Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ2768

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
183139 - KG ZA 11-118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In kort geding wordt de Vereniging de medische staf van de Isalaklinieken veroordeeld tot afgifte van notulen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 2
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2011/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 183139 / KG ZA 11-118

Vonnis in kort geding van 27 april 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. M.J. Draaisma te Amsterdam,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING DE MEDISCHE STAF VAN DE ISALA KLINIEKEN,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Sijmons te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Medische Staf genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de aanvullende producties van de Medische Staf

- de aanvullende producties van [eiser]

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van de Medische Staf.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Sinds [jaar] was [eiser] als [specialist] uit hoofde van een toelatingsovereenkomst verbonden aan de Stichting Isala Klinieken (hierna: Isala Klinieken) en de Medische Staf.

2.2. Over het functioneren van [eiser] is een conflict ontstaan. Een en ander heeft geleid tot een onderzoek door een daartoe aangestelde onderzoekscommissie.

2.3. De onderzoekscommissie heeft geconcludeerd dat de patiëntenzorg onder [eiser] gevaar loopt, waarop zij heeft geadviseerd dat slechts de beëindiging van de werkzaamheden door [eiser] rest.

2.4. Het bestuur van de Medische Staf heeft per brief van 16 februari 2010 de conclusies van de onderzoekscommissie overgenomen maar het daaruit voortvloeiende advies tot beëindiging van de werkzaamheden van [eiser] aangehouden. De Medische Staf wilde eerst door de Raad van Bestuur Isala Klinieken (hierna: Raad van Bestuur) nog laten onderzoeken of, en zo ja onder welke voorwaarden, een verbetertraject en hervatting van de werkzaamheden van [eiser] mogelijk zouden zijn.

2.5. Per brief van 20 april 2010 heeft het bestuur van de Medische Staf aan [eiser] meegedeeld dat zij tot de conclusie is gekomen dat voortzetting van de werkzaamheden van [eiser] in de Isala Klinieken niet meer tot de reële mogelijkheden behoort en dat zij de Raad van Bestuur overeenkomstig zal berichten.

2.6. De Raad van Bestuur heeft per brief van 29 april 2010 de toelatingsovereenkomst per 1 mei 2010 opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden.

2.7. Vervolgens heeft [eiser] bij het Scheidsgerecht Gezondsheidszorg (hierna: het Scheidsgerecht) beroep ingesteld tegen de besluiten van het bestuur van de Medische Staf en tegen de opzegging van de toelatingsovereenkomst door de Raad van Bestuur.

2.8. Bij bindend advies van 13 oktober 2010 heeft het Scheidsgerecht alle door [eiser] ingestelde vorderingen afgewezen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert de voorzieningenrechter om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Medische Staf te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] afschrift te verschaffen van de notulen van de vergaderingen van het bestuur van de Medische Staf in de periode van februari 2010 tot en met juni 2010, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop de Medische Staf hiermee in gebreke blijft;

II. de Medische Staf te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] afschrift te verschaffen van correspondentie - ook per email verzonden - waarin leden van het bestuur van de Medische Staf met derden over [eiser], de hervatting van zijn werkzaamheden en zijn concept plan van aanpak melding maken gedurende de periode van februari 2010 tot en met juni 2010, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop de Medische Staf hiermee in gebreke blijft;

III. de Medische Staf te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] afschrift te verschaffen van alle door de Medische Staf verwerkte persoonsgegevens in de zin van artikel 35 Wbp over [eiser], op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop de Medische Staf hiermee in gebreke blijft;

IV. de Medische Staf te veroordelen in de kosten van dit geding, het salaris van de advocaat van [eiser] daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.

3.2. De Medische Staf voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De Medische Staf heeft weersproken dat sprake is van een spoedeisend belang omdat de afschriften die [eiser] heeft gevorderd hem geen nadere informatie zullen verschaffen over de beweegredenen van het bestuur van de Medische Staf om de werkhervatting van [eiser] onmogelijk te oordelen.

Naar oordeel van de voorzieningenrechter staat de inhoud van de gevorderde bescheiden aan de - door [eiser] gestelde - spoedeisendheid niet in de weg. Het standpunt van de Medische Staf zal worden gepasseerd. Van een spoedeisend belang is voldoende gebleken.

4.2. Uit art. 843a RV volgt dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan voordat [eiser] aan deze bepaling jegens de Medische Staf een recht op verstrekking van de gevraagde bescheiden kan ontlenen. Er dient - kort gezegd - sprake te zijn van een rechtmatig belang op kennisneming (i) van bepaalde bescheiden (ii), aangaande een rechtsbetrekking waarbij [eiser] partij is (iii). Bovendien dient de wederpartij van [eiser] over de bescheiden te beschikken of deze onder haar berusting te hebben (iv).

Ten aanzien van de notulen zoals gevorderd onder I

4.3. [eiser] heeft gesteld dat hij de door hem gevorderde bescheiden niet alleen aan zijn - reeds aanhangig gemaakte - vordering tot vernietiging van het bindend advies van het Scheidsgerecht mede ten grondslag wil leggen, maar tevens aan een vordering op grond van onrechtmatig handelen door het bestuur van de Medische Staf. [eiser] heeft per brief van 25 maart 2011 de Medische Staf aansprakelijk gesteld.

Gezien de gemotiveerde stellingen van [eiser] kan, anders dan de Medische Staf heeft betoogd, niet bij voorbaat worden uitgesloten dat de procedure tot vernietiging van het bindend advies van het Scheidsgerecht een kans van slagen heeft. De vraag of [eiser] ontvankelijk is in voormelde vordering zal, evenals de vraag naar de gegrondheid daarvan, door de bodemrechter moeten worden beantwoord.

Om dezelfde reden kan ook niet op voorhand worden uitgesloten dat sprake is van onrechtmatig handelen van de zijde van de Medische Staf.

4.4. Bij de beoordeling of sprake is van een rechtmatig belang op inzage in de notulen neemt de voorzieningenrechter het volgende nog in aanmerking.

[eiser] heeft de statuten van de Medische Staf overgelegd waarbij in artikel 12 lid 7 is bepaald dat notulen van de bestuursvergadering desgevraagd aan de leden beschikbaar worden gesteld. Daarnaast heeft een lid van de Medische Staf ook uit hoofde van het overgelegde artikel 9 Huishoudelijk reglement recht op inzage in de vastgestelde verslagen van de vergaderingen van het bestuur van de Medische Staf.

[eiser] heeft afschrift gevorderd van de notulen in de periode van februari tot en moet juni 2010. Blijkens de brief van 29 april 2010 heeft de Raad van Bestuur per 1 mei 2010 het lidmaatschap van [eiser] opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. Hieruit vloeit voort dat [eiser], anders dan door de Medische Staf betoogd, in ieder geval tot 1 november 2010 lid was van de Medische Staf zodat hij ook op grond hiervan een rechtmatig belang heeft op afschrift van de verslaglegging van de vergaderingen van het bestuur van de Medische Staf in de gevorderde periode.

4.5. De Medische Staf heeft nog betoogd dat [eiser] onvoldoende heeft bepaald van welke bescheiden hij afschrift heeft gevorderd. Zij stelt hiertoe dat het slechts een aanname van [eiser] is dat in de vergaderingen van het bestuur van de Medische Staf - welke hebben plaatsgevonden in de periode februari tot en met juni 2010 - is beraadslaagd over het besluit tot beëindiging van de werkzaamheden van [eiser].

Voor zover de Medische Staf hiermee heeft willen stellen dat [eiser] de inhoud van de bedoelde notulen onvoldoende heeft omschreven zal aan deze stelling worden voorbijgegaan. Immers, voor de vraag of de bescheiden voldoende zijn bepaald is niet vereist dat de inhoud van de gevorderde bescheiden precies is omschreven. Voor zover de Medische Staf nog heeft bedoeld dat de notulen geen relevante informatie bevatten voor de beoordeling van de stellingen van [eiser], is die enkele stelling onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de gevorderde bescheiden onvoldoende zijn bepaald.

Daarnaast is niet vereist dat de verzoeker bekend is met de inhoud van de gevorderde bescheiden. Wel dient voldoende concreet te worden omschreven welke bescheiden het betreft.

[eiser] heeft zijn verzoek ingekaderd tot de notulen van de vergaderingen van het bestuur van de Medische Staf in de periode februari 2010 tot en met juni 2010. De Medische Staf heeft niet betwist dat in genoemde periode vergaderingen hebben plaatsgevonden en ook is niet betwist dat er notulen zijn opgemaakt van deze vergaderingen. Naar oordeel van de voorzieningenrechter kan van [eiser], die geen lid is van het bestuur van de Medische Staf, niet verlangd worden dat hij de exacte data van de verschillende vergaderingen kent. Hieruit vloeit naar oordeel van de voorzieningrechter voort dat [eiser] voldoende concreet heeft omschreven van welke notulen hij afschrift wenst, zodat de stellingen van de Medische Staf zullen worden gepasseerd.

4.6. Uit het onder 4.3 overwogene vloeit tevens voort dat de gevorderde notulen zien op een rechtsbetrekking waar [eiser] partij bij is zodat het standpunt van de Medische Staf zal worden gepasseerd.

4.7. Tussen partijen is niet in geschil dat de Medische Staf de gevorderde notulen in haar bezit heeft. De vordering onder I zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de correspondentie zoals gevorderd onder II

4.8. Op grond van de motivering zoals onder 4.3 weergegeven, heeft [eiser] een rechtmatig belang bij afschrift van de onder II gevorderde correspondentie. Het verweer van de Medische Staf hieromtrent zal worden gepasseerd en behoeft, in het licht van het hierna vermelde, geen verdere bespreking.

4.9. [eiser] heeft afschrift gevorderd van alle correspondentie - over [eiser], zijn werkzaamheden en zijn concept plan van aanpak - tussen de leden van het bestuur van de Medische Staf en derden, terwijl [eiser] hierbij niet heeft gesteld op welke correspondentie zijn vordering betrekking heeft of tussen welke personen deze gevoerd is.

Daarnaast heeft [eiser], gezien de betwisting van de Medische Staf, het bestaan van dergelijke correspondentie onvoldoende aannemelijk gemaakt. In het licht van het voorgaande is de vordering van [eiser] zo weinig concreet dat gesproken moet worden van een ontoelaatbare 'fishing expedition', waartegen artikel 843a RC bescherming biedt. Het gevorderde onder II zal worden afgewezen en behoeft geen verdere bespreking.

Ten aanzien van de persoonsgegevens ex artikel 35 Wbp zoals gevorderd onder III

4.10. Op grond van de motivering zoals onder 4.3 weergegeven, heeft [eiser] een rechtmatig belang bij afschrift van de onder III gevorderde persoonsgegevens. Het verweer van de Medische Staf hieromtrent zal worden gepasseerd en behoeft, in het licht van het hierna vermelde, geen verdere bespreking.

4.11. De Medische Staf heeft betwist dat sprake is van een bestand in de zin van artikel 2 Wbp zodat geen inzage in een dossier op grond van artikel 35 Wbp gegeven kan worden.

Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat op grond van artikel 4 van het kwaliteitsreglement aannemelijk is dat er een dossier over zijn functioneren is bijgehouden maar [eiser] heeft deze stelling onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd op grond waarvan kan worden aangenomen dat een dergelijk dossier daadwerkelijk bestaat.

Onder die omstandigheden is naar oordeel van de voorzieningrechter slechts sprake van een vordering tot afschrift van mogelijk bestaande bescheiden zodat sprake is van een ongeoorloofde 'fishing expedition', waar artikel 843a RV bescherming tegen biedt.

Het gevorderde onder III zal worden afgewezen en behoeft geen verdere bespreking.

4.12. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.13. De Medische Staf zal als de deels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 90,80

- vast recht 568,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal EUR 1.562,80

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt de Medische Staf om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] afschrift te verschaffen van de notulen van de vergaderingen van het bestuur van de Medische Staf in de periode van februari 2010 tot en met juni 2010,

5.2. veroordeelt de Medische Staf om aan [eiser] een dwangsom te betalen van EUR 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 10.000,00 is bereikt,

5.3. veroordeelt de Medische Staf in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.562,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.A.M. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2011.