komt dat huurster kennelijk al langere tijd begeleiding ontvangt van maatschappelijk werk van Carinova alsmede van het team Huiselijk Geweld van die organisatie en die begeleiding heeft - in ieder geval - de incidenten van 13 en 14 november 2010, 20, 26 en 27 februari 2011 niet kunnen verhinderen. Daarbij komt dat huurster tijdens haar ruzie met [W] op 26 februari 2011 meermalen heeft geroepen ‘dat zij de gaskraan zou openzetten en de boel zou laten ontploffen’. Huurster stelt nu wel dat zij in werkelijkheid daartoe geen plan heeft of heeft gehad doch dat moet worden betwijfeld nu zij nog ter zitting heeft gesteld ‘dat bij een ontruiming hulpverleners voor een zelfdoding vrezen’. Er moet dan ook worden aangenomen dat huurster kennelijk desperate en ultieme stappen nabij is.

11.4

Van verhuurster noch van de omwonenden behoeft, gezien hun ervaringen in het verleden, dan ook nog meer geduld te worden verlangd. Een ontruiming bij wege van voorlopige voorziening is onder die omstandigheden dan ook aangewezen.

12.

De in deze procedure gevorderde ontruiming zal dan ook worden toegewezen, met een ontruimingstermijn van twee weken.

13.

Wat betreft de door verhuurster gevorderde straat- en contactverboden, zulks op straffe van een dwangsom, geldt dat daarvoor naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter een onvoldoende onderbouwing is gegeven. Verhuurster spreekt dienaangaande slechts over een vrees dat huurster in de wijk represailles zal nemen en dat om die reden een straatverbod is aangewezen, maar concrete feiten en omstandigheden die die vrees zouden kunnen wettigen, zijn gesteld noch gebleken. Hetzelfde geldt voor het gevorderde contactverbod. Verhuurster heeft dienaangaande niet meer gesteld dan dat huurster ‘er niet voor terug deinst om haar ongenoegen over de ontruiming kenbaar te maken en haar medewerkers daar persoonlijk op aan spreekt’. Dit is evenmin voldoende voor een maatregel als gevorderd. Zowel het straatverbod als het contactverbod zijn dan ook op dit moment niet voor toewijzing vatbaar.

14.

Huurster zal worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten zoals hierna vermeld.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter als voorzieningenrechter:

- gelast huurster het gehuurde aan het [straatnaam]te [woonplaats] ([postcode]) binnen 2 (twee) weken na betekening van dit vonnis met al het hare en de haren te ontruimen en te verlaten en daarin niet weer te keren en onder afgifte van alle bij de woning behorende sleutels en alles wat verder tot het gehuurde behoort ter algehele en vrije beschikking van verhuurster te stellen en ontruimd te houden, bij gebrek waarvan verhuurster op kosten van huurster de woning door middel van een deurwaarder kan ontruimen, zonodig geholpen door de sterke arm;

- veroordeelt huurster in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van verhuurster begroot op:

? € 600,00 voor salaris gemachtigde

? € 90,81 voor explootkosten

? € 106,00 voor vastrecht;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 12 april 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.