Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BP9357

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
07.976431-07 - 2
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking. Verzoek tot wraking wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Wrakingskamer

parketnummer: 07.976431-07

Beslissing van 28 maart 2011

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker tot wraking,

advocaat mr. A.C. Huisman te Deventer,

tegen

mrs. [A], [B] en [C], in hun hoedanigheid van rechter in de meervoudige strafkamer, belast met de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 11 februari 2011

- de schriftelijke reactie van mrs. [A], [B] en [C] van 8 maart 2011.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- mr. Huisman

- mr. G.R.C. Veurink, officier van justitie.

De rechters mrs. [A], [B] en [C] hebben laten weten niet te zullen verschijnen.

2. Het wrakingsverzoek

2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mrs. [A], [B] en [C] als rechters in de zaak tegen [verzoeker] als verdachte.

2.2. [verzoeker] heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.

1. In het tussenvonnis van 29 oktober 2010 (verder: 'het tussenvonnis') heeft de rechtbank, naar aanleiding van een nietigheidsverweer (abusievelijk door [verzoeker] aangeduid als bevoegdheidsverweer), overwogen dat het voor [verzoeker] duidelijk is waarvoor hij zich dient te verantwoorden hetgeen de rechtbank heeft afgeleid uit de opstelling van [verzoeker] ter zitting. [verzoeker] heeft zich (ter zitting) echter op zijn zwijgrecht beroepen en hij heeft zich ook niet eerder uitgelaten over de inhoud van de tenlastelegging. Er lijkt dus sprake te zijn van een doelredenering, waardoor bij [verzoeker] de indruk is ontstaan dat de rechtbank vooringenomen is.

2. In het tussenvonnis is mevrouw [D] uitdrukkelijk aangemerkt als 'slachtoffer'. [verzoeker] heeft echter het verweer gevoerd dat mevrouw [D] géén slachtoffer is. De rechtbank is aldus vooruitgelopen op de bewijsbeslissing, althans heeft bij [verzoeker] de gerechtvaardigde vrees kunnen ontstaan dat de rechtbank mevrouw [D] in het verdere verloop van de procedure aanmerkt als slachtoffer en [verzoeker] als dader.

3. Op meerdere plaatsen in het tussenvonnis wordt gesproken over "slachtoffer[s]". Deze kwalificatie laat zich niet anders begrijpen dan als een oordeel over de feiten. Dat ook twee keer wordt gesproken over "vermeend[e] slachtoffer[s]", doet in onvoldoende mate af aan de door het gebruik van het woord "slachtoffers" ontstane schijn van vooringenomenheid.

4. In het tussenvonnis is overwogen dat "uit de zich in het dossier bevindende stukken eenduidig blijkt dat verdachte vanuit Nederland meerdere malen telefonisch contact met het slachtoffer heeft gehad". Daarmee is de rechtbank ongemotiveerd voorbijgegaan aan het gemotiveerde verweer van [verzoeker] dat op basis van de voorliggende dossierstukken niet geconcludeerd kan worden dat er telefonische contacten zijn geweest tussen [verzoeker] en "het slachtoffer".

5. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis overwogen: "Anders dan de raadsman heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat in het geval er vrijspraak volgt voor een van de meisjes ter zake het primair ten laste gelegde, kan worden uitgeweken naar het subsidiair ten laste gelegde feit." Deze interpretatie van de tenlastelegging, erop neerkomende dat het woord 'althans' kan worden vervangen door het woord 'en' terwijl ten laste is gelegd primair mensenhandel althans (dus) subsidiair mensensmokkel, is taalkundig en juridisch onaanvaardbaar en nadelig voor [verzoeker]. De rechtbank verlaat aldus de grondslag van de tenlastelegging, waardoor bij [verzoeker] de gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de rechtbank vooringenomen is.

2.3. De mrs. [A], [B] en [C] hebben laten weten niet in de wra-

king te berusten. Hun reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken.

2.4 De officier van justitie heeft het wrakingsverzoek tegengesproken en met name

aangevoerd dat het onderzoek ter terechtzitting was gesloten nadat [verzoeker] op de zitting van 15 oktober 2010 het laatste woord was verleend. Het vonnis van de rechtbank is dus een tussenvonnis dat is gewezen nadat de zaak, afgezien van de heropening van het onderzoek, volledig was behandeld. De rechtbank was bevoegd op een aantal verweren alvast te beslissen.

3. De beoordeling

3.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking indien, geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

3.2. Blijkens het tussenvonnis heeft de strafkamer op een aantal formele verweren een beslissing gegeven en is in verband daarmee op een aantal onderdelen van het debat de visie van deze kamer kenbaar gemaakt. Daartegen bestaat naar het oordeel van de wrakingskamer[FK1] geen bezwaar aangezien, zoals de officier van justitie terecht heeft opgemerkt, het onderzoek ter terechtzitting reeds was gesloten. De stelling van [verzoeker] dat de strafkamer in het tussenvonnis van vooringenomenheid heeft blijk gegeven miskent dat de strafkamer bij wijze van tussenvonnis op een aantal formele verweren niet alleen hééft beslist maar ook heeft mógen beslissen.

Dat deze beslissingen op een aantal punten afwijken van het standpunt van [verzoeker] leidt niet tot de conclusie dat van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kan worden gesproken. Daarvan zou pas sprake kunnen zijn indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat daaraan slechts vooringenomenheid ten grondslag kan liggen. Dat is niet het geval.

In dit verband is van belang dat de strafkamer aanleiding heeft gezien het onderzoek te heropenen, teneinde op een onderzoeksvraag nog antwoord te krijgen. Daaruit blijkt nu juist dat die kamer nog niet tot een eindbeslissing op het punt van de bewezenverklaring is gekomen. Anders dan [verzoeker] heeft betoogd staat thans niet al vast dat de strafkamer hem geheel of gedeeltelijk schuldig acht.

3.3. Aan hetgeen onder 3.2 is overwogen kan ten aanzien van de eerste wrakingsgrond nog worden toegevoegd dat de (motivering van de) beslissing van de strafkamer, dat het voor [verzoeker] voldoende duidelijk moet zijn geweest welke feiten hem zijn ten laste gelegd, geen blijk geeft van vooringenomenheid. Blijkens het dossier heeft de raadsman van [verzoeker] uitvoerig verweer gevoerd tegen hetgeen [verzoeker] is ten laste gelegd. De bij de raadsman aanwezige kennis omtrent de verweten gedragingen dient aan [verzoeker] te worden toegerekend. De raadsman spreekt en handelt immers namens de verdachte.

3.4. Ter zake van de tweede en derde wrakingsgrond kan aan de overwegingen sub 3.2 worden toegevoegd, dat het woord 'slachtoffer' een wettelijke term betreft1, die samenhangt met de inhoud van de tenlastelegging. Uit het enkele gebruik van die term kan dan ook niet, zoals [verzoeker] meent, worden afgeleid dat de strafkamer de desbetreffende personen reeds definitief als 'slachtoffer' in de zin van de tenlastelegging heeft aangemerkt. Dat geldt zeker ook ten aanzien van de (vermeende) 'slachtoffers' waarvan de verhoren nader dienen te worden onderzocht. Ook heeft de strafkamer, zij het niet consequent, de toevoeging 'vermeende' gebruikt. Ten aanzien van deels dezelfde personen wordt die toevoeging soms wel en soms niet gebruikt. Daaruit kan worden afgeleid dat de rechtbank niet de bedoeling heeft gehad om, daar waar die toevoeging niet is gebruikt, reeds een oordeel te geven over de vraag of de desbetreffende personen daadwerkelijk 'slachtoffer' zijn in de zin van de tenlastelegging. Evenmin is met het gebruik van de aanduiding 'slachtoffer' (met of zonder de toevoeging 'vermeende') gezegd dat deze personen 'slachtoffer' (als bedoeld in de tenlastelegging) zijn geworden van de gedragingen van [verzoeker].

3.5. Ter zake de vierde wrakingsgrond geldt onverkort hetgeen onder 3.2 is overwogen.

De strafkamer heeft in de reactie op het wrakingsverzoek de motivering van het oordeel aangevuld dat 'eenduidig blijkt dat verdachte vanuit Nederland meerdere malen telefonisch contact met het slachtoffer heeft gehad'. Samengevat is gesteld dat met de telefoon van [verzoeker] is gebeld en dat [verzoeker] zijn telefoon niet aan anderen placht te geven. Aan verzoeker kan worden toegegeven dat het tussenvonnis op dit onderdeel kort is gehouden, maar de wrakingskamer is niet van oordeel dat op grond daarvan een gegronde vrees voor vooringenomenheid kan bestaan.

3.6. Ook ten aanzien van de vijfde wrakingsgrond wordt allereerst verwezen naar hetgeen onder 3.2. is overwogen. Daarnaast merkt de wrakingskamer op dat de door de strafkamer gegeven interpretatie, te weten dat 'de rechtbank van oordeel [is] dat in het geval er vrijspraak volgt voor een van de meisjes ter zake het primair ten laste gelegde kan worden uitgeweken naar het subsidiair ten laste gelegde feit", op zichzelf (en evenmin in samenhang met de andere gronden) niet blijk geeft van vooringenomenheid. Daarvan zou pas sprake kunnen zijn indien de uitleg van de strafkamer zo onbegrijpelijk is dat daaraan slechts vooringenomenheid ten grondslag kan liggen. Dat is niet het geval.

De stelling van [verzoeker] dat sprake is van grondslagverlating kan hij desgewenst in hoger beroep aan de orde stellen.

3.7 Geen van de wrakingsgronden treft doel, zodat het verzoek moet worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. C.H. de Haan, A.L. Smit en F. Koster, rechters, en in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.W.G. Wijnands in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2011.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie onder meer artikel 302 Wetboek van Strafvordering