Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BP5037

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
517689 CV 10-6171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Vordering kennelijk onredelijk ontslag verjaard omdat er te laat is gestuit. Geen ruimte voor -subsidiaire- vordering gebaseerd op handelen in strijd met goed werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0133

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 517689 CV EXPL 10-6171

Datum : 8 februari 2011

Vonnis in de zaak van:

[eisende partij],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

verder te noemen [eisende partij],

gemachtigde mr. H.C.S. van Deijk-Amzand, verbonden aan FNV Bouw,

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde partij],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij],

gemachtigde mr. M.E.L.U Janssen.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding van 11 augustus 2010

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

Het geschil

[eisende partij] vordert van [gedaagde partij] betaling van € 67.500 bruto schadevergoeding en € 500 buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

[gedaagde partij] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eisende partij], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

De beoordeling

1.

Het volgende staat vast.

Tussen partijen heeft vanaf 9 juni 1986 een loondienstverband bestaan. Het dienstverband is door opzegging van de kant van [gedaagde partij], na daartoe verkregen toestemming, ingaande 1 mei 2009 rechtsgeldig geëindigd.

Bij brief van 4 september 2009 heeft de toenmalige gemachtigde van [eisende partij], mr. D. Djulbic, eveneens werkzaam bij FNV Bouw, aan [gedaagde partij] geschreven, kort samengevat, dat de opzegging kennelijk onredelijk is en dat aanspraak wordt gemaakt op betaling van ruim € 58.000.

Bij brief van 15 september 2009 heeft de gemachtigde van [gedaagde partij] deze stellingname en aanspraak bestreden.

Vervolgens heeft de huidige gemachtigde van [eisende partij] bij brief van 11 maart 2010 aan [gedaagde partij] bericht, kort samengevat, dat de opzegging kennelijk onredelijk is en dat in verband daarmee een procedure aanhangig zal worden gemaakt. De bedoeling van de brief was, zo volgt uit de tekst, de verjaring te stuiten.

Vervolgens is op 11 augustus 2010 de dagvaarding aan [gedaagde partij] betekend.

2.

De vordering van [eisende partij] berust op de stelling dat [gedaagde partij] schadeplichtig is, primair, omdat de opzegging kennelijk onredelijk is en, subsidiair, omdat de opzegging in strijd is met goed en zorgvuldig werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW.

3.

[gedaagde partij] heeft zich in de eerste plaats verweerd met de stelling dat de vordering van [eisende partij] is verjaard. De kantonrechter zal eerst dit meest verstrekkende verweer beoordelen.

4.

De verjaringstermijn van zes maanden bedoeld in artikel 7:683 lid 1 BW begon op 1 mei 2009 en liep af op 1 november 2009. Deze termijn is tijdig gestuit door middel van de brief van 4 september 2009. Partijen zijn het daarover eens. Ook zijn partijen het eens dat de nieuwe termijn van zes maanden op 5 september 2009 is ingegaan.

Volgens [gedaagde partij] was de brief van 11 maart 2010 te laat, omdat de nieuwe verjaringstermijn van eveneens zes maanden op die datum was verstreken. [eisende partij] heeft echter aangevoerd dat uit artikel 3:319 lid 2 laatste zin BW blijkt dat de (eerste) verjaringstermijn pas op 1 november 2009 is verstreken zodat de brief van 11 maart 2010 nog op tijd was.

5.

De kantonrechter verwerpt de lezing van [eisende partij]. De kantonrechter is met partijen van oordeel dat uit artikel 3:319 lid 1 BW volgt dat de tweede verjaringstermijn de dag na de brief van 4 september 2009 is ingegaan. De tweede zin van lid 2 van dit artikel, waarop [eisende partij] zich beroept, ziet op de situatie dat de eerste verjaringstermijn meer dan vijf jaren bedraagt en de eerste stuiting van de verjaring plaatsvindt meer dan vijf jaren voor het aflopen van die verjaringstermijn. Ten gevolge van de eerste zin van lid 2, waarin is bepaald dat de tweede verjaringstermijn niet meer dan vijf jaren bedraagt, zou de verjaring dan eerder voltooid zijn dan zonder die stuiting het geval zou zijn geweest. De wetgever heeft die situatie willen vermijden door de tweede zin van lid 2. [gedaagde partij] heeft dus gelijk waar zij stelt dat de tweede verjaringstermijn op 11 maart 2009 was verstreken.

6.

De slotsom is dat (de gemachtigde van) [eisende partij] de (tweede) verjaringstermijn te laat heeft gestuit en dat de vordering van [eisende partij] voor zover die op de gestelde kennelijk onredelijke opzegging berust, is verjaard.

7.

[eisende partij] heeft zijn vordering subsidiair gebaseerd op de stelling dat de opzegging in strijd is met --kort gezegd-- de eisen van goed werkgeverschap. In verband daarmee overweegt de kantonrechter het volgende. De kennelijk onredelijke opzegging is een in de wet geregelde bijzondere vorm van een tekortkoming, te weten het handelen in strijd met de eisen van goed werkgeverschap bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Er bestaat geen ruimte om de opzegging, bijvoorbeeld indien de vordering op grond van 7:683 lid 1 BW is verjaard, ook te toetsen aan de redelijkheid en de billijkheid zoals omschreven in artikel 7:611 BW of de algemene bepaling van artikel 6:248 BW. De in de artikelen 7:681 tot en met 7:683 BW opgenomen regeling is uitputtend bedoeld. De kantonrechter verwijst naar HR 11 mei 1979, NJ 1979, 441 in welk arrest is beslist, kort gezegd, dat naast de regeling van artikel 7A:1639s BW (oud) geen ruimte is voor een toetsing van de opzegging aan artikel 1374 BW (oud), vanwege het specifieke toetsingscriterium, de genuanceerde uitwerking van de gevolgen en de korte verjaringstermijn van de regeling inzake de kennelijk onredelijke opzegging. In het arrest HR 3 december 1999, NJ 2000, 235 is herhaald dat de regeling van artikel 7A:1639S BW (oud) uitputtend is.

De vordering is daarom evenmin op de subsidiaire grondslag toewijsbaar.

8.

Uit laatstgenoemd arrest van de Hoge Raad volgt overigens ook dat een buitencontractuele toetsing van de opzegging wel mogelijk is. Indien een vordering tot schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag is verjaard, is een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad wel mogelijk, mits de opzegging op zichzelf beschouwd een onrechtmatige daad van de werkgever is, bijvoorbeeld indien het UWV Werkbedrijf opzettelijk door [gedaagde partij] is misleid.

Deze grondslag is echter niet aan de vordering van [eisende partij] (eventueel meer subsidiair) ten grondslag gelegd, terwijl de door [eisende partij] aangevoerde feiten en omstandigheden, afgezien van de betwisting door [gedaagde partij] en de bevoegdheid van de kantonrechter, onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat sprake zou kunnen zijn van een onrechtmatige daad.

9.

De slotsom is dat de vordering van [eisende partij] moet worden afgewezen en [eisende partij] als verliezende partij in de proceskosten moet worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

1.

wijst de vordering af;

2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, tot op heden aan de kant van [gedaagde partij] begroot op € 1.200,00 (twee punten à € 600,00) wegens salaris gemachtigde;

3.

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 8 februari 2011.