Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BV6817

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
07.620157-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een zodanige rol gespeeld dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en volledige samenwerking bij de totstandkoming van het strafbare feit. De rechtbank stoelt dit oordeel op de verklaringen van verdachte en zjin vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.620157-09 (P)

Uitspraak: 4 november 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg op 21 oktober 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.J.W.M. Janssen, en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. H.E. Brink, advocaat te Amsterdam, en de verdachte naar voren is gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 november 2008 in de gemeente [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) ongeveer 568, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2007 tot en met 21 november 2008 in de gemeente [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2007 tot en met 21 november 2008 in de gemeente [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, enig elektriciteitswerk heeft beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, althans de stoornis in de gang voor of in de werking van enig elektriciteitswerk heeft veroorzaakt, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) bij/in het perceel [adres], een hennepkwekerij aangelegd, althans laten aanleggen en/of ten behoeve van de stroomvoorziening van die hennepkwekerij, de verzegeling van de aansluitkast van Liander N.V. verbroken en de kabel (buigzame (snoer)leidingen) rechtstreeks aangesloten op de toevoerleiding van Liander N.V., waardoor bij overbelasting of kortsluiting geen veilige afschakeling kan plaatsvinden en er gevaar voor de omgeving ontstaat.

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

4.1 Vaststaande feiten

De rechtbank stelt de navolgende feiten vast.

Op 17 november 2008 zijn tijdens een surveillancevlucht van de KLPD met een thermische camera opnamen gemaakt van onder andere een woning aan de [adres] te [plaats]. De politie constateert naar aanleiding van deze opnamen dat zich in die woning een onbekende warmtebron bevindt. Op 20 november 2008 zijn met behulp van een warmtebeeldcamera opnamen gemaakt van de woning aan de [adres]. Op die beelden is te zien dat onder het dak en op de eerste verdieping van die woning een ongewone warmtebron aanwezig is. Op 21 november 2008 heeft de politie de woning aan de [adres] te [plaats], op basis van een machtiging tot binnentreden, betreden. Op de eerste verdieping en op zolder is een inwerking zijnde hennepkwekerij met 568 planten aangetroffen en ontmanteld. Van een aangetroffen plant is een monster genomen en onderzocht. Het monster is herkend als hennep/cannabis en bleek na onderzoek THC te bevatten. Ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening van de hennepkwekerij was een illegale aansluiting gemaakt op de toevoerleiding naar de hoofdaansluitkast. Hierbij waren de zegels van de hoofdaansluitkast verbroken. De aansluiting en het transport van elektriciteit naar genoemde woning wordt verzorgd door Liander N.V. Liander heeft op 28 november 2008 aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit. Verdachte en zijn echtgenote zijn op 21 november 2008 in de woning aangehouden.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring ter zake het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en wijst daarbij op het aantreffen van de professioneel aangelegde hennepkwekerij in de woning van verdachte en dat hij het ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal stroom heeft afgenomen. Voorts wijst de officier van justitie onder andere op de afvalresten en het vuil op de filters, waaruit blijkt dat de hennepkwekerij in ieder geval gedurende de ten laste gelegde periode in de woning aan de [adres] in werking is geweest.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen redelijk vermoeden van schuld was. Uit het proces-verbaal blijkt niet helder naar aanleiding van welke informatie de politie in actie is gekomen. Er blijkt niet van een verband tussen de bevindingen naar aanleiding van de surveillancevlucht, de warmtemeting die later heeft plaatsgevonden en de reden voor de politie om tot binnentreden in de woning van verdachte over te gaan. Er is derhalve onrechtmatig binnengetreden nu er geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden dat de Opiumwet werd overtreden. De resultaten van de doorzoeking, de vondst van de hennep en de overige aangetroffen goederen, zijn om die reden onrechtmatig verkregen. De raadsman heeft bepleit dat deze resultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten, hetgeen met zich meebrengt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdediging stelt voorts dat onder de geschetste omstandigheden een machtiging tot binnentreden niet had mogen worden verstrekt. De verdediging betwist dat verdachte toestemming heeft gegeven voor binnentreden van de woning nu hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is.

Indien de rechtbank het binnentreden van de verbalisanten rechtmatig acht, stelt de verdediging zich subsidiair op het standpunt dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, in die zin dat de verdachte vanaf september 2008 hennepplanten aanwezig heeft gehad. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen van een langere periode en voor het telen, bereiden en verwerken. Voorts betoogt de raadsman dat de verklaring van verdachte buiten beschouwing gelaten dient te worden nu verdachte de Nederlandse taal onvoldoende machtig is en zijn verklaring bij de politie zonder tolk is afgenomen. Zijn verklaring dient om die reden niet voor het bewijs gebezigd te worden.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de verdediging vrijspraak bepleit omdat het (voorwaardelijke) opzet ontbreekt op de samenwerking tot het verrichten van de strafbare gedragingen. Er is derhalve geen sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. De verdediging voert daartoe aan dat [persoon X] de strafbare feiten heeft gepleegd. Verdachte wist niet wat [persoon X] precies deed, laat staan dat het om strafbare handelingen ging. Om die reden ontbreekt eveneens het oogmerk bij verdachte op het wegnemen van de elektriciteit.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bevindingen uit de surveillancevlucht en een daarop volgende positieve warmtemeting voldoende aanwijzingen aanwezig waren voor een redelijk vermoeden van schuld. De machtiging tot binnentreden is om die reden op juiste gronden afgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve rechtmatig binnengetreden in de woning van verdachte aan de [adres] te [plaats].

De rechtbank is voorts van oordeel dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden nopen tot de conclusie dat de verbalisanten bij het binnentreden niet hadden mogen afgaan op de hun verleende toestemming omdat de echtgenoot van verdachte niet of onvoldoende zou hebben begrepen waarvoor hij toestemming gaf. Het enkele feit dat de echtgenoot van verdachte eerst ter terechtzitting aangeeft gebrekkig Nederlands te spreken, kan het verweer niet dragen. Zeker nu verdachte eerder zelf aangaf Nederlands te verstaan en hij al 9 jaar in Nederland woont en werkt. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer en acht de wijze van binnentreden rechtmatig. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de echtgenoot van verdachte bij de politie, alwaar hij zonder tolk is gehoord, voor het bewijs gebezigd kan worden.

De rechtbank overweegt voorts, dat zij, met betrekking tot het bewijs voor het medeplegen, waarde hecht aan de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie en de verklaring van de echtgenote van verdachte afgelegd ter zitting. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [persoon X] de goederen heeft geleverd voor het opzetten van de hennepkwekerij en de daarvoor benodigde elektriciteit buiten de meter om heeft aangelegd. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij heeft geholpen bij het aanleggen van de elektriciteit buiten de meter om en zich heeft beziggehouden met het planten en het onderhouden van de hennepkwekerij. De echtgenote van verdachte, [medeverdachte], heeft ter zitting bevestigd dat [persoon X] contact had met verdachte en dat [persoon X] bij hen langs kwam. Ze wist niet wanneer [persoon X] zou komen en of hij een eigen sleutel had.

Verdachte heeft echter ter zitting verklaard dat zijn rol beperkt was tot het ontvangen van geld na het oogsten. Voorts heeft verdachte verklaard dat [persoon X] de hennepkwekerij heeft aangelegd en verzorgd. Gelet op de door verdachte bij de politie gegeven gedetailleerde beschrijving van de rolverdeling tussen hem en [persoon X] acht de rechtbank de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter zitting niet geloofwaardig.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hierboven weergegeven gang van zaken dat verdachte een zodanige rol heeft gespeeld dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en volledige samenwerking bij de totstandkoming van het strafbare feit.

De rechtbank is voorts, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat verdachte opzettelijk in vereniging een elektriciteitswerk heeft beschadigd. Verdachte heeft samen met een ander een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt. Door het laten aanleggen van deze elektriciteitsaansluiting met ondeugdelijke beveiliging heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat verhindering of bemoeilijking van stroomlevering en gemeen gevaar voor goederen kon ontstaan. Dat dergelijke situaties kunnen ontstaan, baseert de rechtbank op hetgeen Liander N.V. daarover heeft uitgelegd in bovengenoemde aangifte. Gelet op de aangifte van Liander acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat deze elektriciteitsaansluiting heeft bestaan in de periode van december 2007 tot 21 november 2008.

4.5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij omstreeks 21 november 2008 in de gemeente [plaats], tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld en bereid, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) ongeveer 568 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in de periode van 01 december 2007 tot en met 21 november 2008 in de gemeente [plaats], tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, geheel toebehorende aan Liander N.V.;

3.

hij in de periode van 01 december 2007 tot en met 21 november 2008 in de gemeente [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, enig elektriciteitswerk heeft beschadigd, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was, immers hebben verdachte en zijn mededader in het perceel [adres], een hennepkwekerij aangelegd, en ten behoeve van de stroomvoorziening van die hennepkwekerij, de verzegeling van de aansluitkast van Liander N.V. verbroken en de kabel buigzame snoerleidingen rechtstreeks aangesloten op de toevoerleiding van Liander N.V., waardoor bij overbelasting of kortsluiting geen veilige afschakeling kan plaatsvinden en er gevaar voor de omgeving ontstaat.

Van het onder de feiten 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

5. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede en derde lid van de Opiumwet.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk enig elektriciteitswerk beschadigen, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

6. DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit

7. DE STRAFOPLEGGING

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 maanden.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op de door hem bepleite vrijspraak niets aangaande de strafmaat opgemerkt.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft een groot aantal hennepplanten bereid en geteeld in zijn woning. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Voorts heeft verdachte, om de hennepkwekerij te voorzien van stroom, een illegale stroomaansluiting laten plaatsen. Hiermee heeft verdachte elektriciteit gestolen en een gevaarlijke situatie gecreëerd.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de op te leggen straf als uitgangspunt de oriëntatiepunten van het LOVS. Voor het telen van 500 tot en met 1000 hennepplanten in een woning is het uitgangspunt een gevangenisstraf van 12 weken. Voor de feiten 2 en 3 zijn geen oriëntatiepunten voorhanden.

De rechtbank zal bij straftoemeting rekening houden met het blanco strafblad van verdachte. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de feiten twee jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dat brengt mee dat een lagere straf dan uit het voormelde oriëntatiepunt volgt, aangewezen is. Om die reden zal de rechtbank verdachte een werkstraf opleggen in plaats van een gevangenisstraf.

Voor het geheel van de feiten acht de rechtbank een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, passend.

8. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 57, 91, 161bis, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van het onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren.

- De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis, althans een aantal dagen vervangende hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mrs. E.W. Akkerman en M. Iedema, rechters, in tegenwoordigheid van M. van Veen-Looy, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2010.