Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BP7055

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
07.660304-10 (P) + 07.660304-08 (VTVV)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte meermalen zijn echtgenote heeft mishandeld door haar onder meer te verbieden te drinken, te verbieden het huis te verlaten en te dwingen sambal te eten. De rechtbank is van oordeel dat het slachtoffer daardoor in haar gezondheid is benadeeld. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank in het bijzonder in overweging genomen dat deze erbarmelijke situatie waarin (stelselmatig) huiselijk geweld voorkwam dat het verdachtes zoon is geweest die een einde heeft willen maken aan het lijden van zijn moeder en het afhankelijke en angste bestaan dat het slachtoffer heeft gehad. Vrijspraak van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummers: 07.660304-10 (P) + 07.660304-08 (VTVV)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland,

Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Op 27 januari 2011 is het onderzoek aangevangen en op 17 februari 2011 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.E.M. van de Ven en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 1 september 2010 tot en met 13 oktober 2010 in de gemeente Zeewolde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam echtgenote] (zijn echtgenote), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een gesp (van een riem) in haar gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 13 oktober 2010 in de gemeente Zeewolde (meermalen) opzettelijk mishandelend en/of opzettelijk de gezondheid benadelend (telkens) zijn echtgenote, althans een persoon, te weten [naam echtgenote],

- meermalen, in ieder geval eenmaal heeft geslagen op/tegen/in het gezicht en/of het gehele lichaam en/of

- meermalen, in ieder geval eenmaal heeft verboden om te drinken en/of om eten te pakken en/of

- meermalen, in ieder geval eenmaal die [naam echtgenote] heeft verboden het huis te verlaten en/of

- meermalen, in ieder geval eenmaal die [naam echtgenote] heeft gedwongen om (grote) hoeveelheden sambal, in ieder geval een dergelijke pittige substantie te eten en/of

- meermalen, in ieder geval eenmaal die [naam echtgenote] heeft gedwongen om (een) afspra(a)k(en) in het ziekenhuis en/of bij een specialist af te zeggen en/of

- die [naam echtgenote] heeft verboden naar het revalidatiecentrum toe te gaan en/of die [naam echtgenote] (tegen het advies van de behandelend arts in) uit het revalidatiecentrum (waar die [naam echtgenote] was opgenomen) heeft meegenomen naar huis en/of heeft laten ontslaan en/of - meermalen, in ieder geval eenmaal die [naam echtgenote] heeft gedwongen om alcohol te drinken (terwijl zij medicatie gebruikt) en/of

- meermalen, in ieder geval eenmaal de medicatie van die [naam echtgenote] heeft afgenomen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden en/of in haar gezondheid is benadeeld;

3.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 13 oktober 2010 in de gemeente Zeewolde (meermalen) [naam echtgenote] (zijn echtgenote) (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans (telkens) met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [naam echtgenote] dreigend de woorden toegevoegd :"niet zo, want dan trap ik je echt helemaal dwars door mijn huis heen" en/of dat hij, verdachte, die [naam echtgenote] in elkaar gaat trappen en/of dat hij, verdachte die [naam echtgenote] door het huis zou schoppen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 13 oktober 2010 in de gemeente Zeewolde (meermalen) opzettelijk [naam echtgenote] (zijn echtgenote) (telkens) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door (telkens) met dat opzet en wederrechtelijk

- (meermalen) tegen die [naam echtgenote] te zeggen dat zij het huis niet uit mocht en/of

- de huissleutel van die [naam echtgenote] af te pakken en/of de huissleutel buiten bereik van die [naam echtgenote] te houden en/of

- die [naam echtgenote] naar binnen (in het huis) te roepen/te halen (zodra de buren thuiskomen) en/of

- (nadat zij het huis was uitgelopen) die [naam echtgenote] vast te pakken en (vervolgens) het huis binnen te trekken en tegen die [naam echtgenote] te zeggen:"mee naar binnen jij" en/of

- de schoenen van die [naam echtgenote] in een (afgesloten) kast te zetten en/of

- de bankpas en/of het paspoort van die [naam echtgenote] af te pakken en/of onder zich te houden

tengevolge waarvan die [naam echtgenote] (telkens) (enige tijd) van haar vrijheid beroofd is en/of is gehouden;

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Inleiding

Bij de beoordeling van deze zaak stelt de rechtbank op basis van het voorliggende procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het navolgende vast.

Ten aanzien van het ten laste gelegde

Op 29 september 2010 krijgt verbalisant Hogeveen de melding naar de woning aan de [adres] te gaan, alwaar er een persoon zou zijn mishandeld en bedreigd. Ter plaatse treft verbalisant een hevig geëmotioneerde [naam zoon] in de buurwoning, te weten [adres 2] aan. Hij verklaarde dat hij de woning van zijn ouders had verlaten en er niet meer tegen kon dat zijn moeder, [naam echtgenote], door zijn vader werd mishandeld. Een eerder voorgevallen mishandeling d.d. 26 september 2010 had hij met zijn mobiele telefoon gefilmd. Daarnaast had [naam zoon] nog twee filmpjes gemaakt.

Nadere bestudering van de filmpjes heeft geleid tot de aanhouding van verdachte op 13 oktober 2010.

Aansluitend doet mevrouw [naam echtgenote] op 13 oktober 2010 aangifte tegen haar echtgenoot. Zij verklaarde stelselmatig door haar echtgenoot te worden mishandeld en bedreigd.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. ten laste gelegde wordt vrijgesproken vanwege het ontbreken van wettig bewijs. De verdachte dient voor het onder 2., met uitzondering van het gedwongen sambal eten, het gedwongen afzeggen van afspraken en het verbieden naar een revalidatiecentrum te gaan, het onder 3. en het onder 4. ten laste gelegde te worden veroordeeld. Zij heeft daartoe verwezen naar de aangifte van [naam echtgenote], de getuigenverklaring van [naam zoon], de getuigenverklaring van [naam buurman] en de zich in het dossier bevindende filmpjes.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1., 2., afgezien van het eerste gedachtenstreepje, 3. en 4. ten laste gelegde – zoals vervat in zijn pleitnota -vrijspraak bepleit.

Hij heeft daartoe voor het onder 1. ten laste gelegde aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voor handen is om tot een bewezenverklaring te komen.

Voor het onder 2. ten laste gelegde heeft de raadsman opgemerkt dat het verbieden van eten en drinken pakken en het verbieden het huis te verlaten niet gekwalificeerd kan worden als een mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. Het gedwongen sambal eten, het dwingen tot het afzeggen van afspraken en het verbieden om naar het revalidatiecentrum te gaan kan niet bewezen worden gelet op het feit dat slechts aangeefster hierover verklaart en de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen die toezien op deze gedachtenstreepjes als de auditu verklaringen aangemerkt moeten worden. Tevens kan het dwingen tot het gebruiken van alcohol en het afnemen van medicatie niet worden bewezen. Aangeefster [naam echtgenote] verklaart niet over dwang bij het drinken van alcohol en uit de aangifte blijkt niet dat er medicijnen werden afgenomen.

De onder 3. ten laste gelegde bedreiging kan evenmin bewezen worden. De raadsman heeft betoogd dat aangeefster de ten laste gelegde bewoordingen niet ervaren heeft als een bedreiging omdat dergelijk taalgebruik tussen verdachte en aangeefster normaal is.

Bij de onder 4. ten laste gelegde vrijheidsberoving is geen sprake geweest van opzet aan de kant van verdachte. Verdachte wilde zijn vrouw omwille van haar broze geestelijke en lichamelijke gezondheid beschermen. Aangeefster kon zich ieder moment onttrekken aan deze bescherming.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Gelet op hetgeen zich thans in het dossier bevindt, alsmede op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, is, nu slechts de aangifte van [naam echtgenote] rept over het slaan met een gesp van een riem, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van hetgeen hem onder 1. ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

- de periode van 1 januari 2010 tot en met 13 oktober 2010

De rechtbank overweegt dat het beginpunt van de periode genoemd in de tenlastelegging is vast te stellen uit de zich in het dossier bevindende verklaringen. De rechtbank verwijst daartoe naar de verklaringen van [naam zoon] en [naam buurman].

Zoon [naam zoon] verklaart dat zijn moeder regelmatig mishandeld werd. “Dat gebeurde wel 3 keer per maand. Ik denk sinds mijn veertiende. In 2008 is er sprake geweest van de meeste ruzie.”

Buurman [naam buurman] verklaart sinds 1 augustus 2008 naast verdachte en [naam echtgenote] te wonen. Over de ten laste gelegde gebeurtenissen verklaart hij: “Nou, eigenlijk is het ieder weekend wel raak. Het laatste incident waar ik getuige van was, gebeurde ongeveer anderhalve week geleden.’

- meermalen/eenmaal slaan op/tegen/in het gezicht en/of het gehele lichaam

De verdediging heeft betoogd dat verdachte eenmaal een klap tegen het hoofd van [naam echtgenote] heeft gegeven.

De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte [naam echtgenote] meermalen in het gezicht dan wel tegen het lichaam heeft geslagen. Zij overweegt daartoe het navolgende.

[naam echtgenote] heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte haar vaak slaat. Verdachte pakt haar bij haar armen zodat ze komt te vallen en slaat haar in het gezicht. Aangeefster ondervindt hiervan pijn. Deze verklaring wordt onder meer ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen waarin één van de door [naam zoon] gemaakte filmpjes is uitgeschreven. De verbalisant ziet op het filmpje d.d. 26 september 2010 dat [naam echtgenote] zeker zes keer in haar gezicht geslagen wordt door verdachte. Voor het meermalen mishandelen en slaan tegen het lichaam verwijst de rechtbank naar de verklaring van [naam zoon] waarin hij aangeeft dat zijn moeder zeker drie keer in de maand mishandeld wordt en het proces-verbaal van bevindingen waarin filmfragmenten beschreven worden. Verbalisanten relateren dat te zien is dat aangeefster wordt geduwd, verdachte naar haar toeloopt, in zijn handen klapt en verbalisanten vervolgens horen dat aangeefster “Nee, auw” roept en “Niet slaan”. Vervolgens horen verbalisanten aangeefster zeggen: “Je slaat me”, waarop zij verdachte horen antwoorden “Ja, en nog veel meer”.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het meermalen slaan tegen/in het gezicht en het gehele lichaam wettig en overtuigend bewezen.

- meermalen/eenmaal verbieden om te drinken en/of eten te pakken

- meermalen/eenmaal dwingen tot het eten van sambal

Aangeefster heeft verklaard dat zij niet altijd drinken mocht pakken van verdachte, maar dat zij wel voor de lunch haar eigen brood mocht smeren. Het niet mogen drinken herhaalt zij bij het sambal-incident. Zij verklaart hierover dat zij van verdachte een theelepel sambal moest eten. Daarna mocht zij niets drinken. Over het sambal eten verklaart [naam echtgenote] dat haar mond ontzettend brandde en zij erg graag wilde drinken maar de angst groter was dan de pijn. Nadat zij zelf sambal had gegeten moest aangeefster verdachte een lepeltje sambal geven.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaring van [naam echtgenote] zeer betrouwbaar en authentiek is. Aangeefster beschrijft duidelijk hoe de verstandhouding tussen haar en verdachte was en geeft daarbij aan dat zij angstig was. Het verbieden van verdachte om te drinken en het dwingen tot het eten van sambal kan gelet op de aangifte en de verklaring van verdachte waarin hij aangeeft zelf sambal te hebben gegeten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat verdachte, gezien de omstandigheden die zich afspeelden in de verstandhouding tussen verdachte en aangeefster, slechts een grapje maakte, zoals door hem betoogd. Door [naam echtgenote] te verbieden te drinken en te dwingen sambal te eten is zij in haar gezondheid benadeeld.

- meermalen/eenmaal verbieden het huis te verlaten

Aangeefster schetst in haar verklaring het beeld dat zij zich niet vrij mag bewegen in het huis en zich niet buitenshuis mocht begeven. Zij verklaart zo goed als nooit buiten te komen. Af en toe mocht zij met haar jas aan buiten zitten. Als [naam echtgenote] buiten het zicht van verdachte kwam riep hij haar direct terug. De aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van [naam zoon] en [naam buurman]. Zoon [naam zoon] verklaart dat zijn moeder ernstig beperkt werd door zijn vader en dat zij zich niet vrij kan bewegen. Buurman [naam buurman] verklaart dat hij zag dat verdachte [naam echtgenote] hardhandig mee het huis in trok en daarbij zei: “Mee naar binnen jij” . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het niet verstandig vond dat zijn echtgenote de woning alleen verliet. Dit zou hij hebben gedaan om haar te beschermen. De rechtbank is echter van oordeel dat niet is gebleken dat het noodzakelijk was dat mevrouw [naam echtgenote] de woning in Zeewolde alleen onder begeleiding mocht verlaten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte meermalen [naam echtgenote] heeft verboden het huis te verlaten. Temeer nu verdachte in zijn verklaring bij de politie heeft aangegeven dat hij degene was die de regels bepaalde.

De rechtbank is van oordeel dat door het verbieden [naam echtgenote] het huis te verlaten zij in haar gezondheid is benadeeld.

- meermalen/eenmaal dwingen om afspraken in het ziekenhuis en/of bij een specialist af te zeggen

- verbieden naar het revalidatiecentrum toe te gaan en/of [naam echtgenote] (tegen het advies van de behandelend arts in) uit het revalidatiecentrum heeft meegenomen naar huis en/of heeft laten ontslaan

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de stukken die zich in het dossier bevinden en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte hetgeen onder bovengenoemde gedachtenstreepjes ten laste is gelegd heeft begaan.

De rechtbank zal derhalve verdachte partieel vrijspreken van het onder 2. ten laste gelegde.

- meermalen/eenmaal dwingen om alcohol te drinken

Aangeefster [naam echtgenote] verklaart in haar aangifte dat zij zelf geen alcohol drinkt. Als zij wel alcohol nuttigt doet zij dit om verdachte te plezieren. Zij verklaart met geen enkel woord over dwang. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte [naam echtgenote] heeft gedwongen om alcohol te drinken.

De rechtbank zal derhalve verdachte partieel vrijspreken van het onder 2. ten laste gelegde.

- meermalen/eenmaal medicatie afnemen.

Aangeefster verklaart niets over het afnemen van medicatie. Bovendien verklaart zoon [naam zoon] dat als zijn moeder ernaar vroeg, zij uiteindelijk haar medicijnen kreeg.

Gelet op het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat het afnemen van medicatie niet bewezen kan worden verklaard. Zij zal verdachte derhalve partieel vrijspreken van het onder 2. ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot en met 13 oktober 2010 zijn echtgenote [naam echtgenote] bedreigd heeft.

Door verdachte wordt niet ontkend dat hij tegen zijn echtgenote de bewoordingen heeft geuit die ten laste zijn gelegd.

Betwist wordt echter dat er sprake zou zijn geweest van een bedreiging zoals bedoeld is in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat voor een bewezenverklaring van de bedreiging van [naam echtgenote] in voornoemde periode is vereist dat de bedreiging van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte haar zou mishandelen. De rechtbank merkt hierbij op dat niet vereist is dat de bedreiging in het concrete geval een dusdanige indruk heeft gemaakt dat er daadwerkelijk vrees is opgetreden. De bedreiging moet van dien aard zijn en onder dusdanige omstandigheden geuit dat deze in het algemeen een redelijke vrees kan doen opwekken.

De rechtbank overweegt dat de door verdachte geuite woorden een onmiskenbare dreigende strekking hadden in die zin dat zij in het algemeen een redelijke vrees kunnen opwekken -zoals bovendien door aangeefster is verklaard in de aangifte – en acht de onder 3. ten laste gelegde bedreiging, gelet op voornoemde aangifte en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 februari 2011, waarin hij erkent de in de tenlastelegging gebezigde bewoordingen tegen zijn echtgenote te hebben geuit , derhalve bewezen.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of er wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat er sprake is van de onder 4. ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt:

In onderhavige zaak zou de wederrechtelijke vrijheidsberoving zich voor hebben moeten doen in de ten laste gelegde periode van 1 januari 2010 tot en met 13 oktober 2010. Mevrouw [naam echtgenote] heeft op 13 oktober 2010 aangifte gedaan tegen verdachte. In deze aangifte verklaart zij dat zij zich als een gevangene in haar eigen huis voelt en niet verder buitenshuis mag komen dan in de tuin. Ook zou verdachte haar schoenen, bankpas, paspoort en huissleutel hebben afgenomen.

In het dossier zijn onder andere verklaringen van zoon [naam zoon] en buurman [naam buurman] voorhanden om tot een mogelijke bewezenverklaring van het onder 4. ten laste gelegde te komen. De rechtbank is echter van oordeel dat uit deze verklaringen niet volgt dat mevrouw [naam echtgenote] in de ten laste gelegde periode wederrechtelijk van haar vrijheid is beroofd. In dit verband hecht de rechtbank eraan op te merken dat het wel zo kan zijn geweest dat mevrouw [naam echtgenote] in haar doen en laten zodanig werd beperkt door verdachte en dat zij dit ervaren heeft als een beroving van haar vrijheid.

Het enige onderdeel van de tenlastelegging dat naar het oordeel van de rechtbank echter bewezen kan worden verklaard is het door verdachte vastpakken en naar binnen sleuren van mevrouw [naam echtgenote] en dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te spreken van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het wetboek van Strafrecht..

De rechtbank is gelet op het voornoemde van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat mevrouw [naam echtgenote] in de ten laste gelegde periode door verdachte wederrechtelijk van haar vrijheid is beroofd.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 4. ten laste gelegde.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 13 oktober 2010 in de gemeente Zeewolde meermalen opzettelijk mishandelend en opzettelijk de gezondheid benadelend telkens zijn echtgenote, te weten [naam echtgenote],

- meermalen, heeft geslagen tegen/in het gezicht en het gehele lichaam en

- meermalen, heeft verboden om te drinken en

- meermalen, die [naam echtgenote] heeft verboden het huis te verlaten en

- eenmaal, die [naam echtgenote] heeft gedwongen om sambal te eten,

waardoor deze pijn heeft ondervonden en in haar gezondheid is benadeeld.

3.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 13 oktober 2010 in de gemeente Zeewolde [naam echtgenote] zijn echtgenote heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam echtgenote] dreigend de woorden toegevoegd :"niet zo, want dan trap ik je echt helemaal dwars door mijn huis heen" en dat hij, verdachte, die [naam echtgenote] in elkaar gaat trappen en dat hij, verdachte die [naam echtgenote] door het huis zou schoppen.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 2:

Mishandeling begaan tegen zijn echtgenote, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 300 juncto 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

Bedreiging met zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 DE STRAFOPLEGGING

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar met aftrek van het voorarrest.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte in de erbarmelijkheid van de gezinssituatie zoals deze gedurende langere tijd bestond, een leidende rol heeft gehad. Gedurende een periode van zeker tien maanden heeft hij zijn echtgenote zowel fysiek als psychisch mishandeld en bedreigd. Door dit handelen van verdachte verkeerde zijn echtgenote in een afhankelijk en angstig bestaan dat uitmondde in een wanhopige toestand waarin zij kennelijk geen andere uitweg zag dan een suïcidepoging te doen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat het zijn zoon heeft moeten zijn die in een emotionele toestand een einde heeft gemaakt aan het lijden van zijn moeder door de hulp van de politie in te roepen. Door het handelen van verdachte heeft hij niet alleen het leven van zijn echtgenote beschadigd, maar zeer aannemelijk is, gelet op de verklaring van de zoon van verdachte, dat ook zijn kinderen hierdoor zijn getraumatiseerd.

De rechtbank gaat bij de oplegging van de straf uit van het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 januari 2011 eerder is veroordeeld wegens huiselijk geweld. Ook toen was zijn echtgenote het slachtoffer. Verdachte is destijds in de gelegenheid gesteld zich te laten behandelen voor zijn gedrag, maar is desondanks toch weer in ernstige mate in de fout gegaan. Bovendien toont verdachte, ondanks de eerder ondergane behandeling voor zijn gedrag, geen enkel inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen, hetgeen de rechtbank hem zwaar aanrekent. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte fors gestraft dient te worden.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de vordering van de officier van justitie noodzakelijk is omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zou worden.

9 DE VORDERING TENUITVOERLEGGING

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 9 november 2009, te weten een taakstraf van de duur van 60 (zestig) uren, ten uitvoer zal worden gelegd.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair de proeftijd met één jaar te verlengen.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande en het in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank bij vonnis van 9 november 2009 voorwaardelijk opgelegde taakstraf toe te wijzen.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 14h, 14i, 14j, 27, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van de tenlastelegging

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1. en 4. ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* op grond dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering toe te weten een taakstraf voor de duur van 60 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de uitspraak van de meervoudige kamer van 9 november 2009 in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.I. van der Kris, voorzitter, mrs. A.C. Schroten en R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2011.