Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BP3585

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
07.660204-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat mensenbeten de aanmerkelijke kans met zich meebrengen dat zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Dit in verband met de schadelijke bacteriën uit de mond en de kans op infecties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.660204-10 (P)

Uitspraak: 20 januari 2011

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans verblijvende in de [P.I. ].

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2010 en 6 januari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.J. Buis, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, en de verdachte naar voren is gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 juli 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij], surveillant Politie Flevoland, van het leven te beroven, met dat opzet (met kracht)

- die [benadeelde partij] met één of beide handen bij de keel en/of nek heeft vastgepakt/vastgegrepen en/of

- vervolgens de keel, althans de luchtweg, heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, althans heeft getracht dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 juli 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], surveillant Politie Flevoland, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij]:

- op/tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of;

- in de armen en/of benen heeft gebeten en/of;

- bij de keel/nek heeft vastgepakt/vastgegrepen en/of

- vervolgens de keel, althans de luchtweg, heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, althans heeft getracht dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 juli 2010 in de gemeente [plaats], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij], surveillant Politie Flevoland, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

- op/tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of geschopt/getrapt en/of;

- in de armen en/of benen heeft gebeten en/of;

- bij de keel/nek heeft vastgepakt/vastgegrepen en/of

- vervolgens de keel, althans de luchtweg, heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, althans heeft getracht dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden,

waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 oktober 2009 tot en met 16 juli 2010 in de gemeente [plaats] meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Vaststaande feiten

Op 16 juli 2010 omstreeks 21.48 uur ontvangt de regiopolitie Flevoland via het portofoonnet een noodoproep. De noodoproep blijkt afkomstig van de portofoon van verbalisant [benadeelde partij], die alleen surveilleert op de fiets in de [adres] te [plaats]. De meldkamer kan geen contact krijgen met [benadeelde partij]. Door gearriveerde eenheden van de politie wordt [benadeelde partij] niet aangetroffen op de [adres]. Na enkele minuten komen er meldingen dat een agent in gevecht is met een man aan de [adres] te [plaats].Gelijktijdig deelt [benadeelde partij] via de portofoon mede dat hij zich op de [adres] bevindt.

Nadat [verbalisant] ter plaatse is gearriveerd wordt de man, te weten verdachte, aangehouden. [benadeelde partij] doet aangifte van mishandeling door verdachte. Uit de verklaring van [benadeelde partij] blijkt dat hij verdachte heeft aangehouden in verband met vermoedelijke overtreding van de Opiumwet, te weten het verkopen van verdovende middelen. Tijdens de insluitingsfouillering treft de politie 23 bolletjes vermoedelijk verdovende middelen en een geldbedrag in kleine coupures bij verdachte aan. Naar later blijkt bevatten de bolletjes heroïne en cocaïne.

Op 19 juli 2010 meldt [getuige 1] zich bij de politie daar hij een verklaring wenst af te leggen omtrent een hem bekende dealer van harddrugs, te weten verdachte.

Uit een proces-verbaal omtrent CIE informatie blijkt dat in februari 2010 en juli 2010 een man met de bijnaam “[bijnaam 1]” heroïne en cocaïne dealt via de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. De informant wijst verdachte aan als de persoon die “[bijnaam 1]” wordt genoemd. Hierna is een aantal kopers van verdovende middelen door de politie gehoord.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Feit 1.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde. De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [benadeelde partij], de verklaring van verdachte en de foto’s van het letsel van aangever.

Feit 2.

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op verklaringen van de getuigen, de historische printgegevens van de telefoon van verdachte, het aantreffen van verdovende middelen bij verdachte en het aantreffen bij verdachte van een som geld in kleine coupures.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsman heeft zich – evenals de officier van justitie – op het standpunt gesteld dat vrijspraak van het primair ten laste gelegde dient te volgen.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het derde en vierde gedachtenstreepje van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde, aangezien met uitzondering van de (subjectieve) verklaring van aangever geen enkele getuige heeft verklaard dat verdachte de keel van aangever heeft dichtgeknepen. Uit de medische verklaring of uit de foto’s van het letsel van aangever kan eveneens niet worden afgeleid dat de keel van aangever is dichtgeknepen.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, gezien voorgaande en omdat het bijten niet een poging oplevert tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Feit 2.

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. In het algemeen zijn de verklaringen van verslaafden, zoals de getuigen, niet betrouwbaar. De resultaten van de enkelvoudige fotoconfrontatie zijn – volgens wetenschappelijk onderzoek – ook niet betrouwbaar, gezien het voorgaande.

De in de tenlastelegging genoemde periode gedurende welke verdachte verdovende middelen zou hebben verkocht kan reeds daarom niet juist zijn omdat verdachte gedurende een deel van deze periode nog niet in Nederland verbleef. Verdachte verblijft pas anderhalf jaar in Nederland. De verklaring van getuige [getuige 2] dat zij drie jaar verdovende middelen van verdachte kocht kan derhalve niet juist zijn. Dit onderstreept de onbetrouwbaarheid van getuigenverklaringen van verslaafde getuigen.

Naast de verklaringen van de (verslaafde) getuigen bevindt zich geen steunbewijs in het dossier. De telefonische contacten tussen verdachte en de getuigen zijn verklaarbaar, aangezien verdachte in de scene van verslaafden leefde en derhalve met hen contact onderhield.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde – evenals de officier van justitie en de verdediging – niet wettig en overtuigend bewezen en zal derhalve verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Aangever [benadeelde partij] heeft verklaard dat verdachte met grote kracht zijn keel probeerde dicht te knijpen. Uit de geneeskundige verklaring en uit de foto’s van aangevers letsel is niet af te leiden dat enig letsel bij de keel van aangever is ontstaan. Derhalve heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat aangever bij zijn keel is gegrepen door verdachte. De rechtbank zal derhalve verdachte (partieel) vrijspreken van het derde en vierde gedachtenstreepje.

Aangever [benadeelde partij] heeft verklaard dat verdachte schoppende en slaande bewegingen maakte waardoor hij werd geraakt. Daarna heeft verdachte hem in zijn onderarm en in zijn been gebeten. Deze verklaring komt in grote lijnen overeen met de verklaring van getuige [getuige 3], die heeft verklaard dat zij een vechtpartij tussen een agent zag en een donker getinte man. De getuige [getuige 3] heeft hierover verklaard dat de man schoppende bewegingen maakte richting de politieman en dat de politieman in zijn arm en in zijn been is gebeten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangever heeft gebeten.

Derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever tegen het lichaam heeft geslagen en geschopt en in een arm en been heeft gebeten (het eerste en tweede gedachtenstreepje).

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat mensenbeten, ook indien geen gevaar op HIV-besmetting dan wel hepatitis-besmetting aanwezig zou zijn, de aanmerkelijke kans met zich brengen dat zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Uit algemeen toegankelijke bronnen blijkt dat mensenbeten gevaarlijk zijn, omdat met de beet schadelijke bacteriën uit de mond in de huid en/of bloedbaan van de andere persoon kunnen worden gebracht. Hierdoor kunnen moeilijk te behandelen infecties ontstaan. Het risico op infectie door een mensenbeet is groot en kan mogelijk zelfs de dood tot gevolg hebben. Het is eveneens een feit van algemene bekendheid dat een bacteriële infectie in en rond een wond de kans op een abnormaal litteken groter maakt. Dat gevaar is dusdanig groot dat naar algemene ervaringsregels van een aanmerkelijke kans gesproken kan worden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, alleen al door het tot bloedens toe bijten in de arm en been van aangever , willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij aangever zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De handelingen van verdachte moeten, gezien hun uiterlijke verschijningsvorm, ook geacht worden daarop gericht te zijn geweest.

De rechtbank acht derhalve het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte heeft verklaard dat hij de persoon is op de foto met nummer [nummer].

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte (bijgenaamd “[bijnaam 2]”) heroïne en cocaïne verkocht, en dat hij gedurende maart tot en met begin juli 2010 cocaïne van verdachte heeft gekocht. Verdachte zou gebruik maken van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Uit de historische printgegevens blijkt dat [getuige 1] veelvuldig kortstondig telefonisch contact had met verdachte in de periode van 20 januari 2010 tot en met 8 juli 2010.

De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat een donkere man (bijgenaamd “[bijnaam 1]”) dealt in heroïne en cocaïne en het telefoonnummer [telefoonnummer 1] gebruikt. Verdachte zou gebruik maken van dat telefoonnummer. Uit de historische printgegevens blijkt dat [getuige 4] veelvuldig telefonisch contact had met verdachte in de periode van 26 oktober 2009 tot en met 1 juli 2010.

De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij verdachte (bijgenaamd “[bijnaam 2]” of “[bijnaam 1]”) hem wit en bruin verkocht vanaf begin 2010 tot 21 juli 2010, waarbij verdachte gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1]. Uit historische printgegevens blijkt dat [getuige 5] veelvuldig telefonisch contact had met verdachte in de periode van 6 januari 2010 tot en met 16 juli 2010.

De getuige [getuige 6] heeft verklaard dat verdachte (bijgenaamd “[bijnaam 3]”) hem cocaïne verkocht, dat verdachte ook heroïne verkocht en dat verdachte gebruikt maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2].

De getuige [getuige 7] heeft verklaard dat verdachte (bijgenaamd “[bijnaam 2]”) haar heroïne en cocaïne verkocht en gebruikt maakte van telefoonnummer [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. Uit historische printgegevens blijkt dat [getuige 7] gedurende de periode van 15 januari 2010 tot en met 9 juni 2010 achttien maal telefonisch contact heeft gehad met verdachte.

De getuige [getuige 7] heeft verklaard dat verdachte – door hem genoemd [naam] (bijgenaamd “[voornaam verdachte]” of “[bijnaam 2]”) – hem bruin en wit verkocht en gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer 2] en een oud telefoonnummer had met viermaal een vier. Uit historische printgegevens blijkt dat [getuige 7] in de periode van 30 mei tot en met 16 juli 2010 veelvuldig kortstondig telefonisch contact had met verdachte.

De getuige [getuige 9] heeft verdachte herkend als “[voornaam verdachte]” en heeft verklaard dat verdachte gebruikt maakte van telefoonnummer [telefoonnummer 1].

De getuige [getuige 10] heeft verklaard dat verdachte (bijgenaamd “[bijnaam 4]” of “[voornaam verdachte]”) hem cocaïne verkocht en dat verdachte gebruikt maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en een oud telefoonnummer met viermaal een vier. Uit historische printgegevens blijkt dat [getuige 10] veelvuldig kortstondig telefonisch contact had met verdachte in de periode van 12 november 2009 tot en met 16 juli 2010.

De getuige [getuige 11] heeft verklaard dat verdachte hem cocaïne verkocht. Uit historische printgegevens blijkt dat veelvuldig telefonisch contact had met verdachte was in de periode van 30 januari 2010 tot en met 25 juni 2010.

De getuige [getuige 12] heeft verklaard dat hij heroïne en coke kocht van verdachte (bijgenaamd “[bijnaam 2]”). Uit historische printgegevens blijkt dat [getuige 12] veelvuldig kortstondig telefonisch contact heeft gehad met verdachte in de periode van 24 november 2009 tot en met 13 juli 2010.

De getuige [getuige 13] heeft verklaard dat verdachte haar cocaïne verkocht. Uit historische printgegevens blijkt dat [getuige 13] meermalen kortstondig telefonisch contact heeft gehad met verdachte in de periode van met tot en met juli 2010.

De getuige [getuige 14] heeft verklaard dat verdachte hem cocaïne verkocht. Tevens verkocht verdachte heroïne. Verdachte maakte volgens [getuige 14] gebruik van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. Uit historische printgegevens blijkt dat [getuige 14] zeer veelvuldige kortstondige telefonische contacten had met verdachte in de periode van januari tot en met april 2010.

De getuige [getuige 15] heeft verklaard dat verdachte (bijgenaamd “[bijnaam 2]” of “[bijnaam 1]”) hem heroïne verkocht. Uit historische printgegevens blijkt dat [getuige 15] veertien maal kortstondig telefonisch contact heeft gehad met verdachte in de periode van 15 januari 2010 tot en met 19 april 2010.

Gezien het eenduidige karakter – in onder meer bijnamen, de gebruikte telefoonnummers van verdachte en de herkenningen van verdachte aan de hand van de foto met nummer [nummer] – van de verklaring van voornoemde getuigen en het aantal getuigen is niet aannemelijk geworden dat deze getuigen hun verklaringen in strijd met de waarheid hebben afgelegd. De rechtbank acht dan ook de verklaringen, in onderlinge samenhang gelezen, betrouwbaar. Het gegeven dat het om verslaafde getuigen gaat, doet aan dit oordeel niet af. Uit voornoemde verklaringen van de getuigen blijkt genoegzaam dat verdachte in de ten laste gelegde periode opzettelijk heroïne en cocaïne verkocht, afleverde, verstrekte en vervoerde.

Derhalve acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

5. DE BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1. ( subsidiair)

hij op 16 juli 2010 in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], surveillant Politie Flevoland, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij]:

- tegen het lichaam heeft geslagen en geschopt en;

- in een arm en een been heeft gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij in de periode van 26 oktober 2009 tot en met 16 juli 2010 in de gemeente [plaats] meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Van het onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit uitsluiten.

7. DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, strafbaar gesteld bij de artikelen 302, 45 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, lid 4, van de Opiumwet.

8. DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

9. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit een aanmerkelijk lagere straf dan geëist op te leggen en heeft hij verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen die de duur van 12 maanden niet te boven gaat, met een voorwaardelijk deel.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van surveillant van politie [benadeelde partij] door hem in zijn arm en been te bijten en tegen het lichaam te slaan en te schoppen. Dat [benadeelde partij] geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte toe te rekenen is. De rechtbank rekent dit feit verdachte zwaar aan, daar [benadeelde partij] een agent is die zich bezig hield met de uitoefening van zijn politietaken.

De rechtbank houdt rekening met de richtlijnen van het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (verder te noemen: LOVS). Hieruit volgt een oriëntatiepunt van 8 maanden gevangenisstraf voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen. De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met het gegeven dat het bewezenverklaarde een poging betreft. De rechtbank houdt echter ten nadele van verdachte rekening met het gegeven dat volgens artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht één-derde hoger gestraft mag worden aangezien het slachtoffer een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening betreft. Derhalve acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voor het onder 1 ten laste gelegde feit passend en geboden.

De rechtbank is van oordeel dat het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van harddrugs een ernstig feit is. Cocaïne en heroïne zijn immers stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en sterk verslavend zijn.

Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in harddrugs mee dat een zwartgeld circuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Dat is ook de reden dat op de handel in harddrugs zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

De rechtbank houdt als aanknopingspunt voor de op te leggen straf voor dit feit eveneens rekening met de richtlijnen van het LOVS. Hieruit volgt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden indien er sprake is van overtreding van artikel 2 onder B van de Opiumwet waarbij harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in gebruikershoeveelheden vanuit een pand of op straat gedurende 6 tot 12 maanden met enige regelmaat. In casu is hier sprake van, daar verdachte gedurende een periode van bijna 8 maanden met enige regelmaat aan een grote groep verslaafden harddrugs verkocht.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de richtlijnen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 december 2010.

10. HET BESLAG

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd ter zake de op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” vermelde voorwerpen, te weten het geld en de mobiele telefoon.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft teruggave aan verdachte bepleit van de in beslag genomen goederen. Hoewel wellicht sprake is van het verkopen van verdovende middelen, betekent dit niet zonder meer dat al het geld dat bij verdachte is aangetroffen afkomstig is van het strafbare feit. Deze gevolgtrekking is niet gehonoreerd door de Hoge Raad. Daarom moet (een gedeelte van) het geld worden teruggegeven aan de verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, zoals opgenomen op de “Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” d.d. 2 december 2010 overweegt de rechtbank het navolgende.

De rechtbank is van oordeel dat de nummers 1 en 2 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen vermelde voorwerpen dienen te worden verbeurdverklaard, omdat het aan verdachte toebehorende geld geheel of grotendeels door middel van het onder 2 bewezen verklaarde feit is verkregen. Voorts is met behulp van de aan verdachte toebehorende telefoon het onder 2 bewezen verklaarde feit voorbereid/begaan. Het door de raadsman opgeworpen verweer gaat niet op aangezien de feitenstelling in de door de raadsman aangehaalde uitspraak een heel andere betreft dan in de onderhavige zaak.

11. DE BENADEELDE PARTIJ

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.000,00, alsmede oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van dit slachtoffer tot voornoemd bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de hoogte van het schadebedrag te matigen daar hetgeen ter onderbouwing van de vordering is overgelegd niet van toepassing is op hetgeen waardoor verdachte zal worden veroordeeld.

Het oordeel van de rechtbank

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.000,00.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 1.000,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

12. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36f, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

13. BESLISSING

De rechtbank:

Ten aanzien van het ten laste gelegde

verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden;

bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Ten aanzien van het beslag

verklaart verbeurd de nummers 1 en 2, te weten € 210,00 aan Nederlands geld en een zwarte mobiele telefoon van het merk Samsung;

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], domicilie kiezende te [plaats], van een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 16 juli 2010, tot die van de voldoening;

veroordeelt verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 1.000,00, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. A.I. van der Kris en mr. C.M.W. de Waele, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2011.