Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2011:BP1977

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
517858 CV 10-6196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiele vordering. Overeenkomst inzake het onderhoud van een auto. De als algemene voorwaarde beschouwde partij-afspraak inzake non-restitutie van de door particulier aan de garage verschuldigde onderhoudstermijn bij tussentijdse beëindiging van die overeenkomst wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 517858 CV EXPL 10-6196

Datum : 25 januari 2011

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASTRUM AUTOMOTIVE B.V.,

gevestigd te Zwolle,

eisende partij,

verder te noemen [eisende partij],

gemachtigde [B],

tegen

[gedaagde partij],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij],

verschenen en zonder gemachtigde procederend.

Verloop van de procedure

De volgende stukken bevinden zich in het dossier en daaruit blijkt het procesverloop:

- dagvaarding

- conclusie van antwoord

- conclusie van repliek

- conclusie van dupliek.

Het vonnis is vervolgens op vandaag bepaald.

Geschil

[eisende partij] vordert, kort samengevat, betaling van € 758,74 aan hoofdsom, rente en in-cassokosten en de veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

[gedaagde partij] heeft de vordering bestreden en gevorderd dat [eisende partij] wordt ver-oordeeld aan hem te betalen € 640,00 wegens inkomstenverlies en kosten.

Beoordeling

1.

Tussen partijen staat het volgende vast.

[gedaagde partij] heeft met [eisende partij] in maart 2009 een onderhoudscontract afgesloten betreffende zijn auto, een [B], kenteken [X]. Dit contract is ingegaan op 1 februari 2009 en heeft een looptijd van drie jaren, behoudens tussentijdse beëindiging. Artikel 5 van het con-tract bepaalt onder meer dat [gedaagde partij] de overeenkomst kan beëindigen in geval van verkoop en levering van zijn auto aan een derde. In het contract staat dat in dat geval ‘de reeds gefactureerde voorschotten niet worden gerestitueerd’.

2.

Vaststaat dat [gedaagde partij] het onderhoudscontract heeft geparafeerd en ondertekend. Het contract zelf bevat goed leesbare en duidelijke bepalingen. Indien [gedaagde partij] het con-tract heeft geparafeerd en ondertekend zonder die bepalingen eerst te lezen, dan komt dat voor zijn risico. Zijn hiermee verband houdende verweer moet worden verworpen.

3.

[eisende partij] vordert betaling van de tweede jaartermijn, zijnde € 642,60.

[gedaagde partij] betwist dit bedrag te zijn verschuldigd omdat de auto tijdens deze termijn, op 1 mei 2010, door [eisende partij] zelf is ingekocht, althans zo begrijpt de kantonrechter de stellingen van partijen, en toen (in het tweede contractsjaar) nog geen onderhoudskosten waren gemaakt. Die zouden pas in of omstreeks augustus 2010 weer worden gemaakt (blijk-baar de gebruikelijke onderhoudsbeurt). Volgens [gedaagde partij] is daarom sprake van ‘puur geld afhandig maken’. Ook is [gedaagde partij] van mening dat de algemene voor-waarden niet rechtsgeldig zijn, omdat die niet of nauwelijks leesbaar zijn. [gedaagde partij] heeft verzocht die voorwaarden te vernietigen. Nergens valt te lezen, aldus [gedaagde partij], dat de onderhavige factuur al in februari 2010 betaald had moeten worden.

4.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Partijen zijn in artikel 5 van het contract uitdrukkelijk overeengekomen dat bij tussentijdse be-eindiging van het contract reeds gefactureerde voorschotten niet zullen worden gerestitueerd. Of het voorschot nu wel of niet al betaald is, speelt geen rol. Ook indien [gedaagde partij] de fac-tuur van 21 januari 2010 al wel had betaald was de onderhavige discussie mogelijk opgelaaid. Het gaat om de vraag of [gedaagde partij] bij tussentijdse verkoop van de auto en de daarmee verband houdende tussentijdse beëindiging van het onderhoudscontract, toch het voorschot over de volledige onderhoudsperiode is verschuldigd. Partijen hebben dat blijkens artikel 5 van het contract afgesproken en het uitgangspunt is: afspraak is afspraak.

5.

Toch is daarmee dit punt niet afgedaan. Het bezwaar van [gedaagde partij] tegen de toepassing van artikel 5 vat de kantonrechter op als een beroep op artikel 6:233 BW: artikel 5 is in de ogen van [gedaagde partij] onredelijk bezwarend en moet daarom worden vernietigd.

De kantonrechter beschouwt artikel 5 als een algemene voorwaarde omdat aannemelijk is dat artikel 5 ook in andere onderhoudscontracten van [eisende partij] is en zal worden opgenomen en het artikel niet de kern van de prestaties van partijen regelt. Die kern vormen de artikelen 2 en 6, respectievelijk de door de klant te betalen vergoeding en het door [eisende partij] te ver-richten onderhoud.

6.

De kantonrechter is met [gedaagde partij] van oordeel dat de eis tot volledige nakoming van artikel 5 in dit geval onredelijk bezwarend is. Onweersproken is immers gebleven dat het on-derhoud aan de auto in of omstreeks augustus 2010 diende te worden uitgevoerd, en de auto in mei 2010 door [gedaagde partij] is verkocht en geleverd. Met andere woorden: [gedaagde partij] dient te betalen voor onderhoud waarvan hij niet meer kan profiteren. Dat is onredelijk bezwa-rend. De kantonrechter wordt in dit oordeel gesterkt door artikel 6:237 aanhef en onder i BW dat bepaalt dat een voorwaarde die verplicht tot betaling van een bedrag bij de beëindiging van een overeenkomst anders dan ten gevolge van een tekortkoming wordt vermoed onredelijk be-zwarend te zijn, tenzij het bedrag verband houdt met geleden verlies of gederfde winst. Onver-korte toepassing van artikel 5 verschilt, althans in financieel opzicht, niet wezenlijk van artikel 6:237 aanhef en onder i BW. In dit artikel gaat het om de betaling van een bedrag in verband met de beëindiging van de overeenkomst. Artikel 5 betreft een vergelijkbare situatie: de debiteur blijft een bedrag verschuldigd, ondanks de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst welke beëindiging niet het gevolg is van een tekortkoming.

7.

Hiermee is niet gezegd dat [gedaagde partij] niets is verschuldigd. [eisende partij] heeft onbe-streden aangevoerd dat zij in het eerste contractsjaar een verlies van € 145,98 op het onder-houdscontract heeft geleden en dat zij investeringen heeft gepleegd om het afgesproken onder-houd aan de auto te kunnen uitvoeren. Dat laatste ligt voor de hand, omdat [eisende partij] blij-vend over materieel en personeel moe(s)t beschikken om (ook) het onderhoud aan de Mercedes van [gedaagde partij] uit te kunnen voeren. Tot slot: het in augustus 2010 te verrichten onder-houd houdt mede verband met de door [gedaagde partij] tot mei 2010 verreden kilometers.

De kantonrechter zal de vordering daarom toewijzen tot het in artikel 2 van het contract afge-sproken minimale jaarbedrag van € 300,00 vermeerderd met 19% btw is € 357,00.

8.

De stelling van [gedaagde partij] dat de tekst van de toepasselijke algemene voorwaarden zo klein is afgedrukt dat die tekst met het blote oog niet leesbaar is en dat die voorwaarden daarom niet van toepassing zijn, moet worden verworpen. Zonder vergrootglas zijn de algemene voor-waarden, zij het wel met enige moeite, leesbaar en ook is leesbaar dat ingeval van vertraging in de betaling een rente is verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente plus 3%. Die gevorderde vertragingsrente zal worden toegewezen. Op grond van de toepasselijke voorwaarden diende betaling binnen acht dagen na de factuurdatum plaats te vinden. De rente zal met ingang van 1 februari 2010 worden toegewezen.

De post buitengerechtelijke incassokosten zal als voldoende toegelicht en onderbouwd eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat die kosten op een bedrag van € 75,00 zullen worden bepaald. Dit is in overeenstemming met de staffel van het rapport Voor-werk II.

9.

De vordering van [gedaagde partij] tot toekenning van schadevergoeding beschouwt de kanton-rechter, gelet op de toelichting bij die vordering, als een verzoek tot toekenning van een proces-kostenveroordeling. [gedaagde partij] wenst een vergoeding voor de door hem aan het geschil bestede tijd.

De kantonrechter zal echter bepalen dat beide partijen hun eigen kosten moeten dragen omdat beide partijen gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

1.

veroordeelt [gedaagde partij] aan [eisende partij] tegen bewijs van kwijting te betalen € 432,00 vermeerderd met de wettelijke rente plus 3% over € 357,00 vanaf 1 februari 2010 tot de dag van de volledige betaling;

2.

bepaalt dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen;

3.

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 25 januari 2011.