Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BP7354

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
Awb 10/1159
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijstandsaanvraag terecht afgewezen voor niet toegelaten vreemdeling; COA als voorliggende voorziening; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 10/1159

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

eiseres te woonplaats,

gemachtigde: mr. J.H. Kruseman,

en

het college van burgemeester en wethouders van Urk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2010 heeft verweerder de uitkeringsaanvraag van eiseres in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 4 juni 2010 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 6 januari 2011 behandeld.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Kramer.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 29 december 2009 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Reden van deze aanvraag is haar gezondheidstoestand en de kosten van haar verblijf en zorg die daarmee gepaard gaan. De bijstandsaanvraag is bij bovengenoemd besluit van 14 januari 2010 afgewezen, omdat eiseres volgens verweerder niet een met een Nederlander gelijk te stellen persoon is als bedoeld in artikel 11, tweede lid van de WWB. Vervolgens heeft verdere besluitvorming plaatsgevonden zoals opgenomen in de vorige rubriek.

2.1 Namens eiseres is in beroep – kort samengevat – aangevoerd dat eiseres, gelet op het

bepaalde in de artikelen 13, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wel degelijk aanspraak maakt op een bijstandsuitkering in de zin van de WWB. Daarnaast is de Regeling verstrekking asielzoekers (RVA) waar verweerder op wijst voor eiseres niet toereikend, zodat er geen toereikende voorliggende voorziening is. Eiseres heeft hulp nodig in verband met haar gezondheidstoestand, welke hulp haar in het asielzoekerscentrum niet wordt geboden. Vandaar is eiseres genoodzaakt om elders (bij haar kinderen op het adres (…. Nr .. te Urk) te verblijven.

2.2 Verweerder heeft in reactie hierop – kort gezegd – naar voren gebracht dat de

bijstandsaanvraag van eiseres is afgewezen aangezien zij op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB, in combinatie met artikel 8, onder j, van de Vw 2000, is uitgesloten van het recht op bijstand. Nu voor eiseres geen recht op bijstand bestaat hoeft geen onderzoek te worden verricht naar een eventuele voorliggende voorziening (alhoewel die er wel is). In het bestreden besluit is slechts een verwijzing opgenomen naar een voorliggende voorziening om eiseres er op te wijzen dat er andere verstrekkingen zijn in Nederland waar zij wel een beroep op kan doen.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1. Niet in geschil is dat eiseres als niet toegelaten vreemdeling op grond van

artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Gelet daarop is artikel 16, tweede lid, van de WWB (de zogeheten koppelingsregeling) op eiseres van toepassing en kan aan haar zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel, geen uitkering op grond van de WWB worden toegekend.

3.2 Met betrekking tot het beroep op artikel 13 van het ESH overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB – zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 juni 2010, LJN: BM9795) artikel 13 van het ESH geen een ieder verbindende bepaling is als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. In genoemd artikel is sprake van algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op bijstand valt te ontlenen. Het beroep op strijdigheid met dit artikel faalt derhalve.

3.3 Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM stelt de rechtbank voorop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als the “very essence” van het EVRM aanmerkt, respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene (zie ook de uitspraak van de CRvB van 29 april 2010,

LJN: BM1992).

3.4 In een brief van de huisarts van eiseres van 25 juli 2010 wordt vermeld dat eiseres lijdt aan ernstig hartfalen, COPD en nierfunctiestoornissen en dat zij daarnaast gewrichtsklachten heeft, veroorzaakt door osteoporose en artrose.

3.5 De fysieke toestand van eiseres en de complexiteit van haar kwalen nopen volgens de huisarts tot het aanwezig zijn van hoogstaande en snel aanwezige medische hulp. Volgens eiseres kan zij deze zorg alleen in haar woning in Urk krijgen, vanwege de thuiszorg die zij daar krijgt en de mantelzorg van haar kinderen. Ook de maatschappelijk werker van eiseres laat in een brief van 27 november 2010 weten dat eiseres zich kan handhaven dankzij de zorg van haar kinderen en huishoudelijke en verzorgende hulp van de thuiszorg die zij ontvangt. Daarnaast wijst de maatschappelijk werker op de noodzaak van regelmatig bezoek van de huisarts.

3.6 Gelet op het hiervoor onder 3.4 overwogene kan ten aanzien van eiseres naar het oordeel van de rechtbank worden gesteld dat zij op basis van haar gezondheidssituatie tot de categorie kwetsbare personen behoort die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven.

3.7 Hierin ligt naar het oordeel van de rechtbank echter niet besloten dat aan eisers, met voorbijgaan aan het koppelingsbeginsel zoals neergelegd in artikel 16, tweede lid, van de WWB, alsnog op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand zou moeten worden toegekend. De positieve verplichting van de staat om in de gegeven omstandigheden recht te doen aan artikel 8 van het EVRM dient naar het oordeel van de rechtbank, met inachtneming van voornoemde “margin of appreciation” en het primaat van de wetgever, met op de situatie van eiseres toegesneden voorzieningen gestalte te worden gegeven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de wetgever de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule heeft gebracht. Bij de wijze waarop aan artikel 8 van het EVRM recht moet worden gedaan dient de beperkte doelstelling van de WWB dan ook voorop te staan. De positieve verplichting van de staat om in de omstandigheden van eiseres recht te doen aan artikel 8 van het EVRM rust naar het oordeel van de rechtbank dan ook op het bestuursorgaan dat belast is, dan wel de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in

artikel 15, eerste lid, van de WWB.

3.8 Naar het oordeel van de rechtbank is een zodanig bestuursorgaan in dit geval het COA, dat op basis van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) en de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) zorg draagt voor de opvang van asielzoekers en daarmee gelijkgestelde personen en aldus uitvoering geeft aan een voorliggende voorziening.

3.9 Of voornoemde voorliggende voorziening voor eiseres al dan niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank niet het criterium op grond waarvan de bijstandsaanvraag beoordeeld dient te worden. Anders dan ter zitting namens eiseres is betoogd, is de vraag die hier beantwoord dient te worden, of – de voorliggende voorziening en alle overige omstandigheden in aanmerking nemend – sprake is van een onhoudbare situatie. De CRvB heeft zich hier in een uitspraak in een vergelijkbare zaak aldus over uitgelaten, door in dat geval te oordelen dat niet aannemelijk was gemaakt dat sprake was van een onhoudbare situatie omdat de aan belanghebbende geboden zorg en ondersteuning volstrekt ontoereikend en zelfs, naar de mening van de belanghebbende, inhumaan zou zijn (zie de uitspraak van de CRvB van 21 september 2010, LJN: BN8725). In de onderhavige situatie is gesteld noch gebleken dat van een dergelijke onhoudbare situatie bij eiseres sprake zou zijn.

4. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de weigering van bijstand over de hier te beoordelen periode tot effect had dat de normale ontwikkeling van het privéleven van eiseres, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, onmogelijk werd gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de bijstandsaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Het beroep is derhalve ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, mr. E. Steendijk en

mr. P.H. Banda, rechters, en door de voorzitter en mr. M.D. Moeke als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.