Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BP7363

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
Awb 10/1220
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor toepassing artikel 29b, eerste lid, van de ZW, alleen reden indien sprake is van een nieuwe dienstbetrekking bij een nieuwe werkgever. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 10/1220

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Eiser te woonplaats,

gemachtigde: G.K. Gootjes,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toekenning van een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ten aanzien van een werknemer van eiseres afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 1 juni 2010 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 6 januari 2011 behandeld.

Eiseres is niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H. Knigge.

Overwegingen

1. De heer (…) (hierna te noemen: werknemer) is op 1 januari 1998 in dienst getreden bij eiseres in de functie van engineer. Met ingang van 7 mei 2002 heeft werknemer een uitkering in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 1 januari 2004 is de uitkering herzien en is de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer verlaagd naar 25 tot 35%. Vanaf 1 januari 2005 is werknemer gere-integreerd bij eiseres en wel in de functie van inspecteur/ontwerper. Eiseres heeft het UWV bij aanvraagformulier van

13 december 2009 verzocht om ten behoeve van werknemer op grond van artikel 29b van de ZW tot betaling van ziekengeld over te gaan over de periode van ziekmelding van werknemer vanaf 10 september 2009. Dit heeft geleid tot het hierboven vermelde primaire besluit van 22 december 2009, waarbij verweerder het verzoek heeft afgewezen omdat werknemer niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest bij zijn indiensttreding en derhalve niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 29b van de ZW. Vervolgens heeft de verdere besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld in de vorige rubriek.

2.1 Namens eiseres is in beroep – kort gezegd – aangevoerd dat werknemer per

1 januari 2005 opnieuw bij eiseres in dienst is getreden en dat hij op dat moment de status van arbeidsgehandicapte had. Werknemer had vanaf dat moment recht op ziekengeld op grond van artikel 29b van de ZW. Werknemer valt volgens eiseres onder de overgangsregeling van de WAO naar de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

2.2 Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep van

eiseres niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het bestreden besluit dateert van

1 juni 2010 en het beroepschrift van eiseres is gedateerd op 12 juli 2010, terwijl dit blijkens het stempel van de rechtbank pas op 15 juli 2010 bij de rechtbank lijkt te zijn binnengekomen. Voor het geval de rechtbank het beroep van eiseres toch ontvankelijk acht, is daarnaast namens verweerder ter zitting naar voren gebracht dat tussen eiseres en werknemer sprake is geweest van een doorlopend dienstverband en dat gekeken moet worden naar de indiensttreding van werknemer op 1 januari 1998. Op dat moment was werknemer niet arbeidsongeschikt. Gelet hierop is verweerder van mening dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen.

3.1 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep overweegt de rechtbank

allereerst als volgt.

3.1.1 Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt – voor zover hier van belang – dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt.

3.1.2 Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de

dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. De wijze van bekendmaking van besluiten is geregeld in de artikel 3:41 en 3:42 van de Awb.

3.1.3 Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 december 2009, LJN: BK7349) kan een verplichting tot toezending aan een ander dan de belanghebbende worden aangenomen indien het bestuursorgaan door of door toedoen van belanghebbende zelf ervan op de hoogte is gesteld dat in de betreffende zaak voor hem of haar een gemachtigde optreedt.

3.1.4 De rechtbank stelt vast dat in de bezwaarfase middels een zogenaamd antwoordformulier door eiseres aan verweerder is kenbaar gemaakt dat G.K. Gootjes namens haar als gemachtigde zou optreden. Uit de vervolgens gevoerde correspondentie tussen verweerder en de gemachtigde zoals die zich in het dossier bevindt, leidt de rechtbank af dat dit ook daadwerkelijk bekend was bij verweerder. Nu het bestreden besluit alleen aan eiseres zelf is gezonden en niet aan de gemachtigde, is het besluit ingevolge voornoemde rechtspraak niet “op de voorgeschreven wijze” als bedoeld in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bekend gemaakt en is de beroepstermijn niet gaan lopen. Ervan uitgaande dat, zoals in het beroepschrift gesteld, het besluit op bezwaar vervolgens pas op 3 juni 2010 aan de gemachtigde bekend is geworden, is de termijn eerst op dat moment aangevangen en zes weken daarna, te weten op 15 juni 2010, geëindigd. Nu het beroepschrift van 12 juni 2010 is voorzien van een poststempel van 14 juni 2010 en bij de rechtbank is binnengekomen op

15 juni 2010, is het beroep naar het oordeel van de rechtbank tijdig ingesteld, zodat het beroep van eiseres ontvankelijk is.

3.2 Voor het overige overweegt de rechtbank als volgt.

3.2.1 Ingevolge artikel 29b, eerste lid, van de ZW, heeft de onder a tot en met e nader omschreven werknemer vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn aangevangen in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.

3.2.2 Blijkens het overgangsrecht zoals vastgelegd in artikel 90, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW wordt - voor zover hier van belang - als werknemer in de zin van

artikel 29b, eerste lid, van de ZW naast de werknemers genoemd in dat lid, eveneens aangemerkt de persoon die, voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 1.4, onderdeel G, van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel vervalt op grond van artikel 2.10 van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, voor de duur van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en vijf jaar na die periode voor de arbeidsgehandicapte bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet REA.

3.2.3 Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet REA wordt onder andere als arbeidsgehandicapte aangemerkt, de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO.

3.3 Niet in geschil is dat werknemer op 1 januari 3005 de status van arbeidsgehandicapte had. Hij valt daarmee onder het begrip werknemer van artikel 29b, eerste lid, van de ZW zoals hiervoor onder 3.2.2 omschreven.

3.4 Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de werknemer de status van arbeidsgehandicapte had, onmiddellijk voorafgaand aan de dienstbetrekking met eiseres.

3.4.1 Uit de tekst van artikel 29b, eerste lid, aanhef en onder a van de ZW, blijkt niet met zoveel woorden dat sprake moet zijn van een nieuw dienstverband bij een nieuwe werkgever. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat dit in beginsel het geval moet zijn. Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel “Vaststelling van nieuwe regels met betrekking tot de re-integratie van arbeidsgehandicapte”, welk wetsvoorstel onder meer een wijziging van artikel 29b van de ZW behelsde, is de vraag aan de orde geweest of artikel 29b van de ZW ook zou gelden voor een nieuw dienstverband bij de oude werkgever. De rechtbank acht hiervoor vooral van belang de volgende passage in het verslag van de Handelingen Eerste Kamer 1997-1998, nr. 25478, pag. 1449, waarin de staatssecretaris van Sociale Zaken opmerkt: “Als wij het hebben over een nieuwe functie bij de oude werkgever waarvoor artikel 29b wél kan worden toegepast, is dat alleen nadat er ontslag is geweest via de directeur van de Arbvo of het kantongerecht. Er moet dus echt sprake zijn geweest van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met daarna een nieuwe functie”.

3.4.2 Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat voor toepassing van artikel 29b, eerste lid, van de ZW, alleen reden bestaat indien sprake is van een nieuwe dienstbetrekking bij een nieuwe werkgever, tenzij een nieuwe dienstbetrekking is aangegaan bij dezelfde werkgever na beëindiging van de vorige dienstbetrekking met gebruikmaking van een ontslagvergunning of op grond van ontbinding door de kantonrechter. Wanneer zulks het geval is, dient vervolgens beoordeeld te worden of die nieuwe dienstbetrekking bij de oude werkgever een wezenlijk andere functie inhoudt dan de oude functie. Pas wanneer ook dat het geval is, kan worden toegekomen aan de betaling van ziekengeld op grond van

artikel 29 van de ZW.

3.4.3 Nu in het onderhavige geval geen sprake is van beëindiging van de vorige dienstbetrekking met gebruikmaking van een ontslagvergunning, noch op grond van ontbinding door de kantonrechter, is de functie van ontwerper/inspecteur waarin werknemer per 1 januari 2005 werkzaam is, geen nieuwe dienstbetrekking als hiervoor bedoeld. De vraag of werknemer onmiddellijk voorafgaand aan zijn dienstbetrekking arbeidsgehandicapte was, dient derhalve beantwoord te worden aan de hand van de indiensttreding van werknemer op 1 januari 1998. Aangezien werknemer voorafgaand aan dat moment niet arbeidsongeschikt was, beantwoordt de rechtbank deze vraag ontkennend. Gelet hierop is de aanvraag door verweerder terecht afgewezen.

4. Het beroep is daarom ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk, voorzitter, mr W.F. Bijloo en

mr. P.H. Banda, rechters, en door de voorzitter en mr. M.D. Moeke als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.