Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BP9461

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
Awb 08/420
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nadeelcompensatie na aanleg ongelijkvloerse kruising; beroep gegrond na inschakelijk StAB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/443
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/420

Uitspraak

in het geding tussen:

1. eiser te woonplaats,

2. eiser te woonplaats,

3. eiser te woonplaats,

eisers,

gemachtigde: mr. J.H. Hermsen, advocaat te Apeldoorn,

en

Gedeputeerde Staten van Overijssel,

verweerder,

gemachtigde: mr. V.A. Textor, advocaat te Zwolle.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2005 heeft verweerder aan eisers een nadeelcompensatie toegekend van € 232.497, - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2003 tot aan de dag van betaling.

Tegen dit besluit is namens eisers op 22 februari 2005 bezwaar gemaakt. Op 31 maart 2005 heeft de gemachtigde van eisers dit bezwaar van gronden voorzien.

Op 13 december 2005 heeft de gemachtigde van eisers een taxatierapport ingediend.

Op 24 september 2007 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 31 januari 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 6 maart 2008 heeft de gemachtigde van eisers tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 12 juni 2008 heeft de gemachtigde van eisers een aanvullend beroepschrift ingediend.

Op 29 september 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 3 april 2009. Eisers zijn verschenen bij hun directeuren (…), (…) en (…), bijgestaan door mr. Hermsen, voornoemd.

Voorts waren aanwezig de door de gemachtigde van eisers meegebrachte getuigen (…) en (…), alsmede H.C. Neumann, registeraccountant te Hoogeveen, meegebracht als deskundige. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mr. V.A. Textor en (…).

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek op 12 mei 2009 heropend en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (verder: de StAB) benoemd als deskundige. Op 26 januari 2010 heeft de StAB verslag uitgebracht van haar onderzoek.

Bij brief van 1 april 2010 heeft de gemachtigde van verweerder een reactie ingediend.

Op 4 juni 2010 en 21 juni 2010 heeft de gemachtigde van eisers als reactie rapportages aan de rechtbank toegezonden van J.J. van der Gouw, advocaat te Den Haag, H. Neumann, voornoemd, en F.J. Waterman.

De behandeling van het beroep is vervolgens ter zitting van de meervoudige kamer van

28 januari 2011 hervat. Namens eisers is (…) verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. B.S. ten Kate, kantoorgenoot van mr. V.A. Textor, en

(…), beiden voornoemd.

2. Overwegingen

2.1. Eisers exploiteren op een perceel aan de (…) te Hardenberg een tankstation met shop en wasstraat, een garagebedrijf en een showroom. Het perceel ligt ten noordwesten van de bebouwde kom van Hardenberg en ten oosten van de N343 waarmee het door middel van twee uitritten in verbinding staat.

2.2. Op 2 februari 1999 heeft verweerder het plan voor de verbetering van de N343 provin-ciale weg Oldenzaal-Slagharen, wegvak traverse Hardenberg en Rijksweg N34 Zwolle-Coevorden, wegvak Hardenberg vastgesteld. Op grond van dit plan heeft een reconstructie plaatsgevonden van het kruispunt N343-N34, waarbij de voorheen gelijkvloerse kruising is verbouwd tot een ongelijkvloerse kruising en waarbij de N34 ter plaatse van de kruising door een tunnelbak loopt. Daarbij heeft tevens een aanpassing van de N343 plaatsgevonden waarbij deze is omgebouwd van een weg met 2x1 stroken naar een weg met 2x2 stroken. Daarnaast is ter hoogte van de bedrijfslocatie van eisers op de N343 (Haardijk) een niet oversteekbare middengeleider aangebracht. De uitvoering van de wijziging van het kruispunt N34/N343 is gestart in januari 2000 en heeft geduurd tot en met mei 2002.

2.3. Voorafgaande aan de werkzaamheden heeft verweerder met eisers overleg gevoerd over de wijze waarop eventuele schade als gevolg van de reconstructie zou kunnen worden vergoed.

In dit kader heeft verweerder op 26 januari 1999 het Procedurebesluit nadeelcompensatie inzake de verbetering van de N343 provinciale weg Oldenzaal-Slagharen, wegvak traverse Hardenberg en Rijksweg N34 Zwolle-Coevorden, wegvak Hardenberg vastgesteld (hierna: het Procedurebesluit).

Op grond van artikel 2 van het Procedurebesluit kent verweerder degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de door verweerder opgedragen verbetering van voornoemde wegen, op zijn verzoek een schadevergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voorzover deze benadeelde is in de zin van het Procedurebesluit.

2.4. Op 31 juli 2002 hebben eisers bij verweerder een voorlopige schadeclaim ingediend. Deze is later aangevuld en uitgebreid. Op 12 september 2002 heeft verweerder een schadebeoordelingscommissie (verder: de commissie) ingesteld. Deze commissie heeft op 20 februari 2003 een hoorzitting gehouden en op 29 november 2004 aan verweerder advies uitgebracht.

2.5. In het rapport van de commissie wordt geadviseerd aan eisers een vergoeding van € 232.497,-- (te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 augustus 2003) toe te kennen.

Met overname van het door de commissie gegeven advies heeft verweerder vervolgens het besluit van 4 januari 2005 genomen. In het kader van de bezwaarprocedure is op 18 juni 2007 door de commissie een nader advies uitgebracht. Daarbij is het eerdere advies gehandhaafd. Bij het thans bestreden besluit is het besluit van 4 januari 2005 in stand gelaten.

2.6. Namens eisers is –samengevat- aangevoerd dat:

verweerder haar beslissing ten onrechte heeft gebaseerd op het uitgangspunt dat de aanleg van de verdiepte tunnelbak in het kruispunt N343/N34 geen reconstructie van het kruispunt is omdat geen sprake is van het een wijziging van het bestemmingsplan en dat in casu slechts sprake is van “wegonderhoud”;

verweerder ten onrechte heeft beslist dat op het vastgestelde schadebedrag een aftrek moet worden toegepast wegens normaal maatschappelijk risico en verweerder voorts de hoogte van deze aftrek ten onrechte heeft bepaald op 40%;

verweerder ten onrechte de aan eisers toegekende schade heeft bepaald met toepassing van de kapitalisatiefactor 6;

verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar en geen vergoeding heeft toegekend voor de waardevermindering van de onroerende zaken (vermogensschade);

verweerder ten onrechte de rente-ingangsdatum heeft vastgesteld op 18 augustus 2003;

verweerder ten onrechte – met miskenning van de gemaakte afspraken – geen vergoeding heeft toegekend voor de door eisers gemaakte kosten van rechtsbijstand. Tevens heeft verweerder ten onrechte besloten om ter vergoeding van de door eisers gemaakte accountantskosten slechts een bedrag van € 2.500,-- toe te kennen;

verweerder ten onrechte slechts een bedrag van € 10.000,-- heeft toegekend als vergoeding van de kosten die eisers hebben moeten maken ter beperking van de schade;

verweerder ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de herinvesteringskosten die eisers ten gevolge van de wegconstructie hebben moeten maken;

de overwegingen van verweerder met betrekking tot de omzetderving onjuist zijn en ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd;

de overwegingen van verweerder met betrekking tot de omzetderving brutomarge wasstraat, omzetderving van het garagebedrijf, derving toekomstige brutomarge afzetbrandstoffen, derving toekomstige brutomarge wasstraat, derving toekomstige brutomarge autobedrijf, derving brutomarge afzet brandstof en de derving toekomstige brutomarge, onjuist zijn.

Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

2.7. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot het nemen van een beslissing op een verzoek om schadevergoeding, voorzover het schade betreft die is ontstaan door de rechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, berust op het

–mede aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten grondslag liggende – rechtsbeginsel van ‘égalité devant les charges publiques’ (gelijkheid voor open-bare lasten). Op grond van dit beginsel zijn bestuursorganen gehouden tot compensatie van onevenredige – buiten het normale maatschappelijke risico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende – schade die is ontstaan in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding.

2.8. Na de behandeling van het beroep ter zitting van 3 april 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de StAB als deskundige gevraagd de rechtbank van advies te dienen omtrent de volgende vragen:

1. Kunt u zich verenigen met de overwegingen van de schadebeoordelingscommissie (verder: de commissie) en de door deze commissie aan GS gegeven adviezen aan (…) een schadevergoeding toe te kennen van € 232.497,-- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 18 augustus 2003?

2. Zo neen, op welke punten dan wel ten aanzien van welke schadeposten kunt u zich niet met het advies van de commissie verenigen en kunt u aangeven of en zo ja, in welke mate dit moet leiden tot aanpassing van de reeds door GS aan (…) toegekende vergoeding?

3. Kunt u zich met name verenigen met de overwegingen van de commissie dat geen vermogensschade (waardevermindering onroerende zaken) behoeft te worden vergoed omdat alle schade reeds is vergoed in de inkomensschade (paragraaf 8.6.11 van gedingstuk B3)? Kunt u zich verenigen met de toegepaste kapitalisatiefactor 6?

4.Deelt u de mening van de commissie dat de wasstraat en het garagebedrijf geen schade hebben ondervonden als gevolg van de werkzaamheden en deze bedrijfsonderdelen buiten beschouwing moeten blijven (paragraaf 8.6.4 en 8.6.5 van gedingstuk B3)?

5. Kunt u zich verenigen met de door de commissie toegepaste berekeningsmethode (zie paragraaf 8.6.1 en verder van gedingstuk B3) voor het berekenen van het aantal liters benzine dat verkocht zou zijn zonder de plaatsgevonden aanleg van een ongelijkvloerse kruising?

6. Kunt u zich verenigen met de overwegingen van de commissie dat de vergoeding gematigd dient te worden met 40% vanwege normaal maatschappelijk risico (paragraaf 8.7 van gedingstuk B3)?”

In het deskundigenbericht van 26 januari 2010 heeft de StAB deze vragen als volgt beantwoord:

“Gelet op de beantwoording van de vragen 2, 3 en 6 kunnen de standpunten van de com-missie in haar adviezen niet geheel worden onderschreven. Vraag 1 dient dan ook ontken-nend te worden beantwoord. Het antwoord op vraag 2 luidt dat – hoewel de adviezen van de commissie grotendeels worden onderschreven – de StAB zich in ieder geval niet kan ver-enigen met de standpunten van de commissie voor wat betreft de toepassing van de korting vanwege normaal maatschappelijk risico. Daarnaast kunnen kanttekeningen worden geplaatst bij de vergoeding van de wettelijke rente en de vergoeding van de deskundigenkosten. Op grond van hetgeen daarover in het verslag is opgemerkt, dient in ieder geval te worden uitgegaan van een korting vanwege normaal maatschappelijk risico van 30% en voorts dient, naar het de StAB voorkomt, voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente uit te worden gegaan van de datum van de indiening van het verzoekschrift. Een oordeel over het al dan niet vergoeden van de kosten van advisering kan – mede gelet op het feit dat in de procedure nog geen oordeel is geveld over de eventuele afspraken die tussen partijen over dit aspect al dan niet zijn gemaakt – niet worden gegeven. Het antwoord op het eerste gedeelte van vraag 3 luidt ontkennend. Het antwoord op de tweede subvraag luidt bevestigend. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het mogelijk is dat een bedrijf zowel inkomensschade als vermogensschade lijdt. In het onderhavige geval blijkt uit een herberekening van de commissie dat op de peildatum van 1 januari 2003 de waardever-mindering van het tankstation/shop als gevolg van de reconstructie niet geheel wordt gedekt door de vergoeding vanwege inkomensschade. In het verslag wordt gesteld dat het redelijk is om het niet gedekte deel voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Daarbij dient uiteraard rekening te worden gehouden met de korting vanwege normaal maatschappelijk risico. Hoewel de commissie in de stukken de nodige verwarring schept door diverse kapitalisatiefactoren te noemen, heeft zij naar het oordeel van de StAB bedoeld te zeggen dat een kapitalisatiefactor van 7 moet worden gebruik. In de onteigeningspraktijk wordt een kapitalisatiefactor 7 in verband gebracht met een schadeperiode van acht jaar. Gelet op de sterkte van het recht van eisers en het feit dat het hier om nadeelcompensatie gaat, wordt het verdedigbaar geacht dat wordt uitgegaan van een kapitalisatiefactor voor een huurder en een schadeperiode van acht jaar. In het verslag is gesteld dat de commissie terecht heeft geconstateerd dat er voor wat betreft de wasstraat en het garagebedrijf geen sprake is van inkomensschade als gevolg van de reconstructie. In zoverre wordt het standpunt van de commissie gedeeld en kunnen deze bedrijfsonderdelen buiten beschouwing worden gelaten. Het antwoord op vraag 4 luidt dan ook bevestigend. In het verslag wordt geconstateerd dat de commissie de berekeningen heeft uitgevoerd op een wijze die in nadeelcompensatiezaken gebruikelijk is. Er zijn geen omstandigheden geconstateerd die een afwijking van de gebruikelijke berekeningsmethode zouden kunnen rechtvaardigen, In dat opzicht kan de StAB zich dan ook verenigen met de door de commissie toegepaste berekeningsmethode en dient vraag 5 bevestigend te worden beantwoord. Tot slot wordt vraag 6 ontkennend beantwoord. In het verslag wordt vastgesteld dat de commissie de korting vanwege normaal maatschap-pelijk risico met onjuiste argumenten heeft onderbouwd. Overigens zijn er wel redenen om een korting toe te passen. Naar het de StAB voorkomt ligt, alles afwegende, een korting van 30% meer voor de hand.”

2.9. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel, tenzij zich een bijzondere omstandigheid voordoet die aanleiding vormt een uitzondering op die hoofdregel aan te nemen.

Van een dergelijke bijzondere omstandigheid of enige andere tot een uitzondering op de hierboven genoemde hoofdregel leidende bijzondere omstandigheid is in dit geval niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is. Voorts kan niet gezegd worden dat het door de StAB uitgebrachte advies onjuistheden bevat dan wel dat de conclusies inhoudelijk onjuist zijn.

De rechtbank zal nu een oordeel geven over de diverse schadeposten waarover zowel de commissie en de StAB hebben geadviseerd en waarover tussen partijen expliciet verschil van mening bestaat.

2.10. korting vanwege normaal maatschappelijk risico.

De rechtbank kan zich verenigen met het oordeel van de StAB en de daaraan ten grondslag liggende argumenten. Met de StAB is de rechtbank van oordeel dat de reconstructie, zoals deze in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden, niet kan worden aangemerkt als normaal wegonderhoud, nu de situatie ter plaatse van het kruispunt ingrijpend is gewijzigd en een dergelijke reconstructie niet valt binnen de grenzen van een normaal uit te voeren weg-

onderhoud.

Voorts deelt de rechtbank het oordeel van de StAB dat, anders dan de commissie heeft overwogen, de invloed van het Tankstation Tango dient te worden betrokken bij de beoordeling van de winstverwachting van eisers in relatie tot de inkomensschade en niet bij de vraag welk percentage als normaal maatschappelijk risico moet worden aangehouden.

Daarnaast is het ook voor de rechtbank niet inzichtelijk geworden op grond waarvan de commissie tot haar oordeel is gekomen dat bij het bepalen van de hoogte van de korting vanwege het maatschappelijk risico van belang is dat de schade niet het gevolg is van een verkeersbesluit maar van feitelijke werkzaamheden.

In het onderhavige geval was te voorzien dat op enig moment de gelijkvloerse kruising uit een oogpunt van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid niet meer zou voldoen en een of andere reconstructie kon worden verwacht. De rechtbank ziet geen aanleiding om het oordeel van de StAB om in het onderhavige geval een korting toe te passen van 30% vanwege normaal maatschappelijk risico, niet te volgen.

2.11.vermogensschade-inkomensschade

De StAB heeft geoordeeld dat het tankstation en de shop op 1 januari 2003 volgens de berekeningen van de commissie in waarde zijn gedaald en dat de waardevermindering groter is dan de vergoeding die vanwege inkomensschade is toegekend. Dit brengt met zich dat

– indien deze objecten op de peildatum zouden zijn verkocht – de vermogensschade op de peildatum niet geheel wordt gedekt door de toegekende vergoeding vanwege inkomens-schade. De commissie is echter van oordeel dat een aanvullende schadevergoeding vanwege waardevermindering niet op zijn plaats is omdat volgens de commissie het verschil tussen haar eigen berekening en de berekening naar aanleiding van een door DTZ opgemaakt taxatierapport maar beperkt is. De rechtbank volgt het oordeel van de StAB dat er toch een schadebedrag over blijft en dat het redelijk is om ook dit bedrag voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Dit betreft een bedrag van € 26.851,--.

2.12. kapitalisatiefactor bij berekening inkomensschade

Naar het oordeel van de StAB heeft de commissie bedoeld te zeggen dat een kapitalisatiefac-tor van 7 moet worden gebruikt. De StAB heeft vervolgens geoordeeld dat in de

onteigeningspraktijk een kapitalisatiefactor 7 in verband wordt gebracht met een schadeperiode van acht jaar. Gelet op de sterkte van het recht van eisers en het feit dat het hier om nadeelcompensatie gaat, heeft de StAB het verdedigbaar geacht dat wordt uitgegaan van een kapitalisatiefactor voor een huurder en een schadeperiode van acht jaar. Naar het oordeel van de StAB komt de aldus berekende inkomensschade op dit punt niet onredelijk voor. De rechtbank ziet geen aanleiding de StAB ter zake niet te volgen.

2.13. vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en ingeschakelde deskundigen

Namens eisers is aangevoerd dat verweerder toezeggingen heeft gedaan dat de kosten van rechtsbijstand en de advisering door accountants volledig zouden worden vergoed. Concrete en schriftelijk vastgelegde toezeggingen op dit punt heeft de rechtbank echter in de gedingstukken niet aangetroffen en zijn ook niet opgenomen in de diverse, zich onder de gedingstukken bevindende gespreksverslagen. De door (…) en (…) ter zitting van 3 april 2009 afgelegde getuigenverklaringen bevatten evenmin concrete aanknopingspunten voor een dergelijke onvoorwaardelijke toezegging, waarbij de omvang van de vergoeding onbegrensd zou zijn. Met name is de rechtbank op grond van de getuigenverklaringen niet gebleken dat bedoelde toezegging zou zijn gedaan tijdens op een op 18 juni 1998 gehouden gesprek tussen partijen. Het beroep kan op dit punt niet slagen.

Verweerder heeft bij het besluit van 4 januari 2005 aan eisers een bedrag van € 2.500,- toegekend voor het aanleveren van gegevens door de accountant. Verweerder heeft daarbij overwogen dat er geen aanleiding bestaat om tot een hogere vergoeding over te gaan nu de inschakeling van accountants redelijkerwijs niet noodzakelijk was, omdat reeds op grond van het Procedurebesluit een onafhankelijke deskundigencommissie wordt ingeschakeld.

De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Uit het advies van de commissie blijkt dat commissielid Van de Streeker meerdere besprekingen heeft gehad met de heer Kreuze, accountant van eisers, en dat de werkzaamheden van de heer Kreuze commissielid Van de Streek in staat heeft gesteld zijn onderzoek op een efficiënte wijze uit te voeren. Gelet op de complexiteit van de onderhavige procedure acht de rechtbank aannemelijk dat niet alleen sprake zal zijn geweest van het enkel aanleveren van gegevens, zoals door verweerder is verondersteld.

De rechtbank bepaalt dat de vergoeding voor genoemde accountantskosten, voor zover gemaakt voorafgaand aan het primaire besluit van 4 januari 2005, in redelijkheid wordt vastgesteld op € 5.000, --.

2.14. wettelijke rente

Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 4 januari 2005 aan eisers een nadeelcompen-satie toegekend van € 232.497, - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2003 tot aan de dag van betaling.

De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 29 september 1994, LJN: AN4171 dat ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente als onderdeel van de te betalen schadevergoeding in principe de datum van ontvangst van het verzoek om schadevergoeding dient te worden aangehouden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het eisers niet kan worden verweten dat niet in één keer alle informatie is verstrekt, zodat verweerder ten onrechte van genoemd principe is afgeweken. Naar het oordeel van de rechtbank dient ten aanzien van de vergoeding van wettelijke rente dan ook niet te worden uitgegaan van de datum 18 augustus 2003 maar van 31 juli 2002, de datum waarop eisers een voorlopige schadeclaim hebben ingediend.

3.1. Het beroep van eisers zal gelet op het voorgaande gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.

3.2. Uit het oogpunt van finale geschillenbeslechting en gelet op het feit dat de gemachtigde van eisers bij de behandeling van het beroep ter zitting van 3 april 2009 de rechtbank heeft verzocht bij een eventuele gegrondverklaring van het beroep zoveel mogelijk zelf in de zaak te voorzien, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb bepalen dat verweerder aan eisers een schadevergoeding dient toe te kennen van € 290.457,-, welk bedrag als volgt is bepaald:

€ 366.661,00 + € 26.851 = € 393.512,-- – aftrek van maatschappelijk risico van 30% =

€ 118.053,60 = € 275.458,40 + kosten advisering en beperking van de schade € 15.000,00 = € = 290.458,40 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 juli 2002 tot de dag van uitbetaling met bepaling dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3.3. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten in de bezwaar en beroepsfase, welke zijn begroot op € 2.173,50. (4,5 x 1,5 x € 322,-),

Daarbij heeft de rechtbank de volgende proceshandelingen in aanmerking genomen:

- beroepschrift 1 punt

- verschijnen zitting 3 april 2009 1 punt

- schriftelijke zienswijze na verslag deskundige 0,5punt

- indiening bezwaarschrift 1 punt

- verschijnen hoorzitting 1 punt

De rechtbank heeft gezien de aard van deze zaak bij de vaststelling van deze kosten een wegingsfactor 1,5 (zwaar) gehanteerd.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 31 januari 2008;

-bepaalt dat verweerder aan eisers een schadevergoeding dient toe te kennen van

€ 290.458,40 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2002 tot de dag van uitbetaling;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 31 januari 2008;

-veroordeelt verweerder in de door eisers in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2173,50;

-herroept het besluit van 4 januari 2005;

-gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 285,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzitter,L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, mr. J.H.M. Hesseling, rechters, en door de voorzitter en C. Kuiper als griffier ondertekend.

Uitgesproken in het openbaar op

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak

mede te ondertekenen

Afschrift verzonden op: