Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BP6936

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
170085 / FA RK 10-1401
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BX7942, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1157
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De meervoudige familiekamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft 4 maart uitspraak gedaan in de zaak van het Indiase echtpaar. Het verzoek van Indiase echtpaar om door een DNA onderzoek te laten vaststellen dat een door Nederlandse ouders geadopteerde jongen hun biologische zoon is, is door de rechtbank afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 227
Burgerlijk Wetboek Boek 1 228
Burgerlijk Wetboek Boek 1 229
Burgerlijk Wetboek Boek 1 230
Burgerlijk Wetboek Boek 1 231
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377b
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/65
JPF 2011/78 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Lelystad

zaaknummer: 170085 / FA RK 10-1401

datum:

beschikking van de meervoudige familiekamer

inzake

1. [Naam Eiser 1],

2. [Naam eiser 2],

beiden wonende te [Plaats], gelegen in de deelstaat [staat] te India,

advocaat mr. E. Schoneveld,

hierna gezamenlijk als verzoekers aangeduid,

verzoekers,

en

1. [Gedaagde 1],

wonende te [Plaats],

advocaat mr. D.J.I. Kroezen,

hierna als de vader aangeduid,

2. [Gedaagde 2],

wonende te [Plaats],

advocaat mr. J.A. Wesdorp,

hierna als de moeder aangeduid,

gezamenlijk ook te noemen: de adoptiefouders,

belanghebbenden,

en

mr. L.D.H. Lesmeister,

advocaat te Almere,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over

de hierna te melden minderjarige [Naam kind],

hierna als de bijzondere curator aangeduid.

Het procesverloop

Bij beschikking van 30 augustus 2010 van deze rechtbank zijn de beslissingen aangehouden op de verzoeken

- tot het vaststellen van het ouderschap van verzoekers middels DNA-onderzoek,

- tot het afgeven van een verklaring voor recht dat verzoekers de biologische ouders van [Naam kind] zijn,

- tot het afgeven van een verklaring voor recht over het al dan niet bestaan van family life tussen verzoekers en [Naam kind],

- tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen verzoekers en [Naam kind] en een informatieregeling ten aanzien van [Naam kind].

Voorts is een deskundigenonderzoek gelast waarbij de in die beschikking vermelde onderzoeksvragen beantwoord dienen te worden en is op voorstel van partijen en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) [Naam 1], kinder- en jeugdpsycholoog en orthopedagoog, als deskundige benoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien binnengekomen stukken:

- een brief van 04 november 2010 van de deskundige [Naam 1] (hierna: [Naam 1]), met als bijlagen een verslag van het psychologisch onderzoek van [Naam kind] van 04 november 2010, een schriftelijke reactie van 27 oktober 2010 van de adoptiefouders op het concept verslag van [Naam 1], een verslag ten behoeve van [Naam kind], afzonderlijke verklaringen van de adoptiefouders en [Naam kind] van 01 november 2010;

- een faxbericht van 16 november 2010 van mr. Kroezen, mede namens mr. Wesdorp;

- een faxbericht van 09 december 2010 van mr. Schoneveld;

- een faxbericht van 13 december 2010 van mr. Kroezen, mede namens mr. Wesdorp;

- een faxbericht van 16 december 2010 van mr. Lesmeister, en

- een brief van 06 januari 2011 van mr. Schoneveld met als bijlage een rapport van 21 december 2010 van [Naam 2] inhoudende commentaar op het verslag van het psychologisch onderzoek van [Naam 1].

Er heeft geen verdere behandeling ter zitting plaatsgevonden.

Vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar de eerder gegeven beschikking van 30 augustus 2010.

Beoordeling van de zaak

De rechtbank blijft bij hetgeen in de eerdere beschikking van 30 augustus 2010 is overwogen en beslist, welke overwegingen en gronden worden geacht als hier herhaald en ingelast te zijn voor zover hierna niet anders wordt beslist.

Verzoekers en de adoptiefouders hebben in hun laatste brieven/faxberichten verzocht een beslissing te geven op hun verzoeken. Gelet hierop en nu de rechtbank zich op grond van de stukken en de eerdere behandelingen ter zitting voldoende geïnformeerd acht om een beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van verzoekers en de adoptiefouders, zal de rechtbank bij deze beschikking een eindbeslissing geven.

Ontvankelijkheid van het verzoek tot DNA-onderzoek

De rechtbank zal allereerst de vraag aan de orde stellen of verzoekers ontvankelijk zijn in hun verzoek tot DNA-onderzoek.

Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun stelling dat [Naam kind] hun zoon is - die is ontvoerd en nadien door adoptiefouders is geadopteerd - een aantal stukken overgelegd, welke reeds zijn genoemd in de beschikking van 30 augustus 2010 (onder het kopje “Vaststaande feiten”). Verzoekers hebben thans een aantal nadere stukken overgelegd:

- een beëdigde verklaring van 08 december 2006 van [Naam], adjunct hoofdinspecteur van politie, afdeling georganiseerde misdaad, en

- een kopie van de zogenaamde “charge sheet”van 29 september 2007.

Gelet op het bovenstaande en nu daar tegenover van de kant van de adoptiefouders slechts een blote ontkenning staat van de door verzoekers gestelde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval de mogelijkheid bestaat dat verzoekers de biologische ouders van [Naam kind] zijn.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verzoekers ontvankelijk zijn in hun verzoek tot DNA-onderzoek. De rechtbank zal dan ook het verzoek van adoptiefouders om verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek tot DNA-onderzoek afwijzen.

Vaststelling ouderschap door middel van DNA-onderzoek

De adoptiefouders hebben gesteld dat er geen rechtsgrond aanwezig is op basis waarvan de wettelijk vertegenwoordigers kunnen worden verplicht hun kind DNA te laten afstaan terwijl dit kind dat niet wil. De rechtbank ziet aanleiding om eerst te beoordelen of het in het belang van [Naam kind] is om te weten of verzoekers zijn biologische ouders zijn.

In aansluiting op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [Naam kind] een eerste overweging dienen te vormen bij de beoordeling van voormeld verzoek van verzoekers. In geval van conflict van belangen, behoren de belangen van het kind in de regel de doorslag te geven.

Hierbij merkt de rechtbank op dat het in beginsel in het belang van (adoptie)kinderen is om te weten wie hun biologische ouders zijn.

Uit het verslag van het psychologische onderzoek van [Naam kind] verricht door [Naam 1] blijkt - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende.

[Naam kind] blijft bij zijn besluit dat hij geen medewerking wil verlenen aan een DNA-onderzoek.

[Naam kind] is een evenwichtige jongen die zowel op cognitief, emotioneel als op sociaal niveau leeftijdsadequaat functioneert. Hij is in staat om het perspectief van de ander in te nemen en zijn eigen mening te vormen. Hij uit zijn mening op een rustige, gedifferentieerde en overdachte wijze.

[Naam kind] en de adoptiefouders hebben een hechte, warme band die gestoeld is op wederzijds respect en bescherming. [Naam kind] voelt zich verbonden met de adoptiefouders en familie en voelt zich door hen gewaardeerd. [Naam kind] is loyaal naar de adoptiefouders. India is alomtegenwoordig in zijn dagelijks leven en hoort bij hem en zijn adoptiegezin. Hij weet dat hij geadopteerd is en waardeert dit als positief en zijn biologische ouders hebben een plaats in zijn persoonlijke geschiedenis. Er wordt in het gezin respectvol gesproken over India en over de biologische ouders van [Naam kind].

[Naam kind] is volgens [Naam 1] qua intelligentie en persoonlijkheid in staat om de beslissing te nemen om geen DNA af te staan. Het besluit wordt niet ingegeven door eenzijdige angst of loyaliteit naar de adoptiefouders maar door een weloverwogen afweging hoe hij zijn leven nu graag wil leven. [Naam kind] zal de gevolgen van een DNA-onderzoek niet aankunnen nu volgens [Naam 1] contact met verzoekers hem ernstig zou ontregelen.

[Naam 1] schat in dat [Naam kind] op het moment dat zijn situatie stabiel en onbedreigd is, zelf de keuze gaat maken om uit te gaan zoeken wie zijn biologische ouders zijn. [Naam kind] heeft zelf ook gesteld dat er voor hem wel een moment zal komen dat hij meer wil weten. Dat moment is er nu nog niet en hij verschuift het tot in de volwassenheid (na zijn 18e). Dit is gelet op de ontwikkelingstaken voor geadopteerden zeker passend te noemen.

In feite kan gesteld worden dat het geen vraag is of er DNA afgestaan wordt, maar dat het een timingsvraag is geworden.

[Naam 1] acht het in het belang van [Naam kind] dat zijn tempo maatgevend is voor alle acties inzake bewijzen van verwantschap, contact en bezoekregelingen. De controle dient bij het kind te liggen omdat alleen dan [Naam kind] in staat is zijn ontwikkelingspad naar behoren te voltooien.

De adoptiefouders en de bijzondere curator hebben aangegeven zich te kunnen vinden in het rapport en de daarin vermelde conclusies. Verzoekers hebben de rechtbank bericht dat zij zich niet kunnen vinden in de bevindingen en de conclusies van [Naam 1].

Als reactie op het verslag van [Naam 1] hebben verzoekers het verslag aan mevrouw

[Naam 2] (hierna: [Naam 2]) voorgelegd. [Naam 2] heeft op 21 december 2010 een rapport opgesteld waarin commentaar wordt gegeven op de door [Naam 1] gehanteerde onderzoeksmethode en de inhoud van het verslag.

Verzoekers hebben aangegeven zich meer te kunnen vinden in de conclusies en bevindingen van [Naam 2] dan in die van [Naam 1].

[Naam 2] adviseert dat een onafhankelijke partij de verantwoordelijkheid van [Naam kind] overneemt en voor hem beslist spoedig een DNA-onderzoek te doen. [Naam 2] kan de vraag of [Naam kind] capabel is om geen DNA-onderzoek te wensen niet met een volmondig ‘ja’ beantwoorden.

Voorts adviseert zij dat er aanvullend onderzoek wordt gedaan via behandeling van een psychotherapeut.

De rechtbank volgt de deskundige [Naam 1] om de volgende redenen.

Anders dan [Naam 2] heeft [Naam 1] - waarvan beide partijen en de Raad hebben aangegeven dat zij deskundig in deze is - wel onderzoek naar [Naam kind] gedaan. Gelet op de rapportage van [Naam 1] in samenhang met hetgeen verder uit de stukken en ter zitting aan de rechtbank is gebleken, is de rechtbank niet alleen van oordeel dat de deskundige [Naam 1] voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht, maar ook dat haar hierboven genoemde bevindingen en conclusies overtuigend zijn.

Zo acht de rechtbank het ook zeer goed voorstelbaar, dat [Naam kind] angst heeft - zoals onder meer uit het rapport van [Naam 1] volgt - dat hij bij een positieve DNA-match terug naar India zou moeten, gelet op hetgeen in de media aan de orde is gekomen en het optreden daarin van de vermeende biologische moeder. Als verzoekers dan vervolgens in deze procedure stellen vooralsnog niet voornemens te zijn [Naam kind] op te eisen - hetgeen dus uitdrukkelijk de mogelijkheid openlaat dat dit zomaar kan veranderen - en ook aangifte doen van kinderroof of kinderontvoering tegen de adoptiefouders, is volstrekt logisch dat [Naam kind] angst heeft om mee te werken aan een DNA-onderzoek. Zijn medewerking aan een DNA-onderzoek zou in zijn gedachte er immers toe kunnen leiden dat hij terug moet naar India of dat het tot een strafrechtelijke veroordeling van zijn adoptiefouders komt. Hiermee is ook volstrekt logisch en begrijpelijk dat [Naam kind] op dit moment in zijn leven geen DNA-onderzoek wil.

Dat verzoekers in deze procedure ook gesteld hebben dat zij [Naam kind] niet bij zijn adoptiefouders willen weghalen, maakt het bovenstaande niet anders. Het gaat immers niet om de (wisselende) signalen die verzoekers afgeven, maar om hoe [Naam kind] deze signalen heeft opgepakt en wat de gevolgen daarvan voor hem zijn.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de kritiek van [Naam 2] op het rapport van de deskundige [Naam 1] onvoldoende om aan [Naam 1] bevindingen en conclusies voorbij te gaan. Zo onderbouwt [Naam 2] haar mening wel met het aangeven van mogelijke alternatieve hypotheses en met verwijzingen naar de nodige literatuur ten aanzien van adoptie in het algemeen, maar de rechtbank ziet zich geplaatst voor een beslissing in deze bijzondere en specifieke situatie waarin [Naam kind] verkeert en waarnaar [Naam 2] geen onderzoek heeft gedaan.

De rechtbank volgt ook niet het advies van [Naam 2] voor aanvullend onderzoek via behandeling van [Naam kind] door een psychotherapeut. Nog daargelaten dat juist ook uit dit advies niet volgt, dat het op dit moment in belang is van [Naam kind] om mee te werken aan een DNA-onderzoek, zal de rechtbank het advies niet volgen omdat de rechtbank zich ten aanzien van de door haar in deze te nemen beslissing voldoende voorgelicht acht.

Concluderend acht de rechtbank het noodzakelijk dat [Naam kind] zijn situatie als stabiel en veilig ervaart. Dit is nu onvoldoende het geval. Met de deskundige [Naam 1] is de rechtbank dan ook van oordeel dat in deze zaak [Naam kind]'s tempo maatgevend moet zijn. Het is dus niet in het belang van [Naam kind] om het verzoek waar dat ziet op het DNA-onderzoek toe te wijzen.

Met betrekking tot de afweging van de belangen van [Naam kind], van verzoekers en het door hen aangevoerde maatschappelijk belang alsmede het belang van DNA-onderzoek voor het strafrechtelijk onderzoek dat in India loopt inzake kinderhandel overweegt de rechtbank het navolgende.

Aan de zwaarwegende belangen van verzoekers moet voorbij gegaan worden, alsmede aan het gestelde maatschappelijk belang en het gestelde belang van het onderzoek in India, omdat het belang van [Naam kind] ook in het licht van artikel 3 IVRK zwaarder weegt. Het gaat hier immers om het belang van het kind zijn eigen ontwikkelingspad naar behoren te voltooien. Hier doet ook niet aan af het beroep van verzoekers op artikel 8 IVRK, nog daargelaten dat dit artikel een recht van het kind betreft en niet van de ouders.

Op grond van het bovenstaande - in onderling verband en samenhang beschouwd - zal de rechtbank het verzoek van verzoekers ter zake van het vaststellen van het ouderschap van hen ten opzichte van [Naam kind] door middel van DNA-onderzoek afwijzen. Gelet hierop zal de rechtbank het verweer van de adoptiefouders met betrekking tot de rechtsgrond (het ontbreken van een wettelijke grondslag voor verplicht DNA-onderzoek) verder buiten beschouwing laten.

Verklaring voor recht ter zake van biologisch ouderschap

Uit een faxbericht van 16 juni 2010 van mr. Schoneveld blijkt dat verzoekers, indien een DNA-onderzoek wordt afgewezen, een verklaring voor recht wensen dat zij de biologische ouders van [Naam kind] zijn.

Nu niet geconcludeerd kan worden dat verzoekers de biologische ouders zijn van [Naam kind] op grond van DNA-onderzoek en ook overigens onvoldoende objectieve omstandigheden zijn aangevoerd die tot die conclusie zouden moeten leiden, zal de rechtbank geen verklaring voor recht geven omtrent het biologisch ouderschap.

Family life

De adoptiefouders hebben verzocht voor recht te verklaren dat er geen family life bestaat tussen verzoekers en [Naam kind]. Verzoekers wensen zo blijkt uit voormeld faxbericht van Schoneveld dat voor recht wordt verklaard dat er wel sprake is van family life tussen hen en [Naam kind].

De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen onder het kopje “Verklaring voor recht ter zake van biologisch ouderschap”. Nu niet vast staat dat [Naam kind] (niet) de zoon van verzoekers is die zij, zoals door hen gesteld, vanaf zijn geboorte tot aan het moment van ontvoering hebben verzorgd en opgevoed, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of er al dan niet sprake is van een band die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of als een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoekers en [Naam kind]. De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot het voor recht verklaren dat er wel of geen family life bestaat tussen verzoekers en [Naam kind].

Omgang en informatieregeling

Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.

Op grond van het tweede lid stelt de rechter op verzoek van de ouders, van één van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een regeling inzake de uitoefening van het omgangrecht vast.

Blijkens artikel 1:377b, eerste lid, BW geldt het informatierecht ter zake van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind slechts voor ouders en blijkens de jurisprudentie is dit uitgebreid tot personen die in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind.

Nu niet vast staat dat verzoekers de biologische ouders van [Naam kind] zijn of dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoekers en [Naam kind], waarbij wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen, zal het verzoek van verzoekers ter zake van de omgang alsmede het verkrijgen van informatie en foto’s worden afgewezen.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het in familiezaken gebruikelijke uitgangspunt met betrekking tot de proceskosten. De proceskosten zullen dan ook tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Kosten deskundigenonderzoek

De rechtbank zal verzoekers, nu zij in het ongelijk zullen worden gesteld, veroordelen in de kosten van het deskundigenonderzoek van in totaal € 4.763,=.

Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken van verzoekers en de adoptiefouders af;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen kosten zal dragen;

veroordeelt verzoekers in de kosten van het deskundigenonderzoek van in totaal

€ 4.763,=, welke kosten dienen te worden voldaan aan de griffier door overmaking op arrondissement Zwolle onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaaknummer.

Aldus gegeven door mrs. A.C. van de Velde-ter Beek (voorzitter), M.A. Pot en

G.J.J.M. Essink, rechters, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. J.K. Franken, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2011.